Burgemeester De Bontridder gevierd in 1893

In Het Nieuws van den Dag van 27 augustus 1893 vonden we een verslag van de festiviteiten ter ere van Jan-Frans De Bontridder, die toen al vijftig jaar lang burgemeester van Bertem was. Hij bekleedde die functie namelijk vanaf 16 januari 1843. Op 31 december 1895 eindigde uiteindelijk zijn burgemeesterschap.

Berthem. – Het concert gegeven donderdag avond, door de fanfaarmaatschappij n. 2 van Leefdael, aan M. De Bontridder, burgemeester-jubilaris, is boven alle verwachtingen gelukt. Menigeen vroeg zich af hoe het mogelijk was zulke schoone stukken uit te voeren door buitenjongens, die gansch de week moeten zwoegen en arbeiden. De fanfaarmaatschappij n. 2 verdient hier dan vollen lof onzer inwoners; zij heeft weten het nauw verband, dat tusschen Leefdael en Berthem bestaat, meer en meer te versterken.

De leuze komt hier goed te pas: Eendracht maakt macht.

Het avondfeest, begonnen om 6 3/4 ure, eindigde om 8 ure met de Brabançonne, en een drievoudig hourah! Leve de burgemeester van Berthem!!!

– De verlichting op 13 oogst, alhier, was prachtig. Het klooster de[r] Zusters van Liefde, het huis van den heer Bestierder overtroffen alle gedacht.

De pastorij is ook niet ten achteren gebleven. Het dorp, de Tervuersche steenweg, de Oude Baan, wisten zeer wel het hunne bij te dragen. Zij hadden het immers reeds laten zien van in den dag. Het vuurwerk, afgestoken om 9 ure juist, is het schoonste geweest dat men tot heden hier had gezien.

– Men zegt dat de muziekmaatschappijen, die geen deel namen aan den stoet van 13 oogst l.l., op hunne beurt een concert zullen komen geven aan M. De Bontridder.

Advertenties

Ons Leuven over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal

Tijdens de jaren 1920 werden verschillende lokale katholieke kranten opgericht. Zo bestond er Ons Tienen. Orgaan der katholieke partij van Tienen en omstreken en Ons Tervuren. Katholiek Vlaamsche weekblad voor Tervuren, Duisburg, Vossem, Everberg en omstreken. Toevallig konden we enkele nummers inkijken van nog een ander blad, Ons Leuven. Katholiek weekblad voor Leuven en omstreken. Deze krant verscheen voor het eerst in juli 1928, maar verwaterde al snel tot een politiek pamflet. Tijdens de eerste twee jaren van haar bestaan publiceerde ze allerhande artikeltjes over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal. We kozen er enkele uit.

krant.jpg

BERTHEM. – Vandalenstreek. – Vorige nacht, werd aan het bekend rijwielmakershuis E. Meeus, Alsemberg, alhier, de kostbare gummidarm, ter waarde van 400 fr., dienende op de naftavergaarbak voor auto’s, doorgesneden, waardoor een massa benzine verloren liep. Een streng onderzoek is ingesteld. (7 oktober 1928)

CORBEEK-DYLE. – Zooals door ons aangekondigd, werd Zondag het beeld van de H. Theresia van ’t Kindje Jezus, op luisterrijke wijze gewijd en ingehuldigd. Reeds van 1 ½ uur vormde zich een praalstoet in de Broekstraat, grensscheiding van Heverlee en Corbeek-Dyle. Vervolgens toog deze stoet, bestaande uit groepen, verkleede ruiters, padvinders, H. Hartbonden, Boerengilden, muziek- en andere maatschappijen, maagdekens en gekostumeerde groep, verbeeldende het lijden van O.L.H., enz., door het puik versierde dorp. Ook het groote beeld van de lieve heilige Theresia en een praalwagen, puik ingericht, waar de Heilige Theresia verbeeld werd door een lief, braaf meisje van de gemeente. De geestelijkheid sloot den stoet.

Overal had men om het meest geijverd en gewerkt om huizen en straten te versieren en te bevlaggen. Tientallen zegeboogen waren opgericht. Het volk was van alle kanten toegestroomd, daar het puik weder als weggeleid scheen voor dit feest.

Door Mgr Quinius Nols, Prelaat der abdij van Park (Heverlee), bijgestaan door eenige E.H. Kanunnikken derzelfde abdij, werd op een prachtig verhoog, de stoet in oogenschouw genomen. De Hoogw. Prelaat zegende het volk en inzonderheid de kleine kinderen. Z.H.W. volgde dan met mijter en staf, den stoet en ging vervolgens over, in de kerk, tot de wijding van het groote beeld van de H. Theresia. Lof volgde met sermoon, en de lieve kerk was stampvol. In een woord, het was meer dan een feestdag te Corbeek-Dyle – het was een Hoogdag – De brave bevolking haalt eer van de versiering. (21 oktober 1928)

krant

Reclame in het nummer van 22 juli 1928

LEEFDAEL.  – Wij maakten melding van de brutale aanranding op den eenzamen weg Berthem-Leefdael (gehucht Ste-Vroene) van het 16-jarig meisje B…, van Berthem, die ’s avonds alleen huiswaarts ging en benevens de kapel van Ste-Veronika, te Leefdael, op ’t onverwachts aangevallen werd door zekeren V…, van Leefdael, een slecht befaamde kerel. Daar de klacht niet onmiddellijk ingediend werd, kon het gerecht ook niet eerder ingrijpen. Gedurende het ingestelde onderzoek, waarbij tal van getuigen naar Leuven geroepen werden, bleken de feiten nogal bezwarend voor den dader, die dan ook ingerekend werd en gevankelijk te Leuven werd gevoerd Dinsdag morgen. Het is voor de bevolking aldaar als een ontlasting en die zaak wordt druk besproken. Het onderzoek duurt steeds voort. (21 oktober 1928)

LEEFDAEL. – Baankoers.  – Heden Zondag, 11 Oogst, zal alhier, door de club “De Snelle Wielrijders”, lokaal “Casino”, bij A. Van Esch, een baankoers voor alle onderbeginnelingen ingericht worden over een afstand van 50 km. goede wegen, 600 frank geldprijzen worden uitgeloofd. Inschrijvingen bij Van Esch, tot aan ’t vertrek der koers te 14 ½ uur. (T.) (11 augustus 1929)

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

De oprichting van de Chiro in Bertem

chiro.jpg

Zeventig jaar geleden werd de Bertemse Chiro-afdeling opgericht. Een van de eerste leden was Cecilia Francine Putseys (Bertem, 1926). Ria Verjauw, haar oudste dochter, tekende in oktober 2015 haar herinneringen aan de jeugdbeweging op. Wij publiceren deze maar al te graag, aangevuld met enkele eindnoten:

Ik was 18 jaar in 1944 en was lid van de BJB in Bertem, de Boerinnen Jeugd Bond (in 1965 werd dit KLJ, Katholieke Landelijke Jeugd). Martha Verboomen was toen leidster van de BJB. Maar toen ze 21 jaar was, ging ze trouwen. Hierdoor moest een nieuwe leidster gezocht worden. De toenmalige pastoor Van Gestel [1] vroeg mij om tot bij hem te komen. Hij vroeg me om leidster te worden bij de BJB. Een voorwaarde om leidster te worden was dat de vader bij de Boerenbond moest aangesloten zijn. Hierdoor kwam alleen ik als mogelijke kandidaat in aanmerking.

Elke maand moesten wij met de groep meisjes naar het lof gaan in de kerk en daar zingen. Er werd veel plezier gemaakt onder de meisjes, ook tijdens het lof.

De BJB bestond alleen uit meisjes. Voor de jongens was er het Davidsfonds. Tijdens de vakanties was Louis Putseys (mijn broer die voor priester studeerde) één van de leiders en Jules Ronsmans van Sint-Verona ook. Een van de activiteiten van het Davidsfonds toen was toneel spelen. Met houten bakken werd een podium gemaakt, op de bakken lagen houten schragen. Dat zorgde soms voor grappige toestanden als er schraag niet goed vast lag.

Na de oorlog van 40-45 kwam de Chiro fel op en werd heel populair. Alle meisjes van de Bertemse BJB sloten zich aan bij de Chiro. Dat was in 1946. Onderpastoor Claes (afkomstig van Mol) [2] was de oprichter van de Chiro in Bertem. Hij zette zich in voor de Bertemse jeugd.

In 1946 werd ik vaandelleidster bij de Chiro. Ik had de leiding over een vaandel, zo werd een groep genoemd. Dit heb ik twee jaar gedaan tot ik een lief tegenkwam, mijn toekomstige echtgenoot Jean Verjauw. Toen had ik geen zin meer om mij met de Chiro nog bezig te houden.

Marieke (de nicht van Denise Mees) die woonde op de Egenhovenstraat in het oud kostershuis heeft ook een rol gespeeld bij de oprichting van de Chiro in Bertem.

Tijdens de oorlog had Marieke samen met haar broer en zus in een concentratiekamp in Duitsland gezeten. Zij behoorden tot de ‘Witten’ en werden verraden door de ‘Zwarten’ van de Oude Baan, waarna ze werden opgepakt door de Duitsers en werden weggevoerd. De oudste zus van Marieke heeft in het concentratiekamp een belofte gedaan. Als ze levend zou terugkeren, dan zou ze in het klooster intreden. Dat is ook gebeurd. Marieke, haar broer en zus hebben het concentratiekamp overleefd en zijn op het einde van de oorlog bevrijd en teruggekeerd.

Onderpastoor Claes heeft ook in het concentratiekamp gezeten. [3] Ook hij is bevrijd en terug gekomen op het einde van de oorlog. Hij was ook ‘ne Witte’, er werd gezegd dat hij berichten smokkelde naar Brussel. Ook hij werd verraden en opgepakt door de Duitsers.

Na de oorlog vroeg onderpastoor Claes aan Marieke om leidster te worden bij de Chiro, ze was akkoord.

In 1946 waren er nog geen Chiro-uniformen. Ik maakte zelf mijn uniform: een zwarte rok, een witte bloes en een gele das. De mutsen werden gemaakt door Julia Laurent (volksnaam: Boem). Ze woonde in de Dorpstraat, op de plaats waar de Paardenstraat op uitkomt. Daar stond een boerderij. Maar die boerderij werd gebombardeerd tijdens de oorlog en was totaal vernield.

In de nasleep van de oorlog was er armoede onder de mensen en dus geen geld om op kamp te gaan met de Chiro. Maar we amuseerden ons toch, vooral door kwajongensstreken uit te halen, zoals ‘belletjetrek’.

We hadden ook wachtwoorden, bijvoorbeeld: hoger – op / klein – dapper.

De onderpastoor was veel aanwezig tijdens de activiteiten, ook om meisjes terecht te wijzen als ze iets mispeuterd hadden. Ook gingen we dikwijls in het bos spelen.

006-1965-chiromeisjes-bertem

Bertemse Chiromeisjes voor het Patronaat, een foto uit 1965 (foto Jef Vanderwegen)

Ons eerste Chirolokaal was in de meisjesschool. [4] Dit was alleen voor de meisjes. De jongens hadden hun lokaal in het Patronaat. [5] Het Patronaat was toen kleiner dan nu, het was maar de helft van het gebouw. Het gebouw was van de kerkfabriek. Later werd een stuk bijgebouwd tot de huidige grootte.

Bij de Chiro mochten ook kleintjes aansluiten vanaf zes jaar. Dat was anders als bij de BJB.

In Korbeek-Dijle werd ook een Chiro gesticht in die tijd. We hadden contact met die groep en verzusterden. Soms werd er gefietst naar het Zoet Water. Ik had een fiets, die kwam van Essene tegen Aalst. Die fiets had de ganse oorlog onder het stro gestoken, want de Duitsers sloegen alle fietsen aan. Mijn broer Louis was zeven jaar onderpastoor in Essene en schonk die fiets aan mij, zijn jongste zus. [6]

Als we naar het Zoet Water fietsten met de Chiro dan maakten we afspraken, want niet iedereen had een fiets. Wie geen fiets had mocht eerder vertrekken te voet. Halfweg hielden zij halt en de fietsers gaven dan hun fiets aan de meisjes te voet. Zo losten we mekaar af.

De grond voor het Chirokapelletje op de hoek van de Groenendaal en de Dorpstraat werd geschonken door de familie Van Hamme. De Burchtgravin Maria is de patrones van Chiro. Zij werd in het kapelletje gezet. Het was de plaats van gebed en de opening van de activiteiten elke zondag.

Ik denk dat het kapelletje 65 jaar geleden gebouwd werd. Toen de Witte Wijk er kwam moest het kapelletje afgebroken worden. [7] De gronden van de familie Van Hamme werden verkaveld. Het kapelletje had er moeten blijven staan, vind ik.

chiro.jpg

Noten
[1] Jozef Maria Willem Van Gestel (Turnhout, 1878 – Wijnegem, 1956) was pastoor van Bertem van 1928 tot 1946.
[2] Alfons August Claes was onderpastoor in Bertem van 1938 tot 1948.
[3] Onderpastoor Claes was van september 1939 tot mei 1940 priester-brancardier in het Belgisch leger. Van 6 april 1944 tot mei 1945 verbleef hij als politiek gevangene in de Duitse concentratiekampen van Breendonk, Buchenwald en Dachau.
[4] De ‘meisjesschool’ was de vrije school van de Zusters van Liefde in de Egenhovenstraat, die nu ‘De Waaier’ heet.
[5] Parochiezaal ‘Ons Huis’ in de Vossenstraat.
[6] Louis Putseys (Bertem, 1917 – Kalfort, 1987) was tot 1951 onderpastoor te Essene, tot hij in Puurs werd aangesteld.
[7] In de tweede helft van de jaren zestig werd de wijk ‘Varenberg’ (de Witte Wijk) door de N.V. Expansie gebouwd.

Het levensverhaal van Jeanne Verbiest (1912-2015)

01 XXX.jpg

Jeanne Verbiest

Op 22 april 2015 overleed Jeanne Verbiest. Ze werd maar liefst 103 jaar oud. Rudi Ronsmans schreef daarom het levensverhaal van zijn grootmoeder neer.

Jeanne Verbiest werd geboren op 23 februari 1912. Enkele weken later verging het prestigieuze schip ‘the Titanic’.

Ook het leven van Jeanne zou niet van rampen gespaard blijven.

In Jeannes jeugdjaren waren er overal nog gezellige kermissen met spiegeltenten en dorpscafés. Jef, haar man, speelde bij de fanfare ‘De Vrijheidszonen’ een aardig stukje saxofoon. Tijdens zo’n kermisoptreden in café ‘De Floes’ hoorde Jeanne de lokroep van Jefs instrument. Zoals in alle sprookjes kwam van het ene het andere. Ze lieten er geen gras over groeien en stapten, ondanks hun jonge leeftijd, in het huwelijksbootje en kochten een dochter Simonne. Terwijl Jef vroeger zorgde voor het dagelijkse brood had Jeanne de handen vol met het huishouden en hun opgroeiende dochter. Jeanne ging ook buitenshuis werken als poetsvrouw in Brussel. Ze kweekte ook veel groenten in hun tuin. (Zelfs toen Jef een hersenbloeding kreeg en rolstoelpatiënt werd, zijn ze samen vreugde en leed blijven delen.)

Simonne, hun dochter, werd groot en vond Jos, de liefde van haar leven. Ze trouwden en gaven een huwelijksfeest met verkleedpartij, met muziek, dans en drank tot in de vroege uurtjes. Hun huwelijk werd gezegend met twee jongens, Marc en Rudi, die hun bompa graag tot zijn kookpunt dreven. Ambiance verzekerd. Met hun kleinkinderen hebben Jeanne en Jef veel tijd aan zee doorgebracht. In de weekends maakten ze met hen uitstapjes naar Scherpenheuvel, Namen en Durbuy en smulden van lekkere taarten van ‘Louis en Jeanne den bekker’ voor de picknick onderweg. Dit was een onvergetelijke tijd.

Marc en Rudi werden groot en vonden elk hun geluk. Marc gaf Jeanne en Jef een achterkleinzoontje, Andy. Wat waren ze blij en trots met zo’n achterkleinkind. De jaren gingen voorbij en altijd en nog steeds bleef Jeanne bezorgd om Andy en dat hij het goed had en gelukkig was met Steven.

Rudi en Viviane trouwden en gingen rond Mechelen wonen. Ze kwamen geregeld in Bertem langs, om gezellig bij te praten en samen te zijn met de familie.

Het grootste plezier van Jeanne was grote hoeveelheden zelfgemaakt stoofvlees, zelfgemaakte spaghettisaus, zelfgemaakte groenten en dit in plastieken doosjes mee te geven aan haar jonge volkje en dit tot op haar oude dag.

De leuze van Jeanne en Jef was: voor hun kinderen, klein- en achter-kleinkinderen het beste, voor hen was het minste goed genoeg.

0015-xxx

Jeanne Verbiest en Jef Loockx

Donkere wolken doorkruisten hun leven. Het afscheid van haar dochter Simonne zou nooit verwerkt worden.

Het grootste deel van hun leven hebben Jeanne en Jef aan de Tervuursesteenweg rechtover het gemeentehuis gewoond.

In 2004 zijn Jeanne en Jef na enkele omzwervingen tussen het ziekenhuis en het rusthuis Vogelzang in het Woon- en Zorgcentrum Sint-Bernardus in Bertem ingetrokken.

In 2005 hebben ze daar hun 75ste huwelijksjubileum gevierd. Dit was een dag uit duizend dromen. Helaas, datzelfde jaar is Jef overleden. Ondanks alles hebben ze zorg gehad voor elkaar, ieder op hun eigen manier. Dat hebben ze in hun huwelijksleven wel geleerd van elkaar, om voor elkaar te zorgen.

Alsof alles nog niet genoeg was geweest, moest het oude moedertje enkele maanden later nog eens afscheid nemen van haar geliefde schoonzoon, Jos, de rots in de branding.

Jeanne zou nooit meer dezelfde zijn …

Toch probeerde ze nog te genieten van de bezoekjes van Marc en Eddy, Rudi en Viviane en Andy en Steven, en af en toe eens van een elixirke, dat mocht van de dokteres. Zo had Jeanne het toch nog op Kuipersveld jaren naar haar zin.

22-xxx

Jeanne Verbiest en haar familie, op haar honderdste verjaardag

Jaren gingen en jaren kwamen en op het einde scheen ze in haar lot te berusten.

Op 22 april 2015 is Jeanne van ons heengegaan.

Wat de Titanic betreft: roestpegels zijn een natuurlijke versie van het recyclagesysteem. Met andere woorden: de natuur breekt zelf langzaam de Titanic af om het schip te laten oplossen in de omgeving. De levensduur wordt nog geschat tussen de twintig en vijftig jaar.

(Rudi Ronsmans)

Jul, het paard van de Vier Heemskinderen

IVHK_paard.jpgAan het begin van de jaren zeventig bruiste het dorpsleven in Bertem. Er werden veel activiteiten georganiseerd, waaronder allerlei optochten. Naar Amerikaans model kregen de fanfares majorettes en trommelkorpsen.

Ook de fanfare van de Vier Heemskinderen richtte op 1 april 1971 een trommelkorps voor meisjes op en bouwde rond die tijd een reuzenpaard. Het paard was een kopie van het Dendermondse Ros Beiaard.

De kop en de schilderwerken waren van de hand van Gaston Van De Molen, meesterschilder. Het geraamte werd gebouwd in de werkplaats ‘Van Eycken’ te Bertem, onder toezicht van meestersmid Julien Van Eycken.

IVHK_4Heemskinderen.jpgVictor Bertels, toenmalig schatbewaarder van de Vier Heemskinderen, was destijds postmeester in Overijse. Hij zorgde ervoor dat het Bertemse Ros Beiaard kon deelnomen aan de druivenstoet in augustus 1971 en gaf zo een extra impuls aan bovenvermelde activiteiten.

Het paard werd plechtig met champagne gedoopt, toespraak van toenmalig burgemeester en voorzitter van de fanfare, met serenade incluis. Julien Van Eycken werd peter waardoor ‘Jul’ de naam werd van het paard.

De eerste maal was het paard te zien in de stoet van de voetbalkampioenen in Bertem op 27 juni 1971. Verder was Jul te bewonderen:

  • Op 29 augustus 1971 in de druivenstoet te Overijse
  • Hetzelfde jaar in de stoet van de jaartallen ter gelegenheid van Leuven-kermis
  • Op 27 augustus 1972 in de druivenstoet te Overijse

IVHK_tractor.jpgTien jaar later waren deze activiteiten langzaam uitgedoofd als gevolg van de hoge kosten. Jul verdween in een stofferige en donkere hoek van de schuur die toebehoort aan Dominiek Grauwels, op de Egenhovenstraat te Bertem.

Onder impuls van Paul Van Bruystegem en met medewerking van de Erfgoedkamer en de fanfare van de Vier Heemskinderen is het paard op de Erfgoeddag van 25 april 2010 op 39-jarige leeftijd terug herrezen in zijn oorspronkelijke vorm en kan het hopelijk als erfgoed worden bewaard.

Technische gegevens:
Naam: ‘Jul’
Peter: Julien Van Eycken
Bouwjaar: 1971

Hoogte: 3,21 meter
Breedte: 1,3 meter
Lengte romp: 3,5 meter
Totale lengte: 4,5 meter
Schofthoogte: 2 meter

(Paul Van Bruystegem – Erfgoedkamer)

IMG_5156.JPG

‘Jul’ in april 2010, tijdens Erfgoeddag. Naast hem staat ‘Wannes’, de reus van Koninklijke Fanfare De Vrijheidszonen.

Het klooster van Bertem op zoek naar ‘ondersteuning’

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

In het stadsarchief van Brugge wordt het Fonds Gilliodts bewaard. Deze nalatenschap van Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915), Brugs stadsarchivaris van 1868 tot aan zijn dood, omvat een zeer uiteenlopende inhoud. Gilliodts verzamelde archiefstukken, zodat deze in het fonds terug te vinden zijn. Er zijn ook zijn wetenschappelijke notities die hij maakte tijdens zijn opzoekingen in archieven. Het is evenwel ook zijn familiearchief, met onder meer zijn correspondentie. Ook enkele brieven gericht aan zijn tweede echtgenote, Romanie Vandenbussche (1873-1926), zijn hier verrassend genoeg terug te vinden.[1]

Een van die laatste brieven biedt onverwacht een kijk op Bertem in 1920. Hoe kan dit? Romanie Vandenbussche werkte eerst als dienstmeid, maar haar huwelijk met Gilliodts maakte haar een begoede dame. Haar echtgenoot was altijd zeer mild en liefdadig geweest. Hoewel zijn erfenis haar niet volledig te beurt viel, was de weduwe na Gilliodts’ overlijden in 1915 ongetwijfeld nog altijd welgesteld. Men kon dan ook maar wensen dat ze zich even gul zou tonen als Gilliodts.

Een zuster uit Bertem hoopte daarom in 1920 dat Romanie Vandenbussche ondersteuning zou willen geven aan haar klooster. De briefschrijfster was Emerence Marie Spriet, op 13 juli 1871 geboren in Wingene. Daar was eerst haar vader en dan haar broer Edmond en zus Marie een pachter van Gilliodts geweest, zodat ze zelf had kunnen kennismaken met de goedhartigheid van de Brugse familie. Emerence had er voor gekozen in te treden bij de Zusters van Liefde, waar ze als kloosternaam Zuster Basile nam. Op 27 februari 1900 verhuisde Zuster Basile vanuit het Gentse moederhuis naar het Bertems klooster. Daar werkte ze in de school en hielp ze in het huishouden.[2]

De brief die Zuster Basile naar Romanie Vandenbussche schreef is interessant genoeg om hier grotendeels uit te geven. Enkele stukken zijn weggelaten, zij bevatten namelijk niets anders dan lovende woorden voor de ontvangster.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

A[d] M[ajorem] D[ei] G[loriam]

Zeer geachte Mevrouw.

Ik heb het geluk en de eer U onze eerbiedigste en rechtzinnigste gevoelens aan te bieden. Degene die U schrijft is misschien U onbekend maar Gij, achtbare Mevrouw, zijt mij niet vreemd. O neen, ik ken U door uwe milddadigheid, door uwe overgroote liefde voor armen en noodlijdenden, door uw groot en edelmoedig hert, om alle goede werken en nuttige inrichtingen te ondersteunen. […] Wat moet Gij gelukkig zijn, achtbare Mevrouw, zooveel gelukkigen te kunnen maken, want het meeste geluk is voor mij anderen gelukkig te maken. Ik ben Emerence Spriet, Zuster Basile, zuster van liefde te Berthem. Ik herinner mij zoo gaarne met veel vreugde de hooggeachte Mijnheer Gilliodts die vader zaliger zoo genegen was. Wij houden alle achting voor den achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Gilliodts zaliger, die de liefdadigheid in den volsten zin oefende.[3]

Ik neem de eerbiedige vrijheid U te verzoeken ons ook uwe ondersteuning te willen verleenen voor ene volksbibliotheek die wij ingericht hebben voor de inwoners van ons dorp, maar vooral voor de jonge meisjes die tegenwoordig zoo blootgesteld zijn aan al dat werelds is.[4] Wij willen, door goede en aantrekkelijke boeken in de huizen gaan preken om dien stroom van bederf tegen te houden en daarom, achtbare Mevrouw, kom ik uwe milddadigheid afsmeeken om ons te ondersteunen. Boeken en kas zijn tegenwoordig zeer duur. Wij gebruiken ook alle middelen om de kinderen zoolang mogelijk in de patronage te houden en te vermaken door aangename spelen, nuttige voordrachten, belooningen enz. Het is nog al lastig niet kunnen uitvoeren, wat men zou willen uitwerken uit liefde tot God en tot heil der zielen onzer tweehonderd kinderen die veel te kampen en te strijden hebben tegen het kwaad.

[…]

Berthem is een klein dorp, niet ver van Leuven gelegen. De beschaving en de godsdienst laat er veel te wenschen, daarom willen wij al onze krachten inspannen en met dubbelen moed werken, om den godsdienst en de eerbaarheid te doen bloeien en van de Berthemsche jeugd christelijke en vrome dochters te maken, en verstandige huismoeders en dat alles uit zuivere liefde tot God die ons gekozen heeft om zijn apostelwerk voort te zetten.

Ik schrijf dezen brief met veel vreugde, omdat ik de zoete hoop koestere ook de goedheid en de milddadigheid van U, geachte Mevrouw, te mogen genieten, ook nog omdat ik in den geest tot Brugge ben, waar wij zooveel vreugde genoten bij den zeer achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Marie, zaliger, want ’t is dank aan onze goede en duurbare Juffrouw Marie dat ik zuster van liefde ben en zoo gelukkig dat ik mij onder de gelukkigste der menschen tel.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

Wij zijn zeven en twintig zusters, verzorgen veel oude menschen en zieke kinderen. Wij hebben eene school die wel bevolkt is en onze brave kinderen komen geerne ter school. Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen.

Gewaardig, zeer goede en achtbare Mevrouw de verzekering van onzen diepen eerbied en de hulde van onzen dank te aanveerden.

Uwe toegenegene in Jezus-Christus

Zuster Marie Basile

Berthem, 17 Juni, 1920.[5]

Of Romanie Vandenbussche enige steun verschafte aan het klooster, is mij onbekend. Een bezoek aan Bertem zal ze wel nooit gebracht hebben. En Zuster Basile? Die verliet op 22 oktober 1928 het klooster in Bertem. Haar bestemming was het mijnhospitaal in Leut, daar gevestigd in het voormalige kasteel van Vilain XIIII.

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

[1] Cfr. A. VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts. Academische zitting en tentoonstelling ter herdenking van de voormalige stadsarchivaris Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915). Catalogus, Brugge, 1980.

[2] Bediening der Zusters, 1900, afgebeeld in G. DE NEEF en R. UYTTERHOEVEN, Fundamenten in seniorenzorg. 175 jaar Zusters van Liefde van Jezus en Maria te Bertem, Bertem, [1993], 31.

[3] Het gaat hier om Louis Gilliodts-van Severen en Marie Gilliodts (1859-1904), zijn dochter uit zijn eerste huwelijk. Marie Gilliodts bleef ongehuwd en wijdde haar leven aan weldadigheid en godvruchtige werken.

[4] In 1904 was een bibliotheek opgericht in de meisjesschool bij het klooster. In 1930 besloot de gemeenteraad er 0,25 frank per inwoner subsidie aan te geven. De bibliotheek werd toen ook voor tien jaar door de gemeente aangenomen. (H. VANNOPPEN, De geschiedenis van Bertem. De parel van de Voervallei, Bertem, 1978, 373.)

[5] BRUGGE, Stedelijk archief Brugge, Fonds Gilliodts, briefwisseling, nr. 105: brief van E.M. Spriet aan mevr. Gilliodts [= R. Vandenbussche], 17 juni 1920.

Bierhandelaar Van Fraechem, ‘verdeler van het Sissenbier’

In 2009 sprak Paul Van Bruystegem met Willy Van Fraechem, die hem vertelde over de Bertemse cafés. Willy en zijn vader Victor Van Fraechem waren decennialang verdeler van het bier van brouwerij Leopold. In Bertem was dit het ‘sissenbier’.

De handel werd gesticht in 1936 door Victor Van Fraechem (genaamd Fictoor). Hij verdeelde het bekende bier ‘Three Stars’, welke later ongedoopt werd tot ‘Leopold’.

Zoals in elke gemeente ontstonden, na de onafhankelijkheid van België en vooral in het midden van de negentiende eeuw, in Bertem de plaatselijke politieke partijen. Het waren hier voornamelijk de ‘Liberalen’ en de ‘Sissen’.

Elke partij had natuurlijk zijn geprefereerde drankgelegenheden en pilsbier. De Liberaal dronk voornamelijk ‘Stella’ en de Katholieken of Sissen verkozen ‘Leopold’.

De Sissen vonden ‘Stella’ maar fluitjesbier met een slechte smaak waar je ziek van werd en hetzelfde dachten de Liberalen van de ‘Leopold’. Wat ze niet wisten was dat grapjassen soms Stella in Leopoldglazen deden en omgekeerd. Geen enkele van de plaatselijke partijleden merkte, tot groot jolijt, deze omwisseling als ze reeds verscheidene pintjes achter de kiezen hadden. Deze sporadische omwisselingen waren zeer waarschijnlijk de reden waarom ze na een vijftien à twintig pintjes en soms meer, de volgende dag een kater hadden.

In 1971 – met de komst van de BTW – nam Willy de handel van zijn zieke en bijna blinde vader Victor over.

Het beroep van bierhandelaar was zeer zwaar en ongezond. Het sleuren met tonnen en bakken bier belastte de rug uitermate. Bovendien moest, bij wijze van voorbeeld, dagelijks heel wat van het eigen bier worden gedronken. Het was namelijk de gewoonte te trakteren in elk café waar men langs kwam, om de klanten die toevallig aanwezig waren te plezieren en te wijzen op het feit dat ‘Leopold’ het beste bier was.

Als klant dronk je dan van het pas geleverde bier en hief je het gekregen glas met de woorden ‘santé Willy’.

De zondag na de hoogmis dronk men het aperitief door op de weg naar huis in verschillende drankgelegenheden pinten drinken.

Om thuis te geraken moest Willy dertien cafés voorbij. Als hij die allemaal bezocht, wat niet altijd gebeurde, werden minstens één à twee pintjes per bezoek gedronken. Dit betekende dat voor het zondagse middagmaal tot zes liter bier in de lege maag terechtkwam.

Met de kermis en op feestgelegenheden kon het aantal gedronken glazen bier per dag tot vijftig oplopen. Gelukkig bleven vele pinten half gevuld achter.

Slechts zelden werd men echt dronken; de macht der gewoonte zorgde er voor dat men slechts licht beschonken over kwam na het nuttigen van veel bier doch gespreid over een ganse dag.

Medisch gezien waren de gevolgen op latere leeftijd voor vele bierhandelaars en bierleveranciers zwaar. Ze verbleven veel in lokalen waar men buiten het bier, van sigaren en sigaretten genoot en konden, vooral in de winter wanneer de deuren en vensters goed gesloten bleven, mee genieten in het rumoer van de cafégeuren en volop de zware tabaksrook tot zich nemen.

Zo leden ze veel aan adervernauwing, lever en pancreas ziekten, maag-, darm-, hartkwalen en suikerziekte. Een lang leven viel hen maar zelden te beurt, maar wel een goed.

Willy had ondanks alles in de bloeitijd vele collega’s die hier met hun toenamen worden vernoemd:

  • Polle Van Meter: bieren ‘Op Ale’
  • Michiels: bieren ‘Wieze’
  • Charel Van Meerbeek: bieren ‘Perle Collier’
  • De Witten Deno: bieren ‘Sas’
  • Pië Van De Stijve: bieren ‘Stella’
  • Florent Trekker: fabrikant van limonade
  • Brouwerij Delvaux, met onder andere Blanche de Louvain

Willy en ervoor Fictoor leverden bier in volgende drankgelegenheden, ook opgesomd met hun toenaam:

  • Op de Dorpstraat van af de Dalem hadden we Spijtige Jef, Schijs, De Spits, Den Trul, De Smid, Creffier en Cheper.
  • Rond de Kerkstraat waren Kesse, Jeanne Mispeltaire, Klara Van Mathijs en Gaine Lismond van de partij.
  • Op het Gemeenteplein en de Schipstraat (Fr. Dottermansstraat) vonden we: Tinne Van Glas en Bere Moens.
  • Op de Tervuursesteenweg bediende hij Jul Konink, Jef Van Den Toyk (bij Vallerie), Timmermans, De Floes, Franske Vanderheyden, Que Deum (Jourand), Corre en Meuze.
  • Op de Oude Baan waren de klanten Shijs, Pië Bult, Tone Van De Laes en De Beus.
  • Op den Bertembos (aan de Augustijnenhoeve) waren Stakke, Sirou en Moeys zijn klanten.
Bertem Kruisweg.jpg

Dit café (op de hoek van de Dorpstraat en de Ferd. Vanlaerstraat) schonk Leopold, zoals de platen aan de gevel trots verkondigen.

Als men zijn dorst niet gelest kon krijgen was er de mogelijkheid om bij Fictoor of Willy thuis een bak bier te gaan halen. Het voordeel was daar dat men steeds hartelijk werd ontvangen en één of twee flesjes bier gratis te drinken kreeg.

Ten slotte kwam de biervrachtwagen ook thuis bier leveren voor het geval dat men niet tijdig in een café was geraakt of voor diegenen die ook nog bij het eten een smakelijk pilsje lusten.

In elk geval was bier drinken vroeger een sociaal gebeuren dat bij elke bezigheid plaatsvond. Onderzoek heeft uitgewezen dat bouwvakkers, in de jaren 1700 te Leuven, die van zonsopgang tot zonsondergang werkten dagelijks vijf tot zes liter bier dronken. Niet altijd goed bier, schreef men, er was ook een hoeveelheid fluitjes of slap bier bij.

Een burenbezoek kon niet zonder een flesje bier en elk goed voltooid werk zoals het einde van een ruwbouw eindigde met de ‘Maa’, dit is het plaatsen van een versierd stukje boom of op de nok van het dak, in een bierfestijn.

Willy en Fictoor hadden dus een beroep midden in het plezier en de ontspanning van de jaren 30 tot 90. Zij kenden alle inwoners, hun problemen, hun noden, hun goede kanten en wisten met een kwinkslag en een pintje bier de Bertemse inwoner zijn dagelijkse beslommeringen te laten relativeren.

(Paul Van Bruystegem in samenwerking met Willy Van Fraechem – Erfgoedkamer)

De Gasthuishoeve in Bertem

Fragment uit de Atlas der Buurtwegen (1841), met centraal de Gasthuishoeve.

Fragment uit de Atlas der Buurtwegen (1841), met centraal de Gasthuishoeve.

Een nieuwe verkaveling in de Sint-Franciscusberg tussen de woningen nrs. 6 en 12 wordt ontsloten door een nieuwe weg die doodlopend is. De gemeenteraad van Bertem nam onlangs het besluit om deze nieuwe straat Gasthuishof te noemen. Op het einde van deze nieuwe straat, waar een pleintje is voorzien om het keren van het autoverkeer mogelijk te maken, stond tot omstreeks 1975 de graanschuur, ook tiendenschuur genoemd, van de Gasthuishoeve. Deze hoeve was immers tot aan de Franse revolutie eigendom van het Groot Gasthuis van Leuven, ook gekend als Sint-Elisabethgasthuis, Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, Sint-Pietersgasthuis en augustinessenklooster.

Het Groot Gasthuis van Leuven was gelegen rechts en links van een Dijle-arm ten zuiden van de kruising met de huidige Brusselsestraat. Links van de huidige kliniek Sint-Pieter langsheen de Brusselsestraat treffen we nog een aantal restanten van het eigenlijke hospitaal, de ziekenhuis-kapel en het kloosterpand. De delen van het kloosterpand ten westen van de Dijle-arm werden afgebroken in de loop van de negentiende en twintigste eeuw om plaats te maken voor nieuwe ziekenhuisgebouwen.

Het gasthuis van Leuven werd gesticht omstreeks 1090-1095, vermoedelijk op een terrein nabij de latere Sint-Jacobskerk. In 1222 verhuisde de instelling naar haar huidige locatie op het ’s Hertogeneiland, het hertogelijk domein binnen de eerste stadsomwalling, waar in 1228 ook het dominicanenklooster werd gesticht. Wellicht waren in 1222 de nieuwe hospitaalgebouwen grotendeels voltooid. Tevens had de bisschop van Luik toestemming gegeven tot het bouwen van een hospitaalkapel, die een eerste maal in 1261 werd vermeld. Het hospitaal werd aanvankelijk bediend door broeders en zusters, vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw enkel door zusters, zonder een vaste kloosterregel. Van de dertiende-eeuwse gebouwen is enkel de zogenaamde Romaanse poort over-gebleven.

Zicht op het bewaard gebleven poortgebouw in de Brusselsestraat, dat toegang geeft tot een gekasseide binnenkoer waarrond de hoeve-gebouwen in L-vorm zijn gelegen

Zicht op het bewaard gebleven poortgebouw in de Brusselsestraat, dat toegang geeft tot een gekasseide binnenkoer waarrond de hoeve-gebouwen in L-vorm zijn gelegen (foto: Chris Wouters)

De huidige kloosterkapel is gebouwd aan het begin van de zestiende eeuw. Men vond er nog muurrestanten van de verdwenen kapel uit de dertiende eeuw. Het hospitaal werd door brand geteisterd in 1363 en kende vervolgens een periode van materieel verval. Nikolaas Hellens (overleden in 1505), ook professor aan de Leuvense universiteit, vatte in 1479 de reorganisatie van het hospitaal aan. De financiën werden gesaneerd en aan het hospitaal werd een gemeenschap verbonden van zusters die de regel van Sint-Augustinus naleefden. Mede dankzij schenkingen werden tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw de gebouwen vernieuwd met onder meer een nieuwe kapel en kloosterpand. Er brak opnieuw brand uit in 1632 en 1718. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd het klooster verbouwd.

De statuten vóór 1480 van het gasthuis van Leuven zijn onvindbaar. Daarom werd een vergelijking gemaakt tussen de statuten van de gasthuizen van Antwerpen, Mechelen en Vilvoorde, respectievelijk in 1233, 1230 en 1251 gegeven. In deze drie hospitalen lag het bestuur in handen van een meester of meesteresse, bijgestaan door een priester en door de beheerders der tijdelijke goederen. Kapittel-, refter- en slaapzaalvoorschriften lijken in alle drie sterk op elkaar. In de slaapzaal en refter mag slechts om zeer ernstige redenen gesproken worden. Aan de kloosterlingen is het verboden om in afzondering een gesprek te
voeren met mannen en om zich zonder toelating in de stad te begeven of buiten het klooster de maaltijd te gebruiken. De zieke moet eerst zijn geweten in orde brengen alvorens hij materiële zorgen kan krijgen. De verzorging van zijn ziel heeft dus voorrang op de lichamelijke verzorging. In Mechelen en Vilvoorde heeft het hospitaal het voorrecht op de goederen van de zieke indien die overlijdt. In Antwerpen ook tenzij de afgestorvene een testament heeft opgemaakt. In Leuven idem tot 1428. Na die datum kon Leuven alleen nog aanspraak maken op de roerende goederen wanneer de afgestorvene kinderen had. Bij kinderloze zieken bleef het recht op het ganse bezit gehandhaafd.

Door zijn lange geschiedenis, het recht op de goederen van de afgestorvene en de vele schenkingen bezat het Groot Gasthuis van Leuven een uitgebreid patrimonium aan onroerende goederen in een wijde omgeving van Leuven. De verdwenen hoeve in Bertem is op een bepaald ogenblik in bezit gekomen van het Groot Gasthuis. De wijze van verwerving door het Groot Gasthuis van de hoeve in Bertem die later de Gasthuishoeve wordt genoemd en de periode waarin dit gebeurde, kan momenteel niet achterhaald worden. Dit vereist bijkomend archiefonderzoek. In ieder geval behoorde het in 1496 reeds tot het patrimonium van het Groot Gasthuis zoals blijkt uit het ‘denombrement’ (bevolkingsstatistiek) uit die tijd en waarbij het vermeld werd met: ‘het winhof van den zieken gasthuys van Loevene’.

In 1660 was Willem Stroobants pachter van het Gasthuishof. In 1774 was het pachthof verhuurd aan Rumoldus Stroobants en aan zijn echtgenote Ludovica Van Hamme voor een termijn van negen jaar, mits een jaarlijkse pachtprijs van 100 gulden en de jaarlijkse levering van 100 halsters tarwe, 100 halsters wintergerst, 100 halsters haver, vier karweien alsook het onderhouden van het pachthof. Bovendien moet de pachter alle cijnsen en erfpachten betalen. De hoeve – op dat ogenblik gekend onder de naam ‘Het Hof te Waeteren’ – bestond toen uit een huis (‘huysinge’), schuren, stallingen, hof, boomgaard, land en weide, samen groot 38 bunderen, 1 dagmaal en 56 roeden, oftewel ongeveer 39 hectaren. Op 24 januari 1793 werd de pacht opnieuw voor de duur van 9 jaar vernieuwd aan dezelfde pachter. De akte werd verleden voor notaris Bisschop te Leuven.

Een gedeelte van de Gasthuishoeve, afgebroken in 1968 (zicht vanaf de Sint-Franciscusberg)

Een gedeelte van de Gasthuishoeve, afgebroken in 1968 (zicht vanaf de Sint-Franciscusberg)
(coll. René Mertens)

Aan het einde van het ancien régime kwam de eigendom en het beheer van het gasthuis en al zijn goederen in handen van het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen van Leuven. De verschillende wetten van het jaar V (1796) tijdens de Franse republiek legden de basis voor de organisatie van de openbare onderstand die tot in 1925 de armenzorg bij ons zou bepalen. Onder de controle van de gemeente, die de centrale spil van de openbare liefdadigheid werd, kwamen twee overheidsorganismen tot stand. Het Bureel van Weldadigheid kreeg als opdracht de armoede te lenigen door het verstrekken van adequate hulp. De Burgerlijke Godshuizen werden belast met alle vormen van institutionele zorgenverlening: vondelingen- en weeshuizen, bejaardentehuizen, hospitalen en kraaminrichtingen en krankzinnigengestichten.

Tijdens de negentiende eeuw werd door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen de hoeve opnieuw voor een duur van negen jaar verpacht, eventueel verlengbaar met een zelfde duur. Op 19 juni 1871 werd het pachthof, met een omvang van 35 ha 5 are 16 ca, verdeeld in 43 stukken, te weten: 37 onder Bertem, een onder Korbeek-Dijle en vijf onder Heverlee, verpacht voor een duur van negen jaar te beginnen op 30 november 1872 om te eindigen op 30 november 1881 aan Ectors Michaël Isidore voor de som van 4500 fr. Op 19 mei 1881 werd bij proces-verbaal de staat der gebouwen en de uit te voeren werken met kostenraming opgemaakt, ter gelegenheid van het vernieuwen van de pacht ondertekend door de afgaande pachter zijnde voornoemde Ectors en de aankomende pachter Joannes Dewals. Het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen kwam tussen voor 690,90 fr. Het aandeel van de (afgaande?) pachter bedroeg 379,29 fr.

Zicht op de zuidgevel van de graanschuur (afgebroken in 1975)

Zicht op de zuidgevel van de graanschuur (afgebroken in 1975)
(coll. Lizette Putseys)

Op 29 november 1899 werd een nieuwe staat van bevinding opgemaakt, met het oog op het overdragen van de pacht van de afgaande pachter (Vanderelst Clara, weduwe van J.B. Dewals) aan de nieuwe huurder zijnde Guillaume Ronsmans. Het ziet er naar uit dat de nieuwe pachter aan het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen moest verzocht hebben om het pachthof te verkopen ook omdat het in verval is en hijzelf opziet om de kosten als huurder te dragen. Op 10 januari 1900 werd door de burgemeester van Bertem een proces-verbaal van commodo et incommodo opgesteld m.b.t. de verkoop van het pachthof dat op dat ogenblik bestaat uit de percelen nrs. 174 b,175, 176 a en 179 a voor een totale oppervlakte van 70 are 47 ca. Op 12 juni 1900 werd de waarde van het pachthof op 6500 fr geschat. In datzelfde jaar werd het pachthof verkocht voor de som van 6500 fr.

Het complex bestond op dat ogenblik uit een gesloten vierkanthoeve met binnenkoer. De toegang was verzekerd vanuit de Sint-Franciscusberg. Het oorspronkelijke woonhuis was ingeplant aan de noordkant van het hoevecomplex. In het oosten van de binnenkoer bevond zich de robuuste schuur met in de zuidgevel een grote inrijpoort – asymmetrisch ingeplant – afgeboord met een rondboog in natuursteen. Een gedenksteen met jaartal waarvan de datum niet meer kan achterhaald worden, herinnerde aan het feit dat de schuur was gebouwd in de achttiende eeuw. Een poort in de noordgevel van de schuur gaf uit op een toegangsweg naar de Tervuursesteenweg. Aan de zuidkant vond men de stallingen die parallel gelegen waren aan de voorliggende Sint-Franciscusberg. In de eerste helft van de twintigste eeuw werden deze stallingen opgedeeld en verbouwd tot enkele kleine woningen. Ook de oorspronkelijke woning werd verkaveld en opgedeeld in drie aparte woningen. De oorspronkelijke stallingen werden afgebroken in 1968 om plaats te maken voor een nieuwe woning. De schuur werd afgebroken omstreeks 1975. Het woonhuis, dat is opgedeeld in drie woningen, is het enige dat nog rest van de eens zo robuuste hoeve.

(Chris Wouters – Erfgoedkamer)

Brandbestrijding in Bertem tijdens de negentiende eeuw

Le Cataclysme à Louvain le 14 mai 1906 - Berthem

Tijdens de overstroming van 1906 werden verschillende boerderijen getroffen.
Soms hadden deze nog strooien daken, zoals deze postkaart toont.

Ook Bertem bleef in de negentiende eeuw niet gespaard van woningbranden. Brandgevaar bleek toen een groot probleem te zijn. In 1857 brandden te Bertem vier bij elkaar gelegen huizen af. Het waren de woningen van Petrus Volkaerts, Elisabeth Volkaerts, Antonius Verbiest en Petrus Vrebos. Drie van de vier woningen waren verzekerd tegen brand. De gemeente schonk een bedrag van 1200 frank aan de slachtoffers om opnieuw hun woningen op te bouwen.

Op 29 september 1859 nam de gemeenteraad een besluit zodat voortaan een bedekking in stro, biezen of planken verboden werd. Alleen de alleenstaande gebouwen die meer dan 40 meter verwijderd stonden van de andere mochten nog een bedekking in stro hebben. Op 30 juni 1860 volgde een gelijkaardig besluit maar dit maal met betrekking tot de schouwpijpen. Binnen de vier maanden moesten de schouwpijpen uit leem of hout verwijderd worden. Voortaan moesten de schouwpijpen uit steen of kareel bestaan.

In dezelfde periode liet de gemeente ook plannen maken voor de bewaring van de brandspuit. Het gebouw zou tevens dienstig zijn als lijkhuis en politiebureel. De gemeenteraad besluit in zitting van 24 juli 1860 voor dit doel de aankoop goed te keuren van het perceel sectie C, nr. 432, groot 2 are 28 ca in het centrum van de gemeente aan het kruispunt van de huidige Fr. Dottermansstraat met de Dorpstraat langsheen de Voer. Het perceel was eigendom van de weduwe Henri Vanderseypen. De koop werd gesloten voor de prijs van 228 frank. De akte werd verleden door notaris Dupon te Leuven op 13 november 1859.

Het geplande gebouw werd evenwel nooit gebouwd. In zelfde periode werd immers een besluit door de gemeenteraad genomen nl. op 12 november 1863 om een nieuw gemeentehuis met school te bouwen aan de “nieuwe steenweg” Tervuursesteenweg. Men besluit om de voornoemde functies in dit gemeentehuis onder te brengen.

Op 17 oktober 1871 besluit de gemeente een nieuwe kerk te bouwen omdat de bestaande Romaanse Sint-Pieterskerk te klein was geworden. Ook met de bouw van een nieuwe kerk aan de steenweg die zou worden ingeplant aan de overkant van het nieuwe gemeentehuis, bleef het bij plannen. Zo werd de monumentale Romaanse kerk Sint-Pieter gespaard van de sloophamer.

Op de plaats waar ooit plannen werden gemaakt om een nieuw gebouw voor lijkhuis, politiebureel en loods voor brandspuit op te richten, vinden we nu een telefooncel alsook een oude elektriciteitscentrale.

De bouw van een lijkhuis werd doorgevoerd ter gelegenheid van de vergroting van het kerkhof aan de Sint-Pieterskerk. Het was wachten tot 1910 alvorens met de bouw van het lijkhuis of dodenhuisje werd gestart en dit onder leiding van architect Joseph Loos uit Leuven.

Dit artikel is eerder verschenen als Chris Wouters, ‘Brandbestrijding in Bertem tijdens de 19de eeuw’, M. Ceunen en P. Veldeman red., Tegen brand gewapend. Twee eeuwen brandweer en brandbestrijding in Leuven (1807-2007), Leuven: Uitgeverij Peeters, 2007, 133.

Onuitgegeven bronnen

  • Bertem, Gemeentearchief, Notulen gemeenteraad.
  • Bertem, Gemeentearchief, Project de bâtiment devant servir pour morgue, salle de police et dépot de pompe à incendie à constuire sur le terrain communal à l’angle de la Voer et du chemin…, 4 december 1859.

Werken

  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, de parel van de Voervallei, Bertem: Uitgave Jos Erven, 1978.

(Chris Wouters – Erfgoedkamer)

Een korte geschiedenis van Bertem

Een zicht op Bertem, uit 1909.

Een zicht op Bertem, uit 1909.

Al in een oorkonde uit 1112 werd er melding gemaakt van “Berthem”. De oorsprong van deze naam is onduidelijk. Wel staat vast dat hij van Frankische origine is. Ofwel stond het voor ‘schitterende woning’ (berhta en heima) of voor ‘woning in de modder, moeras’ (heima en beire). De tweede verklaring zou dan slagen op de modderige gronden rond de Voer.

In de negende eeuw schonk Adelhard, kleinzoon van Karel Martel, enkele gronden aan de abdij van Corbie, toen hij daar als monnik binnentrad. Bertem was hier een deel van. De heren van Heverlee kregen de wereldlijke macht in handen, en noemden zich sinds 1322 ‘heren van Bertem’. Deze situatie bleef zo tot 1562. In dat jaar verkocht de abdij haar cijnsboek. Zo verkreeg de famile van Bertie haar rechten in Bertem. Dit cijnsboek werd in 1681 verkocht aan Thomas Stapleton, die verschillende belangrijke functies aan de universiteit van Leuven vervulde. Na zijn dood in 1697 verenigden de heren van Heverlee (de latere familie van Arenberg) hun rechten met die uit het cijnsboek van de abdij van Corbie.

In het begin de Franse overheersing werd Bertem een deel van de ‘municipalité de canton Tervuren’, een fusie waar ook Korbeek-Dijle en Leefdaal deel van uitmaakten. Na vier jaar reeds, toen Napoleon aan de macht kwam, werd er een eind gemaakt aan deze fusie. Bertem werd terug een aparte gemeente, wat het bleef tot 1977.

Bibliografie

  • Omer Vandeputte (red.), Gids voor Vlaanderen, 2007.
  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, de parel van de Voervallei, 1978.
  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, het teusserdorp bij de Romaanse kerk, 1980.
  • Jan Verbesselt, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw (deel XV), s.d.