Een beschrijving van Korbeek-Dijle uit 1875

In februari 1875 schreef Adolf Everaerts een kort artikel over Korbeek-Dijle, dat werd gepubliceerd in het Vlaamsch museum voor letterkunde, oudheid, geschiedenis, kunsten en wetenschappen. Van dit tijdschrift verscheen maar een jaargang, die slechts in enkele bibliotheken wordt bewaard. Daarom nemen we het artikel van Everaerts hier graag integraal over. De inhoud ervan blijft na 140 jaar nog altijd waardevol, omdat het om een uitgebreide beschrijving gaat van de kerk die in 1858 afbrandde.

St. Bartholomeus tot Corbeek-Dijle. - Afgebrand in 1858.

St. Bartholomeus tot Corbeek-Dijle. – Afgebrand in 1858.

Corbeek-Dijle

Wanneer men langs de Tervuursche, eertijds de oude-Brusselsche poort, Loven uitgaat, ziet men, op 500 meters afstand, de prachtige kerk van het klooster van Terbank, opgericht in 1197, vernield in 1796, en geheel herbouwd in 1872; men slaat links af, volgt den steenweg door Eegenhoven, waar de kapel van de H. Renaldina, gebouwd in 1781, en het nieuw lusthuis der Paters Jesuiten staan, en, vruchtbare landen doorsnijdende, komt men aan Corbeek-Dijle, 7 kilometers van de stad gelegen. Indien men door door dezelfde wegen niet zoekt terug te komen, trekt men nevens de kerk af, en men bevindt zich in de groote vetweiden, welke het dal van de Dijle uitmaken, en u leiden tot aan het kasteel van den hertog van Arenberg; en eindelijk, langs de schoone dreef, tot aan de Naamsche-poort. De verschillende uitzichten, de ontelbare kudden vee, de aangename geur der bloemen en de koelte, door de Dijle veroorzaakt, maken, dat deze zomerwandeling eene der bevalligste van onze omstreken is.

Corbeek-Dijle, Corbeek-over-Dijle, Corbeka ultra-Dyliam, ontleend van korte en beek, (er bestaat inderdaad eene beek, die na eenen korten waterloop zich in de Dijle verliest), waar men het woord Dijle bijvoegt om het van Corbeek-Loo te onderscheiden, is een schoon dorp van eene uitgestrektheid van 412 hektaren en eene bevolking van 800 zielen, van vruchtbare landen omringd en tegen de noordewinden door eenige gebergten beschermd.

De heerlijkheid Corbeek behoorde, in 1308, aan Jan van Waver, en werd vervolgens overgedragen aan Van Calstre, aan Pinnoc, aan Keersmakeers; in 1510 aan van den Tympel; in 1562 aan Jan Miles; in 1567 aan Olivier van de Tympel, Kalvinisten stadsvoogd van Brussel, van 1579 tot 1586; in 1596 aan Maximiliaan Scheijfe; in 1644 aan Carolus Streignart, heer van Huldenberg; opgericht in Baronij den 17 Augusti 1661, ten voordeele van Henricus Donglebert; in 1687, met de heerlijkheden van Steenberge en Valbeek door het edel geslacht Jacobs van Brussel aangekocht; en eindelijk aan de Crabeels en Goubau door vermaagschappingen vereenigd.

De kerk, die ongetwijfeld van de XIIe eeuw dagteekende, was eene kostbare verbeelding van de Romaansche bouwkunst. Zij was zeer onregelmatig ingericht en bestond uit een koor, eenen middelbeuk, eenen rechterzijbeuk, en, links, eene kapel, die de H. Maagd toegewijd was, en waar zich de eenige venster van die zijde in bevond; de rechterzijde had maar zeer kleine vensters. De lage en vierkantige toren, was, zoo als de kerk, in plaatselijken witten steen gebouwd; de deur bevond zich niet in het midden van den voorgevel om aan eene zijde plaats te hebben voor de doopvont te zetten. Het koor, dat alleen gewelfd was, en het hoogaltaar bevonden zich onder den toren om hunne richting naar het oosten te hebben. Achter het hoogaltaar zag men, ter linkerzijde, de puinen van eenen Gotisch-steenen-toren, die eertijds een prachtig tabernakel vormde. De laatste herstelling had plaats in 1739.

De kerk, den H. Bartholomeüs toegewijd, was eene bijkerk van Berthem, en is, door besluit van 11 juli 1842, tot hulpkerk verheven. Haar bijgevoegde bescherm-heilige, de H. Stephanus, bezonderlijk aanroepen tegen de veeziekten, had, aan het hoofd van den zijdebeuk, een uitmuntend altaar met een kostelijk beeldhouwwerk (retable), gevormd uit vijf kapelletjes in den Gotischen smaak van de XIVe eeuw gesneden en de aanhouding, de veroordeling, de steeniging, den dood, en de begrafenis van den martelaer voorstellende. Het beeld, dat het bekroont, is niet zoo oud en draagt tot opschrift het jaar 1629.

De Fransche Republiek beroofde de kerk van drie zware klokken; ook in den nacht, tusschen den 15n en 16n Januari 1849, werden er bij inbraak, eene zilveren remonstrantie, twee kelken, eene ciborie, eene antieke relikwiekas van den H. Stephanus, eene hostiedoos, eene relikwiekas van den H. Elisius, gestolen, en de H. Hostiën door de kerk verstrooid. De dieven, die de kerk een verlies van een kunstrijk belang toebrachten, bleven onbekend, alhoewel de relikwiekassen in eene gracht, boven Diest, weergevonden werden.

In September 1858, wierd de kerk bij toeval afgebrand; het altaarblad (retable) werd gered, maar vele andere zaken werden vernield; onder andere, de aloude grafsteen van Van der Eyken, onlangs tegen den muur opgericht, en geheel verbrijzeld gevonden.

Geen afbeeldsel van deze kerk vindende, heb ik, met de goedwillige hulp van den heer Cassaer, gewezen onderwijzer te Corbeek-Dijle, heden tot Stein-Ockerzeel, dezelve door aandenken geteekend.

De nieuwe kerk is in 1860 gebouwd.

Adolf Everaerts.

Loven, Februari 1875.

Advertenties

Een gedachte over “Een beschrijving van Korbeek-Dijle uit 1875

  1. Pingback: De ‘ontdekking’ van het Sint-Stefanusretabel (1847) | Erfgoedkamer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s