Vroeienberg in de Middeleeuwen

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 29 april 2012 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Geologie en vroege bewoning

De Veronewijk (in de volksmond: ‘Sinte-Froene’) van Leefdaal-Bertem noemde in de middeleeuwen ‘Vroeienberg’ of ‘Veronenberg”. Zij ligt in het Voerdal, dat uitgesleten is in het Brabantse leemplateau. Tientallen miljoenen jaren geleden was de streek enkele malen een open zee, die vooral zand afzette. Een deel, het zand van Lede, ongeveer tien meter dik, bevat verschillende lagen kalkzandstenen, die tot twintig centimeter dik kunnen zijn. Zij maken een prima bouwmateriaal uit. Vele eeuwen later, in een ijzige tijd, zette een overheersende noordenwind fijne kalkrijke leem af dat het landschap als een mantel bedekte. Toen later het klimaat verbeterde bleek het leem een uitstekende bodem te vormen voor de plantengroei. Het leidde tot oerbossen.

De nabijheid van water, een vruchtbare bodem en de aanwezigheid van geschikt bouwmateriaal maakten dat de plaats waar ze samen voorkwamen vlug door de mens werd bewoond. Dat was het geval in het latere Vroeienberg. Al ongeveer drieduizend vijfhonderd jaar geleden verschenen er landbouwers uit de nieuwe steentijd; enkele eeuwen later de Gallo-Romeinen. Zij hebben het oerbos grotendeels gerooid. Zo lag het land klaar voor de Franken uit de Merovingische en Karolingische tijd die op hun kousenvoeten zijn binnen gesijpeld. De middeleeuwen waren nabij.

De vroege middeleeuwen

Een vrij belangrijk grafveld waarvan de sporen zijn ontdekt tijdens opgravingen in 1951, bewijst een vroege Frankische aanwezigheid op de Veronewijk. De meeste graven bevonden zich op en rond de plaats van de huidige kapel en zelfs onder de muren van het primitieve kerkje. Het grafveld was dus ouder dan het gebouw. Het is moeilijk uit te maken of het oorspronkelijk om een heidens of een christelijk grafveld ging. Onder de scheidingsmuur tussen het huidige schip en koor zijn twee gemetselde graven aangetroffen. Als bouwmateriaal werd naast de lokale zandsteen ook Romeins puin aangetroffen. De belangrijkste vondst was een sarcofaag uit zachte witte steen uit Opper-Lotharingen. Men noemt ze Merovingisch al stamt ze waarschijnlijk uit de Frankische tijd. In de stenen kist lag eens een ons volkomen onbekend persoon begraven. Het moet een hooggeplaatst iemand geweest zijn.

sarcofaag

Het zogenaamd ‘graf van Verona’ ontdekt tijdens de opgravingen van 1951. De sarcofaag was al vroeger verplaatst, gedeeltelijk geschonden en verstevigd met muurtjes.

Tijdstip en methode van begraven moeten doen denken aan een begrafeniskerk van een herenfamilie. Komt daarbij de plaatsnaam ‘Veronenberg’ of ‘Vroeienberg’. Een ‘vroon’ was een heer, een vorst, een man die beveelt. Wie? Men kan denken aan kringen rond het Leuvense gravenhuis, maar zekerheid is er volstrekt niet. De enige vage indicatie is dat de latere hertogen van Brabant op deze plek bezittingen hadden.

Het prille begin van de parochie

Het christendom is niet als een pletrol over het heidendom gewalst. De vorst – de plaatselijke heer – speelde vermoedelijk een rol bij de kerstening. De samenwerking met de missionaris was voor beiden voordelig. Geleidelijk lieten de lekenheren op hun domein kerken bouwen. Het is een geloofwaardige hypothese dat de heer van Vroeienberg rond het jaar 900 een kerk liet bouwen op de heuvel ten zuiden van de Voerbeek. Hij gaf haar een grondgebied waar de kerk een belasting kon innen om haar kosten te dekken. Hij zag de kerk wellicht als een grafplaats voor zijn familie, maar ook als een investering. Hij bleef de eigenaar, die het recht had de pastoor aan te stellen, die de gelovigen opvoedde, onderrichtte en controleren. Het was feitelijk een privé-kerk of met een geëigende uitdrukking, een ‘eigenkirche’.

Vroeienberg was een vroege stichting. Het patroonschap van de Kruisverheffing met feest op 14 september was een bewijs, samen met de opgegraven sporen. Het betrof een zaalkerkje, eenbeukig zonder toren en wellicht zonder versiering. Even later is een rechthoekig koortje aan de oostzijde bijgebouwd. Het was smaller dan de beuk.

mertens9

Het oudste kerkgebouw van Vroeienberg (met koortje),
volgens een reconstructie door J. Mertens.

De bouw van de kerktoren

De verschrikkingen van het jaar duizend zijn een uitvinding van latere eeuwen. Het jaar maakte integendeel deel uit van een periode van heropbloei in West-Europa. De invallen van de Noormannen hadden een einde genomen. De economie herleefde.

In Bertem bouwde de abdij van Corbie een fraaie kerk met een westertoren, die haar status als parochiekerk beklemtoonde en tevens een symbool was van de macht van de Kerk. In Vroeienberg, op luttele afstand, bouwde men rond dezelfde tijd eveneens een massieve, onregelmatig vierkante toren met muren van een meter dik. De kerk van Vroeienberg was inderdaad eveneens een parochiekerk! Weinig later brandde ze uit. Het koor diende volledig vervangen. Het gebeurde zorgeloos. De mortel was van bedenkelijke kwaliteit.

De economie bloeit

De periode van 1080 tot 1220 was een tijd van economische en sociale vooruitgang mede dankzij de graven van Leuven en de religieuze instellingen waarmede zij een nauwe binding hadden. Hendrik III, graaf van Leuven, schonk in 1080 een aantal goederen aan het Groot Gasthuis van de stad, dat een belangrijk landbouwbedrijf zou verwerven ten westen van de kerk van Vroeienberg.

Men weet dat de graaf in 1082 een Luikse synode over de godsvrede bijwoonde. Hij voerde ze in Brabant in, een belangrijke maatregel op economisch en sociaal gebied. Men getuigt van hem dat hij veel deed om zijn land tegen plunderaars en misdadigers te beveiligen. Samen met zijn moeder Adela en zijn broer Godfried was hij in 1083-1086 betrokken bij de stichting van de abdij van Affligem. De abdij verwierf in 1117-1731 het altaar en de tienden van Vroeienberg samen met Leefdaal en Vossem. Het statuut van eigenkirche, waartegen de Kerk zich hardnekkig verzette, verviel.

Hertog Hendrik I van Brabant ten slotte stelde in 1235 drie mannen uit Vroeienberg vrij van tolrechten in Leuven.

De verdere uitbreiding van de parochiekerk

De toenemende economische activiteit leidde tot een forse bevolkingsgroei die verplichtte tot een verdere uitbreiding van het kerkgebouw. De ombouw begon in de twaalfde eeuw met de vernieuwing van het kaduke koor. Het werd smaller en langer met in de zuidelijke muur een eenvoudig paradijspoortje. De kerk kreeg in de dertiende eeuw twee zijbeuken, de meest aangewezen uitbreiding van een zaalkerk. Drie vierkante pijlers vervingen aan weerszijden de oude zijmuren van het schip. De toegang bleef in het zuiden van het schip.

Een maasromaanse basiliek was geboren. Het schip had een rechthoekige plattegrond. De middenbeuk was hoger dan de zijbeuken. Hierdoor konden hoog in het middenschip vensters worden gestoken. Zij was romaans door haar stapelbouw, haar structuur als een blokkendoos met duidelijk onderscheiden delen, en door de nadruk op de halfronde boog voor de overspanning van de openingen. Men noemt ze maasromaans omdat een westertoren typisch was voor het oude bisdom Luik dat tot Leuven reikte. Vroeienberg behoorde tot het bisdom Kamerijk, maar de Leuvense invloed is wellicht bepalend geweest.

Stabiliteit in de veertiende en de vijftiende eeuw?

Hertog Jan I had in 1286 een herverdeling van zijn grondgebied doorgevoerd. Een deel van Vroeienberg, met de kerk, het nabije Hof ten Poele en de omliggende huizen behoorden voortaan tot de ammanie Brussel; een ander deel ten noorden van de Voer ging met Bertem naar de meierij Leuven. Het ziet er niet naar uit dat dit plaatselijk aanvankelijk veel nadeel berokkende.

bleaukaart

Het hertogdom Brabant in 1635. Het westen ligt bovenaan. De grens tussen de ammanie Brussel (boven) en de meierij Leuven (onder), die Vroeienberg in twee deelt is duidelijk zichtbaar.
(bron: Willem Blaeu, Theatrum Orbis Terrarum, 1635.)

Rond het midden van de veertiende eeuw bereikte de expansie van het hertogdom Brabant stilaan de grenzen van zijn mogelijkheden. Vooruitgang kon nog gebeuren door beroep te doen op nieuwe teelten. Het milde klimaat liet gelukkig zelfs wijngaarden toe. Dergelijke intensieve landbouw leek te volstaan. Toch zag men een aantal verschuivingen gebeuren in de eigendomsrechten. Kleinere bedrijven krijgen meer kapitaalkrachtige eigenaars. Het hof van Lodewijk Oliviers in 1440, pastoor van Leefdaal, aan de weg van Vroeienberg naar Leefdaal behoorde in 1519 aan ene Aart Michiels en kwam later in handen van de Leuvense patriciërsfamilie van Spoelberch.

De meeste wijzigingen gebeurden in het Voerdal ten noorden van de beek. De priorij van Rooclooster verwierf in 1421 een hoeve ten westen van de watermolen, die zelf over klein landbouwbedrijf beschikte. In 1437 bezat de priorij in de omgeving vijfenvijftig bunder land, bos en weide en twee wijngaarden. Nog meer westelijk lag toen het Hof van Vroeienberg dat in 1468 een duifhuis – teken van rijkdom – bezat en drie bunder groot was met een boomgaard, een vijver, beemden en een brouwerij. De steengroeven met de bijhorende kalkwinningen bloeiden vooral in de vijftiende eeuw op de noordelijke helling.

Op kerkelijk gebied wijzigde de toestand. De kerk met zijn relatief lage vaste inkomsten, kon in de dertiende eeuw meestal rekenen op een eigen pastoor. Bij de telling van 1374 werd Vroeienberg bij Bertem gerekend. Wellicht vervulde zijn pastoor de functie van deservitor. De verering van de legendarische Verona, afgeleid van de parochienaam, was in opgang. Omstreeks het jaar 1500 waren de binnenmuren van de kerk beschilderd met afbeeldingen van het imaginaire leven van de ‘heilige’.

De gotiek, de nieuwe cultuurstijl, beïnvloedde weinig de parochie. In de vijftiende eeuw werd toch een sacramentshuisje gestoken in de noordelijke zijmuur van het kerkkoor. Het was en blijft een voorbeeld van de hooggotische kunst die een schitterende nabloei kende in Brabant.

Epiloog

De middeleeuwen liepen laat in de vijftiende eeuw naar hun einde. Zij waren niet de duistere periode zoals nog steevast wordt gesuggereerd. De toestand wijzigde dramatisch in het midden van de volgende eeuw. De steengroeven en de landbouw leden onder de onrust in het land. Het zal nog erger worden. Onlusten van politieke en religieuze aard veroorzaakten honger, ellende en epidemieën. Het Spoelberchhof, de watermolen en verschillende huizen gingen in de vlammen op. De kerk werd in 1580 leeggeplunderd. Pas de zeventiende eeuw bracht wat verbetering. Maar de middeleeuwen waren dan al lang definitief voorbij.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Vroeienberg 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Vroeienberg in 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Literatuur

  • W. Brumagne, De Veronewijk en haar Kruiskapel. Bertem-Leefdaal (Vura Ducum 4), Tervuren, 2001.
  • J. Mertens, ‘Leefdaal, opgravingen in de S.-Verone kapel’, Bulletin van de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen, 5 (1954), 43-175.
  • R. Van Uytven (red.), Leuven: de beste stad van Brabant. I. Geschiedenis van het stadsgewest Leuven tot omstreeks 1600, Leuven, 1980.
  • R. Van Uytven e.a. (red), Geschiedenis van Brabant. Van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

De Sint-Lambertuskerk te Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


Sint-Lambertuskerk

De oudste geschiedenis van de Sint-Lambertuskerk is nauwelijks gekend. Opgravingen die wellicht klaarheid hadden kunnen brengen over zijn oorsprong zijn nooit gebeurd. J. Verbesselt, de auteur van een studie over het Brabantse parochiewezen, meent dat de bevolking de kerk langs de hoofdweg door de Voervallei bouwde in het vierde kwart van de twaalfde eeuw. Dit betekent dat de heren van Leefdaal geen rol hebben gespeeld bij de bouw omdat zij pas in de dertiende eeuw opduiken. De medewerking van de abdij van Affligem is moeilijker uit te sluiten. Zij kreeg het altaar van Leefdaal in het begin van de twaalfde eeuw.

De eerste bekende kerk was een driebeukige kerk van hetzelfde type als de andere kerken in de Voervallei. Ze was kleiner dan de kerk van Bertem en bereikte niet dezelfde architecturale volmaaktheid. Hiervan zijn overgebleven: het onderste torengedeelte, een belangrijk deel van de noordmuur van het schip met de fraaie romaanse toegang die erin staat afgebeeld, het paradijspoortje in de zuidzijde van het koor.

In 1489 staken de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk de kerk in brand. Hoe groot de schade was, is niet bekend. In 1524 werd de toren verhoogd met een klokkenverdieping en een spitse gotische toren. Vlak daarna, in 1542, vernielde een toevallige brand de kerk samen met de nabijgelegen pastorij en een aantal huizen. Vooral het koor en het noordoostelijke deel van het schip moeten hard hebben geleden. De wederopbouw liet wegens de onrustige tijden op zich wachten. Het diepe, laatgotische koor met het schitterende stergewelf is rond 1558 samen met de fraaie renaissancezuil vooraan in het schip opgetrokken.

In de zeventiende eeuw, na het concilie van Trente, lag de klemtoon vooral op de binnenversiering en de meubilering. Toch is toen heel wat aan de toren gewerkt. De stenen wijzerplaat van een uurwerk op de zuidzijde dateert van 1639. De zuidelijke toegang, die was beschermd met een ver vooruitspringend portaal, is in 1645 naar de toren overgeplaatst. Vier jaar later installeerde men er het doksaal. Aan het einde van de eeuw verkeerde de toren in een lamentabele toestand. Hij was getroffen door de bliksem en had een grondige herstelling nodig.

De belangrijkste kerkvernieuwing gebeurde wellicht in het derde kwart van de achttiende eeuw. De zuidmuur van het schip werd tot de grond afgebroken, de noordelijke gedeeltelijk. Beide zijn opnieuw opgetrokken en elk voorzien van drie grote barokvensters. Door de verlenging van de zijbeuken raakte de toren ingebouwd. De oude romaanse lichtbeuk van de middenbeuk verdween. Het hele schip kreeg een groot schuurdak. Over deze belangrijke verbouwing blijven vele vragen.

In de negentiende eeuw verdubbelde de bevolking van de parochie bijna. De toenmalige pastoor wilde bijgevolg een grotere kerk. Het kerkbestuur besloot L. Gife, provinciale architect van Antwerpen, een nieuw plan te laten ontwerpen. Hij leverde een enorm werkstuk af. De bestaande kerk zou, met uitzondering van het koor, volledig worden afgebroken en vervangen door een veel groter gebouw. De as van de kerk zou niet meer volgens de traditionele oost-westlinie, maar noord-zuid verlopen. De hoofdingang zou in het zuiden dicht bij de Dorpstraat liggen. Enig bezwaar was de reusachtige kostprijs. De gemeente zou mee in de kosten moeten delen, maar dit weigerde ze pertinent.

IMG_7377Even werd geopperd om het schilderij van Gaspar De Crayer, ‘De bekering van Hubertus’, te verkopen om met de opbrengst het kerkgebouw te vernieuwen. De gemeenteraad kelderde dit project onmiddellijk. Vervolgens werd de gekende Leuvense architect P. Langerock onder de arm genomen. Na wat geharrewar, waarbij de gemeente telkens halsstarrig weigerde een deel van de kosten te betalen, voorzag de architect uiteindelijk een bescheiden restauratie. Alleen de toren kreeg een flinke beurt. Twee zware steunberen moesten hem stutten en ijzeren ankers hielden hem samen. De ingang en het bovenstaande venster werden neogotisch vernieuwd. Boven de middenbeuk werd een houten tongewelf gespannen. De provinciegouverneur dwong de gemeente uiteindelijk haar deel in de kosten te betalen. Alles eindigde met een fikse ruzie tussen de bouwondernemer en de provinciale technische diensten.

De sterk verbouwde Sint-Lambertuskerk geldt zowat als het buitenbeentje tussen de romaanse bedehuizen van de Voervallei: Bertem, Sint-Verona en Vossem. Toch is zij een harmonisch geheel van de verschillende bouwstijlen die in onze gewesten sinds duizend jaar aan bod kwamen. In 1987 kwam ze op de lijst van de beschermde gebouwen terecht. Weinig dorpskerken uit de omgeving kunnen wedijveren met de rijkdom van haar interieur: een fraai barokhoogaltaar met classicistisch tabernakel, een meesterlijk schilderij van Gaspar De Crayer en een sierlijke rococomeubilering.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Foto’s uit de beeldbank van het agentschap Onroerend Erfgoed

De Sint-Veronakapel

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


"De Ste Veronika Kapel"

Ongeveer vijftienhonderd meter van het rusthuis, naar Leefdaal toe, ligt de Sint-Veronakapel op een heuvel.

De naam Verona is afkomstig van een vroegere parochie Vroeienberg, wat ‘berg van de Heer’ betekende. Het was de eerste parochie in de streek.

Later verstond men de naam Vroeienberg niet meer. Daarom vertelde men een mooi en vroom verhaal over de heilige Verona, die een Duitse keizerin zou geweest zijn. Zij zou haar naam geschonken hebben aan de parochie en de kerk.

In de Franse tijd, rond 1800, is de oude parochie Vroeienberg definitief bij Leefdaal gevoegd. Haar kerk werd een kapel.

Op de Vroeienberg is rond het jaar 900 een eerste kerkje gebouwd. Het was al honderd jaar oud bij de bouw van de kerk van Bertem.

Het oude kerkje is dikwijls verbouwd. In 1951 kreeg het opnieuw de vorm die het al van 1250 tot 1773 had. Het lijkt heel goed op de kerk van Bertem. Het is natuurlijk kleiner en minder regelmatig gebouwd.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Foto’s uit de beeldbank van het agentschap Onroerend Erfgoed

Het kasteel van Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


kasteel met molen

Het kasteel van Leefdaal was vroeger het centrum van een middeleeuwse heerlijkheid. Een heerlijkheid was een grondgebied, bijvoorbeeld een dorp, waarover een heer de plak zwaaide.

De eerste heren van Leefdaal in de dertiende eeuw waren dienaars van de hertog van Brabant. Zij kregen als beloning voor hun diensten het dorp samen met Vossem ‘in leen’. De hertog verwachtte blijkbaar dat zij de belangrijke handelsweg Brugge-Rijnland zouden beschermen. Daartoe hadden zij een versterkte woning nodig, die bovendien diende om hun macht tegenover de dorpelingen te beklemtonen. Hier lag de oorsprong van het kasteel van Leefdaal.

Van de oudste stenen gebouwen zijn maar een paar delen overgebleven: een kelder uit het midden van de dertiende eeuw, het benedengedeelte van de grote toren en enkele funderingen.

Op basis van deze resten kan men vermoeden dat de oude versterking vooral bestond uit een hoge woontoren of donjon op een heuvel. Het bouwwerk bezat vermoedelijk vijf niveaus. Van laag naar hoog vond men de voorraadkelder, de toegang en de keuken, het verblijf van de heer, het slaapvertrek van de heer en, helemaal bovenaan, een verdieping van waaruit men het geheel kon verdedigen.

Een of meer dienstgebouwen en een boerderij of ‘neerhof’, beneden de heuvel, tussen de toren en de Voerbeek maakten het complex volledig. Rondom lag een uitgestrekt domein met boomgaard, wijngaard, tuin, twee molens op de Voer en drie vijvers.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

processie-circa-1948-1024x682

Een historische stoet in de kasteeltuin (circa 1948)

De legende van de heilige Verona

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


De legende van de heilige Verona begint bij de tweeling Veronus en Verona. Zij waren de enige kinderen van de Duitse keizer Lodewijck, opvolger van Karel de Grote. Zoals verwacht bezaten zij vele deugden. Hun vader wilde hen op hun zestiende uithuwelijken. Veronus weigerde omdat hij zich wenste toe te wijden aan de dienst van God. Toen de keizer aandrong, ontvluchtte hij het land. Alleen zijn zus wist dat hij zou vertrekken. Ook zij weigerde een huwelijk aan te gaan met de Hongaarse kroonprins. Geleerd door de ervaring drong haar vader niet aan. Kort daarna overleed het keizerspaar. Verona besteeg de troon. Ze verdeelde haar goederen onder de armen en stichtte een religieuze gemeenschap in Veronhove aan de Rijn.

Vijf jaar na de dood van de oude keizer donderden de bomen voor het paleis in westelijke richting neer. Verona wist dat dit geheimzinnige teken de dood van haar broer in het westen aankondigde. Ze vertrok met een ossenwagen op zoek naar het graf. Na een verblijf in Maastricht reisde ze naar Leuven. Niet ver daar vandaan vond ze een kerk op een heuvel. De ossen stopten. De wenk was haar duidelijk: dit moest haar rustplaats worden. Zij stapte het gebouw binnen en vroeg de Heer haar het graf van haar broer te willen aanduiden. Wat gebeurde.

Twee Duitse pelgrims trokken voorbij. Zij herkenden hun keizerin en vroegen haar om drank. Verona stak haar staf in de grond en onmiddellijk welde een bron op die naar haar zou worden genoemd. Verona reisde verder naar Lembeek waar haar broer begraven lag. Na een verblijf van een maand vertrok ze terug naar haar land dat zij verder bestuurde samen met de abdij waar ze verbleef.

Tien jaar later, in 870, voelde de keizerin haar einde naderen. Zij vertrok opnieuw met haar ossenwagen naar Brabant. In Mainz kreeg ze een koortsaanval en stierf. Vooraf had ze gesmeekt haar lichaam op haar wagen te plaatsen en de dieren de vrije teugel te laten. Maar de bisschop en het volk verkozen het stoffelijke overschot als een kostbare relikwie te bewaren. Dit bekwam hen slecht. De plaatselijke Sint-Pieterskerk stortte in en allerlei ziekten teisterden de bevolking. Ten einde raad plaatsten ze het dode lichaam toch op de wagen en lieten de ossen vertrekken.

Dagen later stopte de karavaan in Vroeienberg in Brabant. De inwoners begroeven de heilige keizerin in hun kerkje dat later haar naam droeg. Tot zover de legende.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het Heilig-Hartbeeld op het dorpsplein in Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


IMG_7420De oorsprong van de Heilig-Hartverering ligt wellicht in de Schrift waar het hart staat voor de kern van de persoonlijkheid, voor het diepste innerlijke als bron van gedachten en gevoelens. Het hart van Jezus staat bij de devotie symbool voor zijn liefde. Zij is getekend door de sterk subjectieve visioenen van Margareta Maria Alacoque (1647-1690).

De Sint-Lambertusparochie te Leefdaal heeft decennialang heel wat te maken gehad met de Heilig-Hartverering. Op 30 november 1888 werd een broederschap van het Heilig-Hart opgericht dat op 31 januari 1889 werd vervoegd met het aartsbroederschap te Rome. De Bonden van het Heilig-Hart, zowel van mannen als vrouwen, met hun gezamenlijke maandelijkse communie, bloeiden van 1920 tot 1955, het jaar waarin ze een vlag kregen. Later begon geleidelijk de teruggang.

Op 2 september 1928 wijdde kardinaal Van Roey het Heilig-Hartbeeld in op het kerkplein. Het werd een groot feest met zelfs een duur nachtvuurwerk en een nog duurdere geluidsinstallatie.

Het witgeverfde Christusbeeld is levensgroot en staat op een bol die zweeft op een wolk. Op de bol komen lijdensattributen voor: een kelk, een doornenkroon, een geselroede. Het geheel wordt gedragen door een achthoekige bakstenen sokkel met een arduinen grond- en dekplaat. De Christusfiguur draagt het hart uitwendig op de borst en houdt de armen opengespreid naar het kerkplein toe.

Naar de trant van de tijd is het een vrij traditioneel figuratief beeld. Al te zoeterig is het zeker niet. Het bevindt zich in een ommuurd perkje dat inspringt in het vroegere kerkhof. Uit de oude kerkhofmuur uit 1841 is een stuk gebroken en eerst vervangen door een ijzeren hek dat enkele jaren geleden is vervangen door een bakstenen bloembak. Het beeld is lange tijd overschaduwd geweest door een fraaie linde. Hij is vermoedelijk door kwaadwilligen chemisch gedood. De nieuw geplante boom zal nog lange jaren nodig hebben om zijn voorganger te evenaren.

De Heilig-Hartverering is naar de moderne smaak, die weinig oog heeft voor symbolen, te subjectief, te flauw en houdt te weinig rekening met de sociale dimensie van de godsdienstbeleving.

Een voorontwerp voor de herinrichting van het kerkplein stelt voor de strakke lijn van de kerkhofmuur te herstellen en het Heilig-Hartbeeld elders een plaats te bezorgen. Een eenzame stem pleitte zelfs voor een definitieve verwijdering, zogenaamd wegens de geringe kunstwaarde: een echo van de nefaste beeldenstorm na het tweede Vaticaanse concilie.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het huis van de doktersfamilie Tielemans, Armand Devriesestraat 4

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be. Sinds 2019 het huis opgenomen in de Inventaris van het bouwkundig erfgoed.


olmes1-300x180Op deze plaats stond eeuwenlang het prestigieuze Hof van Schollenberg, een leen van de dorpsheer, dat een bewogen geschiedenis kende. De huidige herenwoning is rond 1850 gebouwd door Franz Tielemans, geneesheer, in zuivere Lodewijk XVI- of classicistische stijl. Alle herinneringen aan de streekeigen, traditionele stijl zijn verdwenen. Geen scherp, hoog dak meer maar een tentdak. De bijgebouwen met het koetshuis zijn typisch voor de tijd van de opkomende burgerij. Na Franz Tielemans bewoonde zijn zoon Louis, eveneens geneesheer, het huis. Beide waren in hun tijd de grote figuren van de Filharmonie, de oudste muziekvereniging van de streek. Een broer van Louis, Justin, was jarenlang burgemeester van Leefdaal.

Rond 1900 wilden de erfgenamen Tielemans een luciferfabriek in de gebouwen installeren. Het project werd gelukkig door graaf de Liedekerke, de kasteelheer, neergesabeld. Op die wijze redde hij de fraaie omgeving van de ondergang.

Uiteindelijk kwam het hele domein in handen van de kasteelheer, die het ter beschikking stelde van een reeks van hoofdzakelijk Franstalige bewoners. Zij bedachten het met verschillende namen, zoals ‘Château des Olmes’ en ‘Les Marronniers’. In de dertiger jaren van de vorige eeuw diende het gebouw, na de brand van het klooster van de Zusters van de H. Jozef, een tijdlang als kleuterschool. De huidige eigenaar, graaf Francois de Liedekerke, liet het gebouwencomplex restaureren. De bepleistering is helaas verwijderd.

Leefdaal telt op zijn Dorpstraat nog ettelijke dergelijke herenhuizen, zij het dat zij niet altijd kunnen bogen op een dergelijke prachtige entourage. Zij geven een beeld van de macht van de burgerij in de tweede helft van de negentiende eeuw.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

  • Opmerking van Johan Morris, 23 mei 2014:
    ‘De eerste bewoners van het huis waren dus dokter Frans Tielemans en zijn echtgenote Catharina Janssens. Zoon Petrus Franciscus trouwde in Tervuren met Maria Timmermans en werd daar dokter. Zoon Ludovicus huwde Elisabeth Ferdinanda De Coster en was eveneens dokter. Redenen genoeg om de straat waar de familie woonde de ‘doktoorstraat’ te noemen, zoals ze in de volksmond nog altijd heet.
    Zoon Justinus huwde Maria Ludovica De Coster – een zus van zijn schoonzus – en was een tijdje burgemeester. Zoon Carolus verkoos het notarisambt.
    Dochter Amelia Maria huwde advocaat Bernardus De Coster, jawel, de broer van de twee schoonzussen. En dochter Maria Josepha Therezia trouwde met Joannes Franciscus Van Hamme, geboren Bertels, aangenomen zoon van J.A. Van Hamme die burgemeester was van 1836 tot 1848 en als dusdanig het reglement van de Jongmansgilde goedkeurde op 6 oktober 1839.
    Het is bijna zeker dat de zonen Tielemans tot aan hun huwelijk deel uitmaakten van de ‘Jefkes’, opgericht voor en door de Leefdaalse high society van die tijd. De ‘wip’ stond trouwens zo goed als in hun achtertuin.’
  • Opmerking van ‘Derom’, 15 april 2016:
    ‘Het hof Schöllenberg/Schaillenberg was een onderleen van de kasteelheer van Leefdaal. De bewoner was geen eigenaar van zijn hof maar de pachter van de heer die op zijn beurt een leenman was van nog een hogere leenheer (leenstelsel, tot Franse revolutie).
    Het geven van een pacht gebeurde meestal als dank voor bewezen diensten of in ruil voor (soms militaire) bijstand en belastingen. De heer op zijn beurt, of zijn voorvader de eerste heer van Leefdaal, had zijn kasteel en leen gekregen van weer een hogere leenheer, hier de hertog van Brabant in de dertiende eeuw. De pachter van een hof was afhankelijk van het kasteel, maar had meestal ook nog eens verplichtingen aan een abdij, kerk of geestelijke waaraan hij tienden te betalen had. Hij had twee meesters die nu rechten en inkomsten claimden. Een leen was overdraagbaar door erfenis of verkoop, of kon gesplitst worden in onderlenen.
    De pachten werden gegeven aan voorname families uit het dorp die er meestal ook een bestuursfunctie bekleedden. Zo woonden de familie Keyaerts, de belangrijkste, die van de drossaard op het grootste en rijkste hof van Leefdaal, het hof ‘Ter Caudyck’, later het Hof van Blijenberg, achter in de Blankaartstraat. Drossaart of meier was toen de naam voor een soort burgemeester die bestuurde in naam van de kasteelheer. De bestuursfuncties meestal in de familie doorgegeven.
    Een zoon en latere meier Guilliam Keyaerts was een van de eerste pachters van het Schollenhof, daarna nam schoonzoon Martinus Vander Elst de functie en woonst over (in de zeventiende eeuw).
    Zo kwam het dat rond 1800 het echtpaar Philippus Vander Elst en Elisabeth Servranckx pachters waren op Schollenberg. Het was een van de grotere hoven. Philippus overleed in 1818 zonder geschikte zoon/erfgenaam. De weduwe was verplicht het hof te verlaten samen met de drie overgebleven (van de acht) jonge kinderen. Het goed werd overgenomen door de eerste dokter van Leefdaal, Frans Tielemans, die de hoeve liet afbreken en er een nieuwe woonst liet bouwen.’

1935: klooster en school branden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be. 


We gaan wat dieper in op de meest indrukwekkende gebeurtenis tijdens de periode van het basisonderwijs in Leefdaal tussen de twee wereldoorlogen, namelijk de brand in 1935 van het klooster van de Zusters van Sint-Jozef en vooral van de kleuter- en meisjesschool. De gebouwen horen nu toe aan de gemeente en herbergen de school, de bibliotheek en de jeugdlokalen.

Toestand voor de brand

Het lager onderwijs in Leefdaal kende rust na de woelige naoorlogse periode. De gemeentelijke jongensschool kreeg in 1929 twee supplementaire klaslokalen. Het plaatsgebrek was hiermede opgelost. Sinds het begin van de twintiger jaren hadden vier vaste onderwijzers het roer in handen: Alfons Adams, Hendrik Kiebooms, Frans Van Mulders en Armand Devriese. In de aangenomen meisjesschool van de zusters van de Heilige Jozef verzorgde een vaste kern van religieuzen het onderricht. Zij waren vooral bekend onder hun kloosternaam, maar officieel noemden ze Maria Josephine Vanden Eynde, Martha Bossaerts, Jeanne Fontaine en Maria Ameryckx.

Het verplichte onderwijs van de zes- tot veertienjarigen, dat aanvankelijk voor enige moeilijkheden had gezorgd, was vlug vrijwel algemeen aanvaard. Het afwezigheidspercentage, permanente en langdurige zieken inbegrepen, bleef laag. Meer en meer ouders raakten overtuigd van het nut van het onderwijs. De economische crisistoestand van de dertiger jaren versterkte dit gevoel.

De brand

Schermafbeelding-2013-03-29-om-20.45.22-300x151

De Volksstem, 15 mei 1935

In 1935 sloeg het noodlot toe. De beveiliging van de elektriciteitsinstallaties was in die tijd verre van ideaal. Door een kortsluiting ontstond brand in het klooster. De zusters merkten hem op. Zelf blussen bleek onmogelijk. De brandweer kwam te laat om te verhinderen dat de vlammen oversloegen naar de schoollokalen. Gelukkig konden alle kinderen in veiligheid worden gebracht en een deel van de inboedel gered. Toch bleef de materiële schade aanzienlijk. Het archief ging volledig in de vlammen op, zodat een groot deel van de kloostergeschiedenis verloren ging.

In afwachting van de wederopbouw vonden de eerstegraadklas en de kleuters een onderdak in ‘Les Marroniers’, het vroegere Hof van Schollenberg (A. Devriesestraat), dat eigendom was van graaf Charles de Liedekerke, de kasteelheer. De overige klassen – tweede, derde en vierde graad – verhuisden naar de jongensschool. De meisjes kregen er onderricht in de namiddag, de jongens in de voormiddag. Tijdens de zomerhitte vroegen de zusters een omwisseling, maar het gemeentebestuur wimpelde het verzoek af. Tenslotte was de keuze oorspronkelijk aan de zusters gelaten.

De geredde meubelen kregen onderdak in de nabije gebouwen van de vroegere brouwerij De Keyn in de Dorpsstraat, die pas waren aangekocht door de familie Verdeyen.

De wederopbouw

De wederopbouw van het klooster, naar een plan van architect Walthère Michel uit Vorst, verliep vlot en duurde nauwelijks een jaar, dank wellicht aan de slabakkende economie en de grote werkloosheid in de bouwsector.

De nieuwe school kreeg het uitzicht dat nog zichtbaar is in het deel van de huidige gebouwen van de gemeenteschool dat grenst aan de speelplaats. De nieuwe lokalen, ruim en goed verlicht, betekenden een grote verbetering ten opzichte van de oude. Ook de brandveiligheid was degelijker verzekerd.

Het financiële plaatje is niet volledig bekend. De gemeenteraad verleende een subsidie van 1500 frank. De gekende facturen liepen op tot 28.797 frank voor nieuwe schoolmeubelen en leermiddelen en tot 15.518 frank voor de herstellingen van de vloeren, voor het schilderwerk en voor de nieuwe ramen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het vroegere gemeentehuis

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be. In 2014-2016 werd het gemeentehuis – op de gevels na – afgebroken en vervangen door appartementen. Naar aanleiding van deze plannen schreef Willy Brumagne in 2012 De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal.


gemeentehuis2-214x300Het vroegere gemeentehuis van Leefdaal is opgetrokken in 1868-1869, samen met het achterliggende gebouw, dat aanvankelijk een school was met twee leslokalen. Klaarblijkelijk heeft het gemeentebestuur gebruik gemaakt van de subsidieregeling voor de schoolgebouwen, om tegelijkertijd een nieuw gemeentehuis op te trekken. Het moest ook dienst doen als woning voor het schoolhoofd en als reserveleslokaal. Op die wijze was een geldelijke tussenkomst van de hogere overheid verzekerd.

De tweede helft van de negentiende eeuw kan men de tijd van het historisme, en in dit geval van het eclecticisme, noemen. De architect liet de meest uiteenlopende vormen, technieken en verhoudingen uit het verleden samensmelten precies alsof zij altijd op die manier hadden bestaan.

Voor de openbare gebouwen nam men vooral de Franse Lodewijk-stijlen als vertrekpunt. Het gemeentehuis bevat elementen van de Lodewijk XV-stijl, het rococo, de Lodewijk XVI-stijl en het classicisme. Tot de eerste groep behoren de middenrisaliet met het klokvormige fronton en de steekbogen boven de deur en vensters. De strakke regelmaat en symmetrie van de voorgevel heeft men eerder van de neoclassicistische herenhuizen overgenomen.

Het geheel had allure, vooral tussen de toenmalige lage woningen. Dat was de bedoeling. Het gebouw moest het gezag en de uitstraling van het bestuur beklemtonen door zijn pronkgevel, zijn statige buitentrap en toegang en de fraaie binnentrap. Dit gemeentehuis is een van de best gelukte tussen de vele die destijds in de dorpen zijn gebouwd.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

postkaart-circa-1901

Het lager onderwijs in Leefdaal tussen de twee wereldoorlogen

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


De organieke wet op het lager onderwijs van 19 mei 1914 had de leerplicht ingevoerd voor de zes- tot veertienjarigen. Tijdens de oorlog en tijdens de eerstvolgende jaren liep de uitvoering van de wet van geen leien dakje. Daarom verscherpte de wet van 18 oktober 1921 het toezicht op de leerplicht. De tegenkantingen bleven bestaan. In de jaren die volgden liepen vele ouders uit Leefdaal flinke boeten op. De houding was enigszins begrijpelijk bij de arme, hardwerkende bevolking, maar legde een zware hypotheek op de toekomstkansen van de kinderen.

Het lager onderwijs was een gemeentezaak. Dat betekende niet dat het kon rekenen op een bevoorrechte behandeling vanwege het bestuur. Het volgde de opinie van (een belangrijk deel) van de kiezers. Het zag de hoge waarde van het onderwijs voor het volkskind niet in. Bovendien was zijn grootste zorg het strikt beperken van alle uitgaven en van de belastingheffing.

Voor alle duidelijkheid moet gezegd dat te Leefdaal na de Eerste Wereldoorlog twee scholen bestonden: de gemeentelijke jongensschool en de aangenomen meisjesschool van de Zusters van de H. Jozef.

De jongensschool

Twee graadklassen (een graadklas omvat twee leerjaren) huisden in de lokalen achter het gemeentehuis, die gedwongen door een speciaal Koninklijk Besluit in 1868 waren gebouwd. Een derde klas was ingericht in het gemeentehuis zelf. Alle vertrekken waren overbevolkt. De kantonale schoolopziener eiste in 1919 dat een derde, lang beloofde klaslokaal onverwijld moest worden gebouwd.

Het gemeentebestuur vond een ‘voorlopige’ oplossing. In 1920 maakten de zusters ruimte voor een vierde lagere klas in hun klooster, een gemengde klas voor meisjes en jongens tot acht jaar. Voor het bestuur was het een prima oplossing, voor de opziener niet. In 1924 drong hij nogmaals aan op de bouw van de nodige klaslokalen: ‘Dit is het enige doeltreffende middel om den ellendige toestand te verhelpen.’ Bovendien herinnerde hij eraan dat het bestuur wettelijk verplicht was een (afzonderlijke) vierde graadklas voor dertien- en veertienjarigen in te richten.

Het antwoord van het bestuur was duidelijk: ‘gezien de tijdsomstandigheden is het onmogelijk aan nieuwe schoollokalen te kunnen denken’, terwijl ‘een vierde graad van weinig nut was omdat de bevolking grotendeels uit landbouwers bestond’. De provinciegouverneur bleek niet akkoord met de argumentatie. In een ongemeen scherpe brief van 14 juni 1927 eiste hij voor 15 juli een definitief besluit omtrent de bouw van nieuwe klaslokalen, zo niet ‘laat ik het onderwijs gans ten laste van de gemeente’. Als de bedreiging sloeg op de provinciale subsidie, dan betekende het een kleine ramp voor de gemeente; indien ook de betaling van de wedden door de Staat zou worden geschorst dan was het een ware catastrofe. Het schikbeeld van een dergelijke financiële aderlating bleek afdoende. In 1929 bouwde Frans Roeykens uit Vossem, naar een plan van architect Jan Dewit uit Heverlee, twee bijkomende klaslokalen achter het gemeentehuis.

achter-gemeentehuis-leefdaal-2011

De schoollokalen achter het gemeentehuis (2011)

Het schoolpersoneel

Jan Frans Debondt was in 1918 hoofdonderwijzer in de jongensschool. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij een bedrijvig activist die koos voor samenwerking met de Duitse bezetter. Hij werd prompt uit zijn functie ontzet. De gemeenteraad benoemde Alfons Adams, sinds 1913 onderwijzer, tot schoolhoofd. Ook hij was activist geweest. De gemeenteraad bleef hem echter steunen, ook nadat een Koninklijk Besluit van 3 november 1919 hem ter beschikking stelde. De tuchtstraf werd twee jaar later ingetrokken en Adams werd opnieuw hoofdonderwijzer.

Ondertussen hadden een aantal jonge leerkrachten een tijdlang in Leefdaal lesgegeven, maar zij verdwenen vlug naar andere oorden. De raad benoemde in 1921 Hendrik Kiebooms tot onderwijzer. Een jaar later volgde Frans Van Mulders. Ten slotte vervolledigde Armand Devriese het viertal dat tot de Tweede Wereldoorlog het beeld van de jongensschool bepaalde.

De meisjesschool

De meisjesschool huisde in het klooster van de Zusters van de Heilige Jozef. Na 1920 moesten zij in 1930, bij de installatie van een vierde graadklas voor de meisjes, opnieuw een vertrek vrijmaken. Het gemeentebestuur huurde de lokalen, maar zijn geldelijke tussenkomst bleef gewoonlijk aan de karige kant.

In 1935 sloeg het noodlot toe. Door een kortsluiting ontstond brand in het klooster. Hij bereikte snel de schoollokalen. De schade was enorm. Alles moest worden hersteld. De wederopbouw duurde een jaar, maar het schoolarchief was reddeloos verloren. Een aantal meisjes uit de lagere school vonden voorlopig onderdak in het gemeentehuis; de kleuters en de eerste graadklas in de ‘baronie’ in de huidige A. Devriesestraat. De wolk had een gouden randje. De nieuwe lokalen betekenden een verbetering ten opzichte van de oude. Na wat aanvankelijk personeelsverloop bleef een vaste kern van vier religieuzen onderwijs verstrekken tot bij het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Einde van het tijdperk

Tijdens de late dertiger jaren werden de tekens van een naderende crisis in het dorpsonderwijs duidelijk. Vooral de jongensschool bleek getroffen. De oorzaken waren velerlei. De bijzonderste was waarschijnlijk de aantrekkingskracht van de grote stadsscholen. Hun basisonderwijs gaf een betere voorbereiding op voortgezet onderwijs. In minder dan twintig jaar was de publieke opinie ten aanzien van het onderwijs grondig veranderd. Na hun plechtige communie verlieten de jongens massaal de dorpsschool om verder te studeren in de stad. Het meisjesonderwijs ontsnapte aanvankelijk gedeeltelijk aan de nieuwe trend. Het was degelijk, rekening gehouden met zijn doelstelling: opvoeding tot goede huismoeders. De ideeën hieromtrent zouden vrij vlug veranderen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)