Het domein van Guillaume Maes en de bouw van het gemeenschapshuis en de jeugdlokalen in Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 20 december 2011 op leefdaal.be.


Bertem_Dorpstraat_550_01011970_(2)

Het herenhuis als rijkswachtkazerne (bron: beeldbank Onroerend Erfgoed)

Zoals in Bertem staan in Leefdaal belangrijke werken op stapel in een samenwerkingsverband tussen de gemeente en een private partner. De meest omvangrijke gebeuren op een domein waarvan de vroegere eigenaars meestal een belangrijke rol speelden in de plaatselijke geschiedenis.

Volgens het oude kadaster ligt het terrein op het Smisblok. In de omgeving lag inderdaad vroeger een smidse. Een smid was een belangrijke man in het vroegere landbouwdorp.

Op deze grond bouwde Guillaume Maes, de pachter van Raffelberg in 1852, een herenhuis in klassieke Franse Lodewijk XVI-stijl (nu Dorpstraat 555). Hij was een van de vele pachters die rond die tijd, na gemaakt fortuin, de landbouw verlieten.

In 1860 ging het domein naar Charles Maes, die het in het volgende jaar overliet aan Ferdinand De Coster, arts uit Sint-Gillis-Brussel. Zijn schoonzoon Justin Tielemans nam het over in 1868. Hij was in Leefdaal geboren als zoon van Franz, eveneens een arts. Zoals zijn broer Louis studeerde hij af als dokter, maar oefende het beroep niet uit. Hij werd wijnhandelaar. Van 1867 tot 1895 was hij burgemeester van Leefdaal. Als liberaal stond hij tijdens de schoolstrijd 1879-1884 tegenover pastoor Silvercruys. Hij vertrok in 1898 met zijn familie naar Koekelberg.

Het domein raakte gesplitst. Op het oostelijke gedeelte bouwde Francis Tielemans een graanmolen met stoommachine, een ‘vuurmolen’ met een hoge schoorsteen. Het experiment mislukte. De schoorsteen verdween. Het molenhuis is nu de eigendom van de apothekers Frank De Moor en Els Lecluse (Dorpstraat 553). In de bijgebouwen zijn de overblijfselen van de oude graanmolen nog zichtbaar.

postkaart leefdaal 1

Het ‘huis van dokter Ectors’

Dokter Jean-Gustave Ectors kocht in 1899 het aanpalende herenhuis met het grootste deel van de tuin. Hij ook mengde zich, aanvankelijk met succes, in de dorpspolitiek. Hij verliet het dorp in 1910. Zijn dochter Gabrielle, die in Leefdaal was geboren, huwde met Paul Anciaux. Zij werden de ouders van de latere Leuvense liberale senator Etienne Anciaux.

Van 1910 tot 1919 bewoonde rustend luitenant-generaal Florentin Verheyden het herenhuis. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht zijn zoon Leon als commandant in het Belgische leger. Zijn gezin verbleef intussen bij zijn ouders in Leefdaal. Toen bekend werd dat de commandant aan de IJzer sneuvelde organiseerde men een herdenkingsdienst in de Sint-Lambertuskerk. De kerk bleek veel te klein voor de massa aanwezigen. Naast een sympathiebetuiging voor de familie bleek het om een stille demonstratie tegen de bezetter te gaan.

Leefdaal kreeg in 1911 een brigade van vijf rijkswachters die allen met hun gezin een onderkomen vonden in het oude herenhuis. Decennia lang bleven de rijkswachters goed geïntegreerd in het dorp. Na hun pensionering bleven velen van hen met hun gezin er wonen. Als gevolg van de recente politiehervorming verliet de brigade Leefdaal om deel uit te maken van de politiezone ‘Dijleland’, die voorlopig het gebouw behield. De gemeente Bertem kon het uiteindelijk verwerven.

Zo blijkt dat het vroegere domein van Guillaume Maes het toneel was van belangrijke episoden in de lokale geschiedenis: eerst als woonplaats van artsen en hoge militairen – in die tijden eerder zeldzaam in de plattelandsdorpen -, daarna als residentie van een rijkswachtbrigade die meestal voortreffelijk werk leverde. Hopelijk bewijzen het gemeenschapshuis en de jeugdlokalen, die achter het oude herenhuis zijn gepland, lange jaren goede diensten aan de dorpsgemeenschap.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


kapel_zanglijster1Ten zuiden van het voetbalveld van Leefdaal, vlak bij de grens tussen de parochies Bertem en Leefdaal, staat een kapel toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Het is een rechthoekige niskapel, opgetrokken in baksteen volledig met cement bezet, en gedekt met een eenvoudig zadeldak. Op de rondboog boven de nis staat geschreven ‘O. L. Vrouw van Lourdes B. V. O.’ en achteraan op een ruitvormige steen ‘Gesticht door J.B. De Wals en D. Van Eycken 1878’.

Het gebouwtje staat in de berm van de Kerstraat die eens de voornaamste verbinding was tussen Sint-Verone en Bertem. Zij is alleen te bereiken langs een aantal treden en is omringd door een halfcirkelvormig muurtje, deels als borstwering en deels als bescherming tegen de omliggende aarde.

In de nis staat een Mariabeeld met een wit kleed, witte sluier, blauwe gordel en een gele roos op elke voet. Voor haar knielt het meisje Bernadette. Het is de typische uitbeelding van de verschijningen in 1858 in het Franse stadje, na de dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis door Pius IX in 1854.

De stichters, het echtpaar Jan-Baptist De Wals en Dorothea Van Eycken, behoorden tot gekende Bertemse families. Het is niet duidelijk of zij ooit in Lourdes zijn geweest of alleen getroffen waren door de weerklank van de verschijningen in de grot van Massabielle. Blijkbaar hebben zij ook een stichting opgericht die het voortbestaan van de kapel moest verzekeren.

IMG_0008Vele jaren hebben de families Ectors en Saerens uit Bertem de kapel puik verzorgd. Maar zelfs families hebben niet het eeuwige leven. Na een lange eeuw hebben anderen de taak op zich genomen. Hun inzet kon niet beletten dat het gebouwtje in 1999 door ouderdom en vandalisme in een beklagenswaardige toestand verkeerde.

De ornithologische vereniging, zeg maar de vogelbond, De Zanglijster, vierde in dat jaar zijn veertigste verjaardag. Om het feest een blijvend karakter te verlenen zouden zij het kapelletje herstellen. Dank zij voorzitter Jean Troisfontaine, toenmalig secretaris Roger Houtmeyers, vele andere leden en met enige hulp van het gemeentebestuur gebeurde het wonder. De oude kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes is mooier dan ooit. De feestelijke inwijding gebeurde op 30 april 2000.

De Zanglijster verzekert verder het onderhoud. En zie, vele mensen uit Bertem en Leefdaal komen weer wat verpozing zoeken bij het Mariabeeldje en laten een kaarsje branden.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De Augustijnen en hun vroegere hoeve van Bertembos

Wie waren de Augustijnen? Waar kwamen zij vandaan?

De Augustijnen zijn ontstaan uit de Eremieten, een geestelijke orde die zich in de woestijn terugtrok om de ware Christelijke leer te beleven. Het waren bedelmonniken die zo eenvoudig mogelijk leefden en zich vooral om de arme mensen bekommerden.

Rond 1200 vestigde een gemeenschap Augustijnen zich te Heverlee. Later openden zij een onderwijsklooster aan de Vismarkt te Leuven, een voorloper van de universiteit die werd gesticht in 1425.

De priorij van Terbank, opgericht in 1203 door de Brabantse hertog Hendrik I en gebouwd op een grondstuk, buiten de Brusselse poort, van Gosuinus III van Heverlee, werd ook bevolkt door de orde van de Augustijnen.

Bedelen was hun grote specialiteit. Zij hadden natuurlijk onuitputtelijke waarden ter beschikking zoals aflaten, vergeving van zonden, genezing van zieken, een goede plaats in het hiernamaals. Verder konden zij bidden voor gunsten, ongelukkige mensen, om rampen te voorkomen, voor het welzijn van de veestapel en noem maar op. Uit dankbaarheid kregen zij natuurlijk centen en wanneer een goed bemiddelde heer of dame naar het rijk der hemelen werd gestuurd, kon hij of zij op hun sterfbed een aangewezen stukje grond ter vergeving van de zonden of voor goede werken aan de orde overmaken. Tevens bracht hun bedevaartsoord en het verstrekte onderwijs slijk der aarde in de kist van vader-schatbewaarder. Hun patrimonium werd groter en groter, ook te Leuven.

Vroeger was het zo dat op de eigendommen van de allerhoogste Heer, en dus ook op die van de brave paters, geen belastingen konden worden geïnd. Integendeel, de kerkelijke eigenaars hadden recht op de tienden en de huur.

Ten einde de stad- en staatskas niet verder in gevaar te brengen besloot hertog Jan II in het jaar 1306 dat verdere kerkelijke eigendommen te Leuven verboden waren. Zij mochten van dan af enkel nog enkel cijnzen, renten en inkomsten uit bedeltochten aan hun patrimonium toevoegen.

Maar in 1602 kregen ze van de streng katholieke aartshertogen Albrecht en Isabella terug de toelating om onroerende goederen te verwerven.

In opdracht van Pater Prior maakte Rumoldus Wirix, gezworen landmeter te Leuven, tussen 1781 en 1792 een inventaris op van de eigendommen en hun huurders. Hij had 140 kaarten nodig om de 197 percelen te registreren. In Bertem bezaten ze onder andere de Augustijnenhoeve en 86 andere landbouwgrondstukken en eigendommen. De bewuste hoeve stond onder het beheer van de Priorij van Terbank.

1

In 1796 schaft de Franse revolutionairen de orde af. Alle eigendommen worden verkocht voor het welzijn van de Franse schatkist en het financieren van hun oorlogen. De goddelijke vruchten van eeuwenlang paterszweet, goed beheer, geloof, inzet en vrijgevigheid kwamen in de oorlogsmachine van keizer Napoleon terecht. Wereldlijke beleggers verrijkten zich verder met de handel in deze gekoesterde ex-kerkelijke waardevolle goederen.

De Augustijnenhoeve kwam rond 1843 in handen van graaf Cossée de Maulde uit Moubaix, tussen 1850-60 was zij van Markies Oswald du Chasteler enzovoort.

In 1955 werden het pachthof en zijn landerijen aangekocht door Robert De Prins. Sinds 1997 heeft de familie Verschoten-De Prins het pachthof met de uitgestrekte gronden in haar bezit.

De hoeve zelf

Over het prille begin zijn geen geschriften bekend. Wel weten we dat de plaats waar ze nu staat vroeger bebost was. Eikenbos en Bertembos vormden een geheel.

Om een hoeve te starten heb je grond nodig maar in de eerste plaats water, niet alleen voor de boer en zijn gevolg maar voornamelijk voor het vee. Elke boerderij had vee nodig om de melk, het vlees en omdat hun mest onontbeerlijk was voor het bekomen van een goede oogst. Mest betekende in die tijd goud voor de landbouw.

Een drietal bronnen zorgde in het dal Bertembos voor het water; de gerooide bomen, die de vruchtbare leembodem vrijmaakten, werden gebruikt voor de basisconstructie van de gebouwen. Met de aanwezige klei en strooi werden het dak en de muren gedicht. Dit moet, denken wij, rond de jaren 1200-1300 gebeurd zijn.

Op 9 november 1622 werd dit goed aan de Augustijnen overgedragen door Jacques van Blitteszwyck, licentiaat in de rechten, protonotaris en kanunnik van Sint-Hermes te Ronse. Het omvatte toen circa 51 ha grond en bossen in de omgeving van Bertem, Beisem, Winksele, en Erps-Kwerps. Een mooie overdracht, toch was het gebouw aan renovatie toe. De lemen muren waren verouderd en het strooien dak verboden wegens de brandgevaar.

bosDe Augustijnen en hun helpers herbouwden de hele hoeve in haar huidige stenen vierkantsvorm, rooiden verder de bomen en stelden in 1635 Petrus Strobants aan als pachter. De Augustijnenhoeve was ontstaan en de fiere nieuwe pachter moest toezien op de goede werking en de katholieke godsvrucht van zijn gezin en zijn knechten. Als men de kaart en tekening uit het kaartenboek van het Park van Libert de Pape uit 1665 bekijkt, heeft men de indruk dat er zelfs een hofkapel naast de boerderij stond. Doch nergens vind ik daar een beschrijving van terug.

Als pachters vindt men vervolgens: Frans Bulens, Van Hamme, Coopmans, Laurent Peeters, Robert De Prins (boer-eigenaar) en actueel de familie Verschoten-De Prins.

Laurent Peeters was een voortrekker van het Boerenfront kort voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was zeer actief bij de melkstaking en in de corporatie tijdens deze oorlog. Geen wonder dat hij vijanden had en zich genoodzaakt zag om een stalen deur en ijzeren smeedwerk voor zijn vensters te laten plaatsen.

4Verdere bijzondere kenmerken van deze vierkantshoeve zijn de twee grote inrijpoorten, een voor de grote schuur en een voor de binnenplaats.

De grote mesthoop in het midden van deze grote binnenplaats is nog steeds in gebruik. De stallen, het woonhuis en de schuur zijn zeer goed gebouwd en beantwoorden aan de noden van dit bedrijf. De berging van de werktuigen, stallen, het woonhuis van de pachter en het verblijf van de meiden en knechten zijn als een geheel samengegoten. Onder de pui van de ingang naar het woongedeelte van de boer bevindt zich het hondenhok zodat de waakhond alle bezoekers kon melden. Boven op het dak prijkt de klok die vroeger het middaguur meldde en aanzette tot het bidden van het angelus. Wanneer je het eiken gebinte van de schuur bekijkt, kom je in volle bewondering voor de vaklui van die tijd, temeer daar ze er in slaagden om met kromme balken rechte stevige daken te bouwen bestand tegen stormwind en noodweer. Een echt kunstwerk.

De gronden van het pachthof bestaan uit weilanden en akkers. De teelten zijn suikerbiet, maïs, tarwe en aardappelen. Vroeger had men er ook een verwerkingsfunctie tot onder meer boter, brood, kaas, bloem, zelfs cider en jenever. Sinds 2005 zijn de koeien verkocht en staan er enkel nog paarden op de boerderij, waaronder het Belgische trekpaard.

Tijdens de strijd voor onze onafhankelijkheid in 1831 bezetten de Hollanders deze hoeve. Zo konden ze over Winksele de IJzerenberg aanvallen waar onze troepen in stelling stonden. Door de komst van de Franse hulptroepen dropen ze zonder slag of stoot af, waarna de vrede in het kasteel van Pellenberg werd getekend.

Als je een van de wandeltochten maakt door onze prachtige Bertemse fauna en flora, bezoek dan dit historisch monument, sta er even stil en voel de geschiedenis die ervan uitstraalt.

(Paul Van Bruystegem)

Foto’s uit de beeldbank van het agentschap Onroerend Erfgoed

Bibliografie

Bronnen

  • Het Kaartboek van de Abdij van Park 1665, E. PERSOONS en H. VAN DER HAEGEN ed., Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2000.
  • Het Kaartboek van de Leuvense Augustijnen-Eremieten 1777, E. PERSOONS e.a. ed., Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2002.

Werken

  • C. Gats, Gidswerk in verband met de gidscursus regio Dijleland.
  • H. Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, Bertem: Uitgave Jos Erven, 1978-1980.
  • J. Verbesselt, Het Parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw (Deel XV), [Pittem]: Koninklijk Geschied- & Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, s.d.

Een man uit Bertem sticht een middelbare school in Leefdaal

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 12 februari 2013 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Het schooltje

Schermafbeelding-2015-09-23-om-11.09.58

‘Jan groet zijnen onderwijzer’

Philippe-Jacques Coeckelbergs uit Bertem gaf gedurende de jaren 1839-1843 voortgezet zondagonderwijs in een privé-schooltje ‘beschermd door de gemeente Leefdaal’. De man was de enige leraar. Hij onderwees Frans en ‘Vlaemsch’. Waaruit de bescherming van de gemeente bestond is onduidelijk. Noch in de gemeenterekeningen, noch in de verslagen van de gemeenteraad is enig spoor te vinden. Het gemeentearchief bevat evenmin documenten die zouden kunnen wijzen op het bestaan van een dergelijk schooltje. Misschien bestond het gewoon in het kader van het zondagse volwassenenonderwijs. Houden wij het erop dat de lessen wellicht gegeven zijn in het gemeentelijke schoollokaal, dat zich samen met het gemeentehuis, ‘la maison communale’, bevond in een herberg bij de kerk.

Het bleef allemaal waarschijnlijk erg kleinschalig en liet weinig sporen na tenzij in een familiearchief. Maar er kwam een verrassende wending. De wet van 30 maart 1870 tot vermindering van de kiescijns voorzag een daling voor hen die sinds 1830 tenminste drie jaar middelbaar onderwijs hadden gevolgd in een openbare of privé-instelling. Men was in het toenmalige België alleen kiesgerechtigd indien men een bepaalde som aan cijns, een belasting betaalde. Een vermindering van de kiescijns betekende dus een voordeel bij de inschrijving op de kiezerslijsten.

Om de lijsten te herzien diende de provinciale bestendige deputatie de instellingen aan te duiden die een attest konden afleveren van middelbaar onderwijs. De ‘school van Coeckelbergs’ bleek te voldoen aan de voorwaarden. Om daar onderwijs te volgen was het inderdaad noodzakelijk lager onderwijs te hebben doorlopen. Er werd vier jaar les gegeven of meer dan de vereiste drie jaar.

De familie Coeckelbergs

De familie Coeckelbergs exploiteerde de watermolen op de Veronewijk permanent sinds 1716. Met de bijhorende middelgrote hoeve was het ongetwijfeld in die tijd een belangrijk bedrijf. De familie was welgesteld. Zij bouwde haar fortuin uit tijdens de Franse periode toen de landprijzen ineenstuikten door het massale verkopen van ‘zwart goed’, onteigende kerkelijke goederen. Bovendien kon zij rekenen op een paar vrij belangrijke erfenissen. Op basis van dit fortuin kon de jonge Philippe-Jacques een schitterende toekomst opbouwen. Hij was geboren in Bertem op 9 augustus 1813 en werd kandidaat in letteren en wijsbegeerte aan de Leuvense universiteit, een niet geringe prestatie voor een burgerzoon.

Zelf bouwde hij een mooie loopbaan uit. Hij werd gemeentesecretaris van Bertem en gaf les in de scholen voor volwassenen van Bertem en Leefdaal. En zoals vermeld gaf hij tijdens de jaren 1839-1843 voortgezet onderwijs in Leefdaal. Op 30 september 1843 werd hij leraar van het zesde leerjaar en op 26 september 1850 van het vijfde in het gemeentelijke college van Leuven.

Hij huwde in Leuven op 20 mei 1858 met Maria Staes, lid van een bekende Leuvense familie. Hun archief bleef bewaard. Philippe-Jacques nam ontslag als leraar in 1868 en overleed in Leuven op 1 april 1889.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De verdwenen hoeve ‘Olenaed’ in Bertem

krant

De werken worden aangevat, langs de net heropende steenweg. Rechts wordt ook het ‘sociaal huis’ opgetrokken. (foto genomen op 10 december 2011)

Op de hoek van de Tervuursesteenweg en de A.E. Verbiststraat plant een private groep ondernemingen de bouw van een belangrijk appartementsgebouw. Het is een resultaat van een publiek-privatesamenwerking (PPS) tussen de gemeente en de bouwondernemingen. De werken gebeuren op een grond die voorlopig nog gemeentelijke eigendom is. Later zal het geheel worden overgedragen aan de private partner. Deze tekst wil de geschiedenis van de grond in herinnering brengen. Hierop stond vanaf ongeveer 1830 een middelgrote hoeve, waarvan de bewoners een belangrijke rol speelden in de lokale politiek.

De bouwheer was Jan Baptist Neefs. Zijn doel was de exploitatie van een herberg langs de nieuwe weg Tervuren – Leuven, die aangelegd werd in 1826-1828. Deze baan moest worden betaald met tolheffingen op de gebruikers. Wellicht hoopte Neefs de toldienst te kunnen verzekeren of als relais voor postkoetsen te dienen. De gebouwen waren sober van opvatting. Het belette niet dat het hoofdgebouw evenwichtig en harmonieus was. Het verenigde de kenmerken van de traditionele stijl van onze gewesten met elementen van het Franse classicisme. Bovendien was het vrijwel volledig opgebouwd in baksteen wat eerder uitzonderlijk was in die tijd.

Het interieur kende aanvankelijk drie delen: de herberg met café, een grote zaal en het woongedeelte. De functie van de pronkkamer wisselde wel eens: logement waar men de gasten huisvestte, later gelagzaal en nog later pronksalon. De zaal diende ongetwijfeld voor allerlei bijeenkomsten, dansgelegenheden uiteraard, maar ook openbare verkopen en dergelijke. Het woongedeelte, huiskamer en wasplaats, was vrij klein, typisch voor de tijd van toen, die eigenlijk nog niet zolang tot het verleden behoort. In de loop van de jaren werd het interieur sterk verbouwd.

hoeve.jpg

Naast handelaars en dienstverleners waren de eigenaars ook landbouwers. De bedrijfsgebouwen werden geleidelijk uitgebreid. In de eindfase rond 1900 ontstond een gesloten vierkanthoeve. De vele activiteiten van de bewoners – herbergiers, soms jeneverstokers, winkeliers misschien – vormden een beletsel om het landbouwbedrijf meer dan middelgroot uit te bouwen. Zij hebben nooit meer dan vijf hectare bewerkt. Het bedrijf van de familie Neefs en haar opvolgers was efficiënt georganiseerd. Het stond open voor de nieuwere methodes die opgeld maakten in de negentiende eeuw. Op het erf werkte gedurende een zekere tijd een rosmolen.

domien-olenaed-louise-vrebos

Het echtpaar Olenaed-Vrebos

Het geheel kwam door erfopvolging in het bezit van Domien (Miene) Olenaed, die dertig jaar lang burgemeester van Bertem was. Hij stierf kinderloos in 1985. De erfenis ging gedeeltelijk naar de (vele) neven en nichten van zijn vooroverleden echtgenote Louise (Wis) Vrebos. In overeenstemming met de wens van de oud-burgemeester werd de hoeve met de bijgebouwen en de omliggende weiden overgelaten aan de gemeente Bertem. Zij liet de oude wat versleten constructies afbreken. Een deel van de grond hielp bij de oprichting van een nieuw gebouw voor de gemeentelijke basisschool. De rest bleef voorlopig een wat verwaarloosde parkeerplaats voor auto’s.

Deze bouwgeschiedenis is erg beknopt. Er is sprake van een middelgrote boerderij, die aanvankelijk gekenmerkt was door de aparte opstelling van een langschuur naast het hoofdgebouw. Zij groeide later uit tot een heuse vierkantshoeve. Het complex vertelde heel wat over de woon- en werkomstandigheden en de dagelijkse beslommeringen van een aantal personen en gezinnen die ooit een belangrijke rol speelden in Bertem.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Beknopte bibliografie

H. Vannoppen (1978), De geschiedenis van Bertem. De parel van de Voervallei, Bertem: uitgave Jos Erven.

W. Brumagne (1987), ‘Belangwekkende 19de-eeuwse herberg en boerderij te Bertem’, Meer Schoonheid, 1987/1, p. 13-19.

Verkoop van een pachthoeve in Bertem in 1785

berthi

De toegangspoort tot het hof van Berthi, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd vernield.

In het boek van Henri Vannoppen De geschiedenis van Bertem. Het Teussersdorp bij de romaanse kerk staat op bladzijde 14 een zin waarbij wat meer uitleg nodig blijkt: ‘Ook de Jezuïeten hadden een pachthof te Bertem, met Michiel Humblé als pachter in 1748. Dit pachthof werd openbaar verkocht in 1785 aan Hiëronymus Maes.’ Welk pachthof?

De verzameling van de betreurde Marcel Michiels in Leefdaal bevat een exemplaar van de verkoopakte ‘voor een zeker pachthof bestaende in huys, schuer, stallen, hoff ende boomgaerd gelegen onder Bertem, regenoten de Baene van Loven op Leefdael [dit is de verdwenen Kerstraat waarvan de huidige Egenhovenstraat een overblijfsel is] het kerkhoff en de Straete naer de Voere [nu Groenendaal]’. Het geheel omvatte 31 tot 32 bunder land en was ‘vrij van tienden, maer belast aen de Camer van Uccle met eenen last van eenen Wilden Beer [een mannelijk zwijn], waer men betaelt sestien gulden s’jaers verschynenden den eerste october’. Pachters waren Hiëronimus Maes en zijn echtgenote Elisabeth Humblé. De pacht eindigde half maart 1785. Het leidt geen twijfel dat het ging om het pachthof van Berthi, dat nog altijd een landbouwbedrijf is (nu Groenendaal 13).

Op de eerste zitdag op 21 februari 1785 doken geen bieders op. Op 14 maart zette Hermanus Josephus De Bruyn, meesterbrouwer in Leuven, voorlopig in voor 25.200 gulden. Tijdens de definitieve verkoop op 31 maart bood een zekere Huygens tegen De Bruyn op. De eerste won. Boven de ingezette prijs van 25.200 gulden betaalde hij nog 2.714 gulden. Het bleek dat hij als stroman optrad voor pachter Maes en zijn echtgenote Elisabeth Humblé die de koop aanvaarden. Alexander Maes uit Leefdaal stelde zich borg voor de betaling. De transactie was een voorbeeld van de enorme verschuiving van onroerend bezit van de kerkelijke instellingen naar de burgerij, inclusief de belangrijke pachters, die plaatshad tijdens de regering van keizer Jozef II (1780-1790) en later tijdens de Franse overheersing (1795-1814).

Voor de geschiedenis van de Congregatie van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria – zeg maar Sint-Bernardus – zijn vooral de namen Michiel en Elisabeth Humblé belangrijk. Helaas is een familiegeschiedenis moeilijker op te sporen dan het reilen en zeilen van een religieuze instelling. Toch een sprongetje in de tijd: Jan Baptist Humblé, textielhandelaar in Gent, schonk in 1818 aan de congregatie een terrein en gebouwen in Bertem en beloofde nog meer steun. Het geschonken terrein lag vlak ten zuiden van het pachthof van Berthi, waar zich nu nog de gebouwen van Sint-Bernardus bevinden. Jan Baptist en zijn zuster Elisabeth waren de kinderen van Michiel en zijn vrouw Clara Nijs.

De band van Jan Baptist Humblé met de kopers van 1785 is waarschijnlijk, maar niet absoluut bewezen. De oplossing van het probleem lijkt een kluif voor de Erfgoedkamer. Een aanzet vindt men in de boeken van Henri Vannoppen en in Fundamenten in seniorenzorg van Greet De Neef en Rik Uytterhoeven. Is het belangrijk? Zeker voor de geschiedenis van Bertem, waarvan de kerk, het hof van Berthi en later de Zusters van Liefde kernstukken uitmaken. Bovendien zal de geschiedenis van de eens zo machtige pachterfamilies van Bertem en Leefdaal duidelijker worden.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Burgemeester De Bontridder gevierd in 1893

In Het Nieuws van den Dag van 27 augustus 1893 vonden we een verslag van de festiviteiten ter ere van Jan-Frans De Bontridder, die toen al vijftig jaar lang burgemeester van Bertem was. Hij bekleedde die functie namelijk vanaf 16 januari 1843. Op 31 december 1895 eindigde uiteindelijk zijn burgemeesterschap.

Berthem. – Het concert gegeven donderdag avond, door de fanfaarmaatschappij n. 2 van Leefdael, aan M. De Bontridder, burgemeester-jubilaris, is boven alle verwachtingen gelukt. Menigeen vroeg zich af hoe het mogelijk was zulke schoone stukken uit te voeren door buitenjongens, die gansch de week moeten zwoegen en arbeiden. De fanfaarmaatschappij n. 2 verdient hier dan vollen lof onzer inwoners; zij heeft weten het nauw verband, dat tusschen Leefdael en Berthem bestaat, meer en meer te versterken.

De leuze komt hier goed te pas: Eendracht maakt macht.

Het avondfeest, begonnen om 6 3/4 ure, eindigde om 8 ure met de Brabançonne, en een drievoudig hourah! Leve de burgemeester van Berthem!!!

– De verlichting op 13 oogst, alhier, was prachtig. Het klooster de[r] Zusters van Liefde, het huis van den heer Bestierder overtroffen alle gedacht.

De pastorij is ook niet ten achteren gebleven. Het dorp, de Tervuersche steenweg, de Oude Baan, wisten zeer wel het hunne bij te dragen. Zij hadden het immers reeds laten zien van in den dag. Het vuurwerk, afgestoken om 9 ure juist, is het schoonste geweest dat men tot heden hier had gezien.

– Men zegt dat de muziekmaatschappijen, die geen deel namen aan den stoet van 13 oogst l.l., op hunne beurt een concert zullen komen geven aan M. De Bontridder.

Ons Leuven over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal

Tijdens de jaren 1920 werden verschillende lokale katholieke kranten opgericht. Zo bestond er Ons Tienen. Orgaan der katholieke partij van Tienen en omstreken en Ons Tervuren. Katholiek Vlaamsche weekblad voor Tervuren, Duisburg, Vossem, Everberg en omstreken. Toevallig konden we enkele nummers inkijken van nog een ander blad, Ons Leuven. Katholiek weekblad voor Leuven en omstreken. Deze krant verscheen voor het eerst in juli 1928, maar verwaterde al snel tot een politiek pamflet. Tijdens de eerste twee jaren van haar bestaan publiceerde ze allerhande artikeltjes over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal. We kozen er enkele uit.

krant.jpg

BERTHEM. – Vandalenstreek. – Vorige nacht, werd aan het bekend rijwielmakershuis E. Meeus, Alsemberg, alhier, de kostbare gummidarm, ter waarde van 400 fr., dienende op de naftavergaarbak voor auto’s, doorgesneden, waardoor een massa benzine verloren liep. Een streng onderzoek is ingesteld. (7 oktober 1928)

CORBEEK-DYLE. – Zooals door ons aangekondigd, werd Zondag het beeld van de H. Theresia van ’t Kindje Jezus, op luisterrijke wijze gewijd en ingehuldigd. Reeds van 1 ½ uur vormde zich een praalstoet in de Broekstraat, grensscheiding van Heverlee en Corbeek-Dyle. Vervolgens toog deze stoet, bestaande uit groepen, verkleede ruiters, padvinders, H. Hartbonden, Boerengilden, muziek- en andere maatschappijen, maagdekens en gekostumeerde groep, verbeeldende het lijden van O.L.H., enz., door het puik versierde dorp. Ook het groote beeld van de lieve heilige Theresia en een praalwagen, puik ingericht, waar de Heilige Theresia verbeeld werd door een lief, braaf meisje van de gemeente. De geestelijkheid sloot den stoet.

Overal had men om het meest geijverd en gewerkt om huizen en straten te versieren en te bevlaggen. Tientallen zegeboogen waren opgericht. Het volk was van alle kanten toegestroomd, daar het puik weder als weggeleid scheen voor dit feest.

Door Mgr Quinius Nols, Prelaat der abdij van Park (Heverlee), bijgestaan door eenige E.H. Kanunnikken derzelfde abdij, werd op een prachtig verhoog, de stoet in oogenschouw genomen. De Hoogw. Prelaat zegende het volk en inzonderheid de kleine kinderen. Z.H.W. volgde dan met mijter en staf, den stoet en ging vervolgens over, in de kerk, tot de wijding van het groote beeld van de H. Theresia. Lof volgde met sermoon, en de lieve kerk was stampvol. In een woord, het was meer dan een feestdag te Corbeek-Dyle – het was een Hoogdag – De brave bevolking haalt eer van de versiering. (21 oktober 1928)

krant

Reclame in het nummer van 22 juli 1928

LEEFDAEL.  – Wij maakten melding van de brutale aanranding op den eenzamen weg Berthem-Leefdael (gehucht Ste-Vroene) van het 16-jarig meisje B…, van Berthem, die ’s avonds alleen huiswaarts ging en benevens de kapel van Ste-Veronika, te Leefdael, op ’t onverwachts aangevallen werd door zekeren V…, van Leefdael, een slecht befaamde kerel. Daar de klacht niet onmiddellijk ingediend werd, kon het gerecht ook niet eerder ingrijpen. Gedurende het ingestelde onderzoek, waarbij tal van getuigen naar Leuven geroepen werden, bleken de feiten nogal bezwarend voor den dader, die dan ook ingerekend werd en gevankelijk te Leuven werd gevoerd Dinsdag morgen. Het is voor de bevolking aldaar als een ontlasting en die zaak wordt druk besproken. Het onderzoek duurt steeds voort. (21 oktober 1928)

LEEFDAEL. – Baankoers.  – Heden Zondag, 11 Oogst, zal alhier, door de club “De Snelle Wielrijders”, lokaal “Casino”, bij A. Van Esch, een baankoers voor alle onderbeginnelingen ingericht worden over een afstand van 50 km. goede wegen, 600 frank geldprijzen worden uitgeloofd. Inschrijvingen bij Van Esch, tot aan ’t vertrek der koers te 14 ½ uur. (T.) (11 augustus 1929)

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

De oprichting van de Chiro in Bertem

chiro.jpg

Zeventig jaar geleden werd de Bertemse Chiro-afdeling opgericht. Een van de eerste leden was Cecilia Francine Putseys (Bertem, 1926). Ria Verjauw, haar oudste dochter, tekende in oktober 2015 haar herinneringen aan de jeugdbeweging op. Wij publiceren deze maar al te graag, aangevuld met enkele eindnoten:

Ik was 18 jaar in 1944 en was lid van de BJB in Bertem, de Boerinnen Jeugd Bond (in 1965 werd dit KLJ, Katholieke Landelijke Jeugd). Martha Verboomen was toen leidster van de BJB. Maar toen ze 21 jaar was, ging ze trouwen. Hierdoor moest een nieuwe leidster gezocht worden. De toenmalige pastoor Van Gestel [1] vroeg mij om tot bij hem te komen. Hij vroeg me om leidster te worden bij de BJB. Een voorwaarde om leidster te worden was dat de vader bij de Boerenbond moest aangesloten zijn. Hierdoor kwam alleen ik als mogelijke kandidaat in aanmerking.

Elke maand moesten wij met de groep meisjes naar het lof gaan in de kerk en daar zingen. Er werd veel plezier gemaakt onder de meisjes, ook tijdens het lof.

De BJB bestond alleen uit meisjes. Voor de jongens was er het Davidsfonds. Tijdens de vakanties was Louis Putseys (mijn broer die voor priester studeerde) één van de leiders en Jules Ronsmans van Sint-Verona ook. Een van de activiteiten van het Davidsfonds toen was toneel spelen. Met houten bakken werd een podium gemaakt, op de bakken lagen houten schragen. Dat zorgde soms voor grappige toestanden als er schraag niet goed vast lag.

Na de oorlog van 40-45 kwam de Chiro fel op en werd heel populair. Alle meisjes van de Bertemse BJB sloten zich aan bij de Chiro. Dat was in 1946. Onderpastoor Claes (afkomstig van Mol) [2] was de oprichter van de Chiro in Bertem. Hij zette zich in voor de Bertemse jeugd.

In 1946 werd ik vaandelleidster bij de Chiro. Ik had de leiding over een vaandel, zo werd een groep genoemd. Dit heb ik twee jaar gedaan tot ik een lief tegenkwam, mijn toekomstige echtgenoot Jean Verjauw. Toen had ik geen zin meer om mij met de Chiro nog bezig te houden.

Marieke (de nicht van Denise Mees) die woonde op de Egenhovenstraat in het oud kostershuis heeft ook een rol gespeeld bij de oprichting van de Chiro in Bertem.

Tijdens de oorlog had Marieke samen met haar broer en zus in een concentratiekamp in Duitsland gezeten. Zij behoorden tot de ‘Witten’ en werden verraden door de ‘Zwarten’ van de Oude Baan, waarna ze werden opgepakt door de Duitsers en werden weggevoerd. De oudste zus van Marieke heeft in het concentratiekamp een belofte gedaan. Als ze levend zou terugkeren, dan zou ze in het klooster intreden. Dat is ook gebeurd. Marieke, haar broer en zus hebben het concentratiekamp overleefd en zijn op het einde van de oorlog bevrijd en teruggekeerd.

Onderpastoor Claes heeft ook in het concentratiekamp gezeten. [3] Ook hij is bevrijd en terug gekomen op het einde van de oorlog. Hij was ook ‘ne Witte’, er werd gezegd dat hij berichten smokkelde naar Brussel. Ook hij werd verraden en opgepakt door de Duitsers.

Na de oorlog vroeg onderpastoor Claes aan Marieke om leidster te worden bij de Chiro, ze was akkoord.

In 1946 waren er nog geen Chiro-uniformen. Ik maakte zelf mijn uniform: een zwarte rok, een witte bloes en een gele das. De mutsen werden gemaakt door Julia Laurent (volksnaam: Boem). Ze woonde in de Dorpstraat, op de plaats waar de Paardenstraat op uitkomt. Daar stond een boerderij. Maar die boerderij werd gebombardeerd tijdens de oorlog en was totaal vernield.

In de nasleep van de oorlog was er armoede onder de mensen en dus geen geld om op kamp te gaan met de Chiro. Maar we amuseerden ons toch, vooral door kwajongensstreken uit te halen, zoals ‘belletjetrek’.

We hadden ook wachtwoorden, bijvoorbeeld: hoger – op / klein – dapper.

De onderpastoor was veel aanwezig tijdens de activiteiten, ook om meisjes terecht te wijzen als ze iets mispeuterd hadden. Ook gingen we dikwijls in het bos spelen.

006-1965-chiromeisjes-bertem

Bertemse Chiromeisjes voor het Patronaat, een foto uit 1965 (foto Jef Vanderwegen)

Ons eerste Chirolokaal was in de meisjesschool. [4] Dit was alleen voor de meisjes. De jongens hadden hun lokaal in het Patronaat. [5] Het Patronaat was toen kleiner dan nu, het was maar de helft van het gebouw. Het gebouw was van de kerkfabriek. Later werd een stuk bijgebouwd tot de huidige grootte.

Bij de Chiro mochten ook kleintjes aansluiten vanaf zes jaar. Dat was anders als bij de BJB.

In Korbeek-Dijle werd ook een Chiro gesticht in die tijd. We hadden contact met die groep en verzusterden. Soms werd er gefietst naar het Zoet Water. Ik had een fiets, die kwam van Essene tegen Aalst. Die fiets had de ganse oorlog onder het stro gestoken, want de Duitsers sloegen alle fietsen aan. Mijn broer Louis was zeven jaar onderpastoor in Essene en schonk die fiets aan mij, zijn jongste zus. [6]

Als we naar het Zoet Water fietsten met de Chiro dan maakten we afspraken, want niet iedereen had een fiets. Wie geen fiets had mocht eerder vertrekken te voet. Halfweg hielden zij halt en de fietsers gaven dan hun fiets aan de meisjes te voet. Zo losten we mekaar af.

De grond voor het Chirokapelletje op de hoek van de Groenendaal en de Dorpstraat werd geschonken door de familie Van Hamme. De Burchtgravin Maria is de patrones van Chiro. Zij werd in het kapelletje gezet. Het was de plaats van gebed en de opening van de activiteiten elke zondag.

Ik denk dat het kapelletje 65 jaar geleden gebouwd werd. Toen de Witte Wijk er kwam moest het kapelletje afgebroken worden. [7] De gronden van de familie Van Hamme werden verkaveld. Het kapelletje had er moeten blijven staan, vind ik.

chiro.jpg

Noten
[1] Jozef Maria Willem Van Gestel (Turnhout, 1878 – Wijnegem, 1956) was pastoor van Bertem van 1928 tot 1946.
[2] Alfons August Claes was onderpastoor in Bertem van 1938 tot 1948.
[3] Onderpastoor Claes was van september 1939 tot mei 1940 priester-brancardier in het Belgisch leger. Van 6 april 1944 tot mei 1945 verbleef hij als politiek gevangene in de Duitse concentratiekampen van Breendonk, Buchenwald en Dachau.
[4] De ‘meisjesschool’ was de vrije school van de Zusters van Liefde in de Egenhovenstraat, die nu ‘De Waaier’ heet.
[5] Parochiezaal ‘Ons Huis’ in de Vossenstraat.
[6] Louis Putseys (Bertem, 1917 – Kalfort, 1987) was tot 1951 onderpastoor te Essene, tot hij in Puurs werd aangesteld.
[7] In de tweede helft van de jaren zestig werd de wijk ‘Varenberg’ (de Witte Wijk) door de N.V. Expansie gebouwd.

Het levensverhaal van Jeanne Verbiest (1912-2015)

01 XXX.jpg

Jeanne Verbiest

Op 22 april 2015 overleed Jeanne Verbiest. Ze werd maar liefst 103 jaar oud. Rudi Ronsmans schreef daarom het levensverhaal van zijn grootmoeder neer.

Jeanne Verbiest werd geboren op 23 februari 1912. Enkele weken later verging het prestigieuze schip ‘the Titanic’.

Ook het leven van Jeanne zou niet van rampen gespaard blijven.

In Jeannes jeugdjaren waren er overal nog gezellige kermissen met spiegeltenten en dorpscafés. Jef, haar man, speelde bij de fanfare ‘De Vrijheidszonen’ een aardig stukje saxofoon. Tijdens zo’n kermisoptreden in café ‘De Floes’ hoorde Jeanne de lokroep van Jefs instrument. Zoals in alle sprookjes kwam van het ene het andere. Ze lieten er geen gras over groeien en stapten, ondanks hun jonge leeftijd, in het huwelijksbootje en kochten een dochter Simonne. Terwijl Jef vroeger zorgde voor het dagelijkse brood had Jeanne de handen vol met het huishouden en hun opgroeiende dochter. Jeanne ging ook buitenshuis werken als poetsvrouw in Brussel. Ze kweekte ook veel groenten in hun tuin. (Zelfs toen Jef een hersenbloeding kreeg en rolstoelpatiënt werd, zijn ze samen vreugde en leed blijven delen.)

Simonne, hun dochter, werd groot en vond Jos, de liefde van haar leven. Ze trouwden en gaven een huwelijksfeest met verkleedpartij, met muziek, dans en drank tot in de vroege uurtjes. Hun huwelijk werd gezegend met twee jongens, Marc en Rudi, die hun bompa graag tot zijn kookpunt dreven. Ambiance verzekerd. Met hun kleinkinderen hebben Jeanne en Jef veel tijd aan zee doorgebracht. In de weekends maakten ze met hen uitstapjes naar Scherpenheuvel, Namen en Durbuy en smulden van lekkere taarten van ‘Louis en Jeanne den bekker’ voor de picknick onderweg. Dit was een onvergetelijke tijd.

Marc en Rudi werden groot en vonden elk hun geluk. Marc gaf Jeanne en Jef een achterkleinzoontje, Andy. Wat waren ze blij en trots met zo’n achterkleinkind. De jaren gingen voorbij en altijd en nog steeds bleef Jeanne bezorgd om Andy en dat hij het goed had en gelukkig was met Steven.

Rudi en Viviane trouwden en gingen rond Mechelen wonen. Ze kwamen geregeld in Bertem langs, om gezellig bij te praten en samen te zijn met de familie.

Het grootste plezier van Jeanne was grote hoeveelheden zelfgemaakt stoofvlees, zelfgemaakte spaghettisaus, zelfgemaakte groenten en dit in plastieken doosjes mee te geven aan haar jonge volkje en dit tot op haar oude dag.

De leuze van Jeanne en Jef was: voor hun kinderen, klein- en achter-kleinkinderen het beste, voor hen was het minste goed genoeg.

0015-xxx

Jeanne Verbiest en Jef Loockx

Donkere wolken doorkruisten hun leven. Het afscheid van haar dochter Simonne zou nooit verwerkt worden.

Het grootste deel van hun leven hebben Jeanne en Jef aan de Tervuursesteenweg rechtover het gemeentehuis gewoond.

In 2004 zijn Jeanne en Jef na enkele omzwervingen tussen het ziekenhuis en het rusthuis Vogelzang in het Woon- en Zorgcentrum Sint-Bernardus in Bertem ingetrokken.

In 2005 hebben ze daar hun 75ste huwelijksjubileum gevierd. Dit was een dag uit duizend dromen. Helaas, datzelfde jaar is Jef overleden. Ondanks alles hebben ze zorg gehad voor elkaar, ieder op hun eigen manier. Dat hebben ze in hun huwelijksleven wel geleerd van elkaar, om voor elkaar te zorgen.

Alsof alles nog niet genoeg was geweest, moest het oude moedertje enkele maanden later nog eens afscheid nemen van haar geliefde schoonzoon, Jos, de rots in de branding.

Jeanne zou nooit meer dezelfde zijn …

Toch probeerde ze nog te genieten van de bezoekjes van Marc en Eddy, Rudi en Viviane en Andy en Steven, en af en toe eens van een elixirke, dat mocht van de dokteres. Zo had Jeanne het toch nog op Kuipersveld jaren naar haar zin.

22-xxx

Jeanne Verbiest en haar familie, op haar honderdste verjaardag

Jaren gingen en jaren kwamen en op het einde scheen ze in haar lot te berusten.

Op 22 april 2015 is Jeanne van ons heengegaan.

Wat de Titanic betreft: roestpegels zijn een natuurlijke versie van het recyclagesysteem. Met andere woorden: de natuur breekt zelf langzaam de Titanic af om het schip te laten oplossen in de omgeving. De levensduur wordt nog geschat tussen de twintig en vijftig jaar.

(Rudi Ronsmans)