Ons Leuven over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal

Tijdens de jaren 1920 werden verschillende lokale katholieke kranten opgericht. Zo bestond er Ons Tienen. Orgaan der katholieke partij van Tienen en omstreken en Ons Tervuren. Katholiek Vlaamsche weekblad voor Tervuren, Duisburg, Vossem, Everberg en omstreken. Toevallig konden we enkele nummers inkijken van nog een ander blad, Ons Leuven. Katholiek weekblad voor Leuven en omstreken. Deze krant verscheen voor het eerst in juli 1928, maar verwaterde al snel tot een politiek pamflet. Tijdens de eerste twee jaren van haar bestaan publiceerde ze allerhande artikeltjes over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal. We kozen er enkele uit.

krant.jpg

BERTHEM. – Vandalenstreek. – Vorige nacht, werd aan het bekend rijwielmakershuis E. Meeus, Alsemberg, alhier, de kostbare gummidarm, ter waarde van 400 fr., dienende op de naftavergaarbak voor auto’s, doorgesneden, waardoor een massa benzine verloren liep. Een streng onderzoek is ingesteld. (7 oktober 1928)

CORBEEK-DYLE. – Zooals door ons aangekondigd, werd Zondag het beeld van de H. Theresia van ’t Kindje Jezus, op luisterrijke wijze gewijd en ingehuldigd. Reeds van 1 ½ uur vormde zich een praalstoet in de Broekstraat, grensscheiding van Heverlee en Corbeek-Dyle. Vervolgens toog deze stoet, bestaande uit groepen, verkleede ruiters, padvinders, H. Hartbonden, Boerengilden, muziek- en andere maatschappijen, maagdekens en gekostumeerde groep, verbeeldende het lijden van O.L.H., enz., door het puik versierde dorp. Ook het groote beeld van de lieve heilige Theresia en een praalwagen, puik ingericht, waar de Heilige Theresia verbeeld werd door een lief, braaf meisje van de gemeente. De geestelijkheid sloot den stoet.

Overal had men om het meest geijverd en gewerkt om huizen en straten te versieren en te bevlaggen. Tientallen zegeboogen waren opgericht. Het volk was van alle kanten toegestroomd, daar het puik weder als weggeleid scheen voor dit feest.

Door Mgr Quinius Nols, Prelaat der abdij van Park (Heverlee), bijgestaan door eenige E.H. Kanunnikken derzelfde abdij, werd op een prachtig verhoog, de stoet in oogenschouw genomen. De Hoogw. Prelaat zegende het volk en inzonderheid de kleine kinderen. Z.H.W. volgde dan met mijter en staf, den stoet en ging vervolgens over, in de kerk, tot de wijding van het groote beeld van de H. Theresia. Lof volgde met sermoon, en de lieve kerk was stampvol. In een woord, het was meer dan een feestdag te Corbeek-Dyle – het was een Hoogdag – De brave bevolking haalt eer van de versiering. (21 oktober 1928)

krant

Reclame in het nummer van 22 juli 1928

LEEFDAEL.  – Wij maakten melding van de brutale aanranding op den eenzamen weg Berthem-Leefdael (gehucht Ste-Vroene) van het 16-jarig meisje B…, van Berthem, die ’s avonds alleen huiswaarts ging en benevens de kapel van Ste-Veronika, te Leefdael, op ’t onverwachts aangevallen werd door zekeren V…, van Leefdael, een slecht befaamde kerel. Daar de klacht niet onmiddellijk ingediend werd, kon het gerecht ook niet eerder ingrijpen. Gedurende het ingestelde onderzoek, waarbij tal van getuigen naar Leuven geroepen werden, bleken de feiten nogal bezwarend voor den dader, die dan ook ingerekend werd en gevankelijk te Leuven werd gevoerd Dinsdag morgen. Het is voor de bevolking aldaar als een ontlasting en die zaak wordt druk besproken. Het onderzoek duurt steeds voort. (21 oktober 1928)

LEEFDAEL. – Baankoers.  – Heden Zondag, 11 Oogst, zal alhier, door de club “De Snelle Wielrijders”, lokaal “Casino”, bij A. Van Esch, een baankoers voor alle onderbeginnelingen ingericht worden over een afstand van 50 km. goede wegen, 600 frank geldprijzen worden uitgeloofd. Inschrijvingen bij Van Esch, tot aan ’t vertrek der koers te 14 ½ uur. (T.) (11 augustus 1929)

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

Advertenties

Het Hof van Rooclooster in Vroeienberg

De hoeve van Rood Klooster in Sint-Verone[1]

De priorij van Rooclooster

Rooclooster ligt in Oudergem midden een sliert vijvers in de hoek gevormd door de Waversesteenweg en de Tervuursesteenweg. In het midden van de veertiende eeuw woonde hier een kluizenaar die weldra het gezelschap kreeg van gelijkgezinden. Hertogin Johanna van Brabant schonk hen een stuk grond. De kluizenaars bouwden er enkele huisjes en een kapel. Weldra volgden andere schenkingen van de hertogelijke aristocratie.

De kluis werd in 1373 aan Paulus toegewijd. De bewoners namen de regel van Augustinus aan. Zij werden ‘reguliere kanunniken van Sint-Augustinus’ en sloten aan bij het kapittel van Groenendaal. Groenendaal trad later toe tot het kapittel van Windesheim waarvan de spiritualiteit lange tijd een diepe invloed uitoefende op het religieuze, morele en intellectuele leven in onze streken. Rooclooster werd geen abdij, wel een priorij onder de leiding van een prior.

De eerste eeuwen van de priorij waren gekenmerkt door geloofsijver en materiële welstand. De Bourgondische hertogen (1406-1515) bevestigden de privilegies van de priorij, maar verdere giften bleven uit. Keizer Karel V en zijn Spaanse opvolgers (1515-1713) bleven de kloosterlingen beschermen, vooral tijdens de godsdienstoorlogen die een einde maakten aan de bloei. De periode van de Contrareformatie (1600-1670) bracht opnieuw welvaart.

Gezicht op de priorij van Rooclooster. L. De Vadder, ongedateerd, zeventiende eeuw.

Gezicht op de priorij van Rooclooster.
L. De Vadder, ongedateerd, zeventiende eeuw.[2]

De Oostenrijkse Nederlanden (1713-1796) betekenden het begin van de teleurgang van Rooclooster. De werkelijke of vermeende rijkdom van de religieuze gemeenschappen was hoe langer hoe meer een doorn in het oog van de machthebbers. In 1750 moest Rooclooster 4000 gulden bijdragen tot de wederopbouw van het Brusselse hertogelijke paleis dat door een brand was verwoest. De priorij kon het probleem oplossen door de verkoop van een aantal goederen.

Een verordening van keizerin Maria-Theresia van 16 september 1753 bevestigde het voorheen – al in de zestiende eeuw- aan de religieuze instellingen opgelegde verbod om zonder toelating goederen te verwerven. Kloosterbezittingen waren ‘van de dode hand’, werden nooit vererfd, wat erg nadelig was voor de vorstelijke financies. De monniken gebruikten hun gelden voortaan voor de gehele of gedeeltelijke vernieuwing van hun gebouwen.

Keizer Jozef II hief Rooclooster op 13 april 1784 als ‘onnuttig’. De kloosterlingen keerden terug naar ‘de wereld’; hun goederen werden in beslag genomen. De openbare verkoop was voorzien voor 1789. De Brabantse omwenteling herstelde nog eventjes de vroegere toestand. Achttien kanunniken hervatten in 1790 het gemeenschapsleven in vervallen en deels verwoeste gebouwen. Het bleven troebele tijden. Het moreel was laag. Spoedig begonnen de uittredingen. In 1794 trof een Franse militaire contributie Brussel. Het deel ten laste van Rooclooster bedroeg 25.000 Franse ponden.[3] Om hieraan te voldoen moesten ijlings, ver beneden hun waarde, gronden onder meer in Bertem en Leefdaal worden verkocht.

Op 13 augustus 1796 schafte de Franse bezetter de priorij definitief af. Gebouwen en landerijen vielen ten prooi van speculanten. De kerk brandde in 1834 volledig uit. Ten slotte verwierf de Belgische Staat in 1910 het vroegere kloosterdomein. De overblijvende gebouwen zijn sinds 1965 beschermd. In het vroegere priorkwartier zijn nu een kunstcentrum, een infocentrum voor Zoniënwoud en een café ondergebracht.

Het Hof van Rooclooster in Vroeienberg

Naast de hoeve bij de priorij verwierf Rooclooster in de vijftiende eeuw twee pachthoeven: ‘Ten Broeck’ in Sint-Genesius-Rode en een in Vroeienberg. De laatste lag aan de Bertemse noordelijke oever van de Voer vlak bij de grens met Leefdaal: ‘naest de Voer ten Ie, het Cuyperstraetken ten IIe en een cleyn straetken aen Cousmaecker block ten IIIe’. Op de huidige kaart van Bertem zou men de hoeve vinden aan de Molenstraat, tussen de vroegere molen van Sint-Verone en de Kuipersberg.

De eerste vermelding van het hof in Vroeienberg dateert uit 1421. Het bezat in 1437 in Bertem, Meerbeek en Leefdaal ongeveer 55 bunder[4] land, bos en weide en twee wijngaarden. De totale oppervlakte zou weinig veranderen tot bij het einde van het ancien régime. Het was een belangrijk bedrijf. Het leverde in 1437 de voorzitter van het Bertemse cijnshof. In 1504 ging dit presidentschap over naar de heer van Chièvres en van Heverlee. In 1526 behoorde het bedrijf formeel tot de eigendom van Rooclooster.

Rond 1600 bestond de hoeve uit drie afzonderlijke gebouwen opgesteld in U-vorm. In 1760 bleek ze uitgegroeid tot een volwaardige vierkanthoeve in vakwerk en met pannen gedekt. Een gebouwtje, wellicht het bakhuis, stond afgezonderd. De hoeve beschikte over een vijver.

Vroeienberg 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Vroeienberg in 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster. [5]

Pieter-Jozef Stroobant pachtte de hoeve in 1784 met ruim 55 bunder land, bos en weide. De jaarlijkse pachtprijs bedroeg 540 gulden plus allerlei leveringen en karwijen met een bijna even grote tegenwaarde. De gronden strekten zich uit onder Bertem en Leefdaal, en voor een minder belangrijk gedeelte, onder Meerbeek en Korbeek-Dijle. Het bosareaal was ongeveer zes bunder groot.

Om de Franse militaire contributie van 25.000 Franse ponden[6] te voldoen diende de priorij ijlings, ongeveer dertig procent onder de werkelijke waarde, een twaalftal percelen, ruim acht bunder, onder Bertem en Leefdaal te verkopen.[7]

Sint-Verone in 1759. Deel dat behoorde bij het hertogdom Aarschot  Het westen ligt bovenaan. Van oost naar west (op de kaart van onder naar boven) achtereenvolgens: de molen (“moulin”), drie gebouwen, het hof van Rooclooster (vierkantshoeve met afzonderlijk bakhuis en vijver), een belangrijk gebouw en de hoeve van Sint-Verone. De originele kaart is gekleurd wat toelaat de bouwmaterialen van de constructies te identificeren.

Sint-Verone in 1759. Deel dat behoorde bij het hertogdom Aarschot. Het westen ligt bovenaan. Van oost naar west (op de kaart van onder naar boven) achtereenvolgens: de molen (‘moulin’), drie gebouwen, het hof van Rooclooster (vierkantshoeve met afzonderlijk bakhuis en vijver), een belangrijk gebouw en de hoeve van Sint-Verone. De originele kaart is gekleurd wat toelaat de bouwmaterialen van de constructies te identificeren.[8]

De aftakeling

Na de definitieve opheffing in 1794 kwamen de goederen van de priorij in Bertem en Leefdaal in dertien zittingen onder de hamer. Het geheel bracht 38.387 frank op.

De bossen, ruim zes bunder, die in 1798 als eerste te gelde zijn gemaakt, haalden een prijs van 2025 frank. De koper was een Parijzenaar die klaarblijkelijk erg goed op de hoogte was van de lage prijzen die golden bij de massale verkopen van kerkelijke goederen.

De landbouwgrond, ruim 28 bunder, verdeeld over veertien percelen leverde ongeveer 27.000 frank op. Gemiddeld was dat zowat 950 frank per bunder. Tegenover de periode 1786 tot 1793 lag deze prijs bijna de helft lager.[9] Het aanbod van kerkelijke goederen, zelfs gespreid over verschillende jaren, bleef immens groot, terwijl het aantal kopers om ideologische en ook om financiële redenen beperkt bleef. Een ideale toestand voor rijke speculanten die de kans zagen enorme winsten te maken. De landbouwgrond van het vroegere Rooclooster in Bertem en Leefdaal kwam vooral in handen van burgerij uit Leuven, Brussel, Parijs en Tienen, in die volgorde van belangrijkheid. Een van de kopers was Jacques Marischal uit Brussel die ook de Sint-Medardushoeve in Bertem verwierf en ze vlug opnieuw met winst verkocht.[10]

Een paar plaatselijke medewerkers van de Fransen namen deel aan het feest: Jean-François Vander Elst, maire van Leefdaal van 1800 tot 1805, en Guillaume Vandertaelen, ‘officier de santé’ uit Tervuren. Louis Van Hoof en Henri Vrebosch, beiden uit Sint-Verone, kochten land dat zij al pachtten.

De meest aantrekkelijke transactie deed Louis-Joseph Landeloos uit Leuven die de hoevegebouwen en de omliggende gronden in 1800 verwierf voor 9.350 fr.: ‘een hoeve met koe- en paardenstal, schuur, en vijftien bunder grond’ (vertaling). Het verkoopsaffiche preciseerde: ‘huis, kamers, kelder, schuur, koe- en paardenstal, bergplaats, bakhuis en andere gebouwen. Opgetrokken in baksteen behalve de schuur en de bergplaats. De grond waarop de gebouwen zijn opgetrokken en een terrein dat in het zuiden paalt aan de Voer beslaan zowat een bunder’ (vrije vertaling).

De familie Landeloos bezat nog in 1910 goederen in Sint-Verone. De hoevegebouwen zijn van de aardbodem verdwenen. Niets is gebleven tenzij wat aantekeningen in stoffige folianten. Wanneer zij zijn afgebroken is onbekend. In de atlas van de buurtwegen uit het midden van de negentiende eeuw komen ze niet meer voor.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Bibliografie

W. Brumagne (2001), De Veronewijk en haar Kruiskapel. Bertem-Leefdaal, Nieuwkerken-Waas: Het Streekboek.

A. Maes (1980), ‘Deux siècles dan la vie de Rouge-Cloître 1780-1980’, Le Folklore Brabançon, juin 1980.

Idem (1983), Sur les traces des chanoines réguliers de Rouge-Cloître, Brussel, 1983: Créadif.

Idem (1987), ‘De priorij van Rood Klooster’, Het Zoniënwoud. Kunst en geschiedenis van oorsprong tot 18de eeuw (Europalia 87 Österreich), Brussel: Royale belge, p. 213-215.

Idem (1992), Rouge-Cloître. Son domaine foncier, ses revenus, ses charges, Brussel: Ed. du Cercle (met de identificatie van alle oorspronkelijke documenten, die niet expliciet in deze tekst zijn vermeld).

J.F. Van der Auwera (1972), Simpele waerheyd. Kroniek van Roklooster (1777 – 1809), uitgegeven door A. Maes, Pittem: Veys.

Noten

[1] ‘Rooclooster’ is de oude naam van de priorij waarvan sprake in deze tekst. Nu schrijft men meestal ‘Rood klooster’. ‘Rood’ zou volgens de legende verwijzen naar de rode kleur van de primitieve gebouwen. Veel waarschijnlijker verwijst: ‘Rood’, ‘Rode’ of ‘Roo’ naar een ontboste, gerooide plek in het bos. In het Brabantse dialect als ‘rooi’ uitgesproken. De oude benaming ‘Rooclooster’ is consequent gebruikt. ‘Vroeienberg’ is de oorspronkelijke naam van de huidige Veronewijk. De naamverschuiving is uitgelegd in Brumagne (2001), p. 14. De naam ‘Vroeienberg’ is gebruikt tot hij volledig verdween uit de onderliggende documenten.

[2] Maes (1987), p. 217.

[3] Het Franse pond tournois was 0,5444 gulden Brabants waard. Enig inzicht in de huidige waarde geeft het toenmalige dagloon van een volwassen mannelijke arbeider: een halve gulden per dag.

[4] De omzetting van ‘bunder’ in moderne landmaten is onmogelijk zonder aanvullende inlichtingen over het gebruikte systeem (bijvoorbeeld Brusselse of Leuvense maat). Bovendien is de oppervlakte van de landerijen niet altijd precies aangeduid in de akten. Men mag aanvaarden dat een bunder in Bertem en Leefdaal ietwat groter was dan een hectare.

[5] B. Minnen (1993), Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595 – 1612). Kadasters en gezichten, Brussel: Gemeentekrediet van België, plaat 81, p. 264.

[6] Een Franse frank was 0,4725 gulden Brabants waard . Zie ook noot 3.

[7] Algemeen Rijksarchief, Kerkelijk archief Brabant, nummer 16.264. Zie ook noot 9.

[8] E. Van Ermen ed. (1998), De wandkaarten van het hertogdom Aarschot 1759-1775, opgesteld in opdracht van de hertog van Arenberg, Brussel: Algemeen Rijksarchief, deel Heverlee 2 (partim). Zie ook Brumagne (2001), p. 27-29.

[9] De vergelijking is gemaakt met de verkopen die 1786 tot 1793 in Leefdaal . Bron: Algemeen Rijksarchief, Heerlijkheden, nummer 1055: akten van willige rechtspraak, 1786-1793.

[10] S. Van Lani (1999), Abdij van ’t Park. Pachthoeven en landbouwdomein, Heverlee: Vrienden van de abdij van ’t Park.

Het verhaal van het meisje Alfonsine

vandenbossche

Alfonsine (rechts op de foto) naast haar oudere zus Isabelle

Het meisje Alfonsine en haar familie

Alfonsine Vandenbosch werd geboren op 20 maart 1931. Zij woonde in mei 1940 bij het begin van de vijandelijkheden in België met haar ouders Jules en Marie Arsène Demares, een broertje en twee zusjes in Heverlee. Zij had pas samen met haar oudere zus haar plechtige communie gedaan. Normaal was dat een paar jaar te vroeg. Het aartsbisdom had toch de toelating gegeven om het feest samen met haar zus te vieren. Kostenbesparing natuurlijk want het grote gezin kon de centen gebruiken. Vader Jules was cipier in de Leuvense gevangenis. Begin mei kreeg hij de opdracht gevangenen te vergezellen die per trein naar Frankrijk werden gebracht.

Het drama

Op 14 mei 1940, in het vooruitzicht van een zware veldslag aan de Dijle, beval de overheid Leuven en omliggende gemeenten volledig te ontruimen. Moeder Vandenbosch zag zich verplicht met haar kroost en haar ouders met de fiets – en te voet – te vertrekken naar familie in het Brusselse. Om de kleintjes te paaien gingen de communiekleedjes mee als bagage.

In Leefdaal op de Tervuursesteenweg nabij het huis van de weduwe Weygants-Van Herck – nu nummer 385 – kwam het gezelschap terecht in een bombardement door een formatie Duitse vliegtuigen. De oudste twee kinderen doken onder in de gracht naast de weg enigszins beschermd door hun fietsjes. De rest trachtte op uitnodiging van de bewoners aan de overzijde een schuilplaats te bereiken.

Fatale misrekening. Een bom trof het huis. Het moest later worden afgebroken. Verschillende hoevedieren verloren het leven. Het was een zware opdoffer voor een gezin dat het zeker niet breed had. Deze zorgen verbleekten toch voor het leed van het gezin Vandenbosch. Het meisje Alfonsine verloor het leven. Een bomscherf rukte een deel van haar hoofdje af.

De toestand was dramatisch. Britse militairen bleven aandringen op een snelle ontruiming. Een paar inwoners uit het dorp zetten zich ijlings in voor een voorlopige oplossing. De schrijnwerkers Alfred en René Stuyck timmerden vlug een primitieve lijkkist. Het kindje werd samen met het stoffelijke overschot van de eveneens doodgebombardeerde smid Alberic Huyberechts in dezelfde kuil op het kerkhof begraven. De familie Vandenbosch vervolgde troosteloos haar weg naar de familie in het Brusselse.

De afwikkeling

De slag aan de Dijle duurde amper een paar dagen. Toen moest het Britse expeditiekorps terugtrekken om een omsingeling te vermijden. Duitse pantsers waren doorgebroken in Sedan (Frankrijk). De vluchtelingen in het Brusselse konden na enkele dagen weer naar huis. Voor vader Vandenbosch in Frankrijk was dat niet het geval. Hij vernam de dood van zijn dochtertje pas bij zijn terugkeer enkele weken later.

Het kinderlijkje werd enkele dagen later stiekem opgegraven en bedekt met wat stro in een melkkar naar Heverlee overgebracht. Op 15 augustus 1940 om 8 uur had een herdenkingsmis plaats. Het doodsprentje getuigt van “onderwerping aan Godswil” geheel in overeenstemming met de heersende christelijke “gelatenheid”. Het verdriet van de familie was er niet minder om. Bijna zeventig jaar later kunnen broer en zusters Vandenbosch nog ontroerend vertellen over het meisje Alfonsine dat altijd negen jaar is gebleven.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal

Geplande werken

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal is betrokken bij de belangrijke werken die doorgaan in samenwerking tussen de gemeente Bertem en een private partner. Volgens de folder die het gemeentebestuur verspreidde zal “de private partner een tiental nieuwe appartementen bouwen in, naast en achter het oude gemeentehuis. Dit zal gebeuren met veel respect voor het oude gebouw; alle gevels blijven behouden en het gebouw wordt verbouwd. Voor de bewoners worden ondergrondse parkeerplaatsen voorzien. De bouwwerken beginnen pas na de verhuis van het OCMW naar het sociaal huis (in Bertem) en na de ingebruikname van het gemeenschapshuis (achter het oude rijkswachtgebouw)”. De oude schoollokalen achter het vroegere gemeentehuis verdwijnen.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

Een school

De oorspronkelijke bestemming van de site was een nieuwe gemeenteschool. De oude bij de kerk was volkomen ongeschikt geworden. Het gemeentebestuur, enkele rijke pachters, bleek lange tijd niet bereid hieraan te verhelpen. Het vond het blijkbaar onnodig veel geld te besteden voor het onderwijs van de (arme) kinderen. Zij moesten zo spoedig mogelijk aan het werk om de schamele gezinsinkomens wat op te krikken. Het gemeentebestuur weigerde dan ook pertinent een degelijke school te bouwen, ook als het wettelijk een verplichting werd, met als excuus “geen geld”. De liberalen die in 1857 nationaal aan de macht waren gekomen zagen het anders. Zij mikten op arbeiders met een basisopleiding voor de opkomende industrie.

Dus greep de provinciegouverneur in. Op zijn vraag ondertekende de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 juni 1964 een koninklijk besluit dat de gemeente Leefdaal verplichtte een nieuwe school te bouwen en subsidies beloofde. Het gemeentebestuur reageerde met langzame spoed. Het onteigende op 22 mei 1866 een bouwterrein van 18 are 70 centiare en betaalde hiervoor de som van 1.496 frank. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 30 oktober1866 benoemde de regering de nipt verkozen liberaal Justin Tielemans tot burgemeester. Hij was een grote voorstander van het overheidsonderwijs en heeft zich zeker ingespannen om de bouw van de nieuwe school te bevorderen. Louis Van Arenbergh, de provinciale bouwmeester voor het arrondissement Leuven, werd de architect. De totale kostprijs bedroeg met de meubilering ruim 32.000 frank. Het lijkt nu een peulschil, maar een mannelijke landarbeider verdiende toen ongeveer een frank voor een lange werkdag; vrouwen en kinderen nog veel minder. De bouw was vrijwel afgewerkt in juli 1869.

Het gemeentebestuur kreeg een financiële dobber te verwerken. Al verleende de Staat en de provincie ruime subsidies toch moest de gemeente een lening van 8.000 frank aangaan die hoofdelijk en solidair gewaarborgd was door de burgemeester en de twee schepenen. De belastingen verhoogden. Op 13 oktober 1868 werd beslist zestien opcentiemen op de grond- en personenbelasting te heffen. De belasting bleef jarenlang bestaan en werd later verzwaard.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Gemeentehuis en onderwijzerswoning

Het meest in het oog springende deel van de nieuwe bouw bleken niet de schoollokalen te zijn, maar een gemeentehuis met woongelegenheid voor het schoolhoofd. Het had het statige voorkomen van een rijke-burgerswoning, de droom van elke rechtgeaarde welgestelde. Alles was bedoeld om de uitstraling van de gemeentelijke overheid te beklemtonen met aan de buitenzijde een pronkgevel versierd met zandsteen en een trap met het begin van een bordes. Binnen kwam een mooie statietrap en een grote raadszaal, die vooral diende voor huwelijkensluitingen en andere plechtigheden. Het hoge, symmetrische gebouw maakte grote indruk midden de lage dorpswoningen. Aan de behoeften van de administratie was minder gedacht. Geen zorg; er bestond nauwelijks enige administratie. Verborgen achter het hoge gebouw stonden twee klaslokalen. Rare jongens in Leefdaal? Toch niet. In het ganse land staan vele tientallen dergelijke pronkerige gemeentehuizen annex schoolgebouwen. De regering bevorderde stilzwijgend de bouw.

Het was niet te verwonderen dat het grote gebouw in de loop van de jaren vele nevenfuncties vervulde. De schoolhoofden of in het midden van de vorige eeuw de gemeentesecretaris, bewoonden de westelijke vleugel. Andere lokalen deden lange tijd dienst als dodenhuisje, als medisch kabinet voor de gezondheidsonderzoeken van de schooljeugd en, erg tegen de zin van de schoolinspectie, als leslokaal. Dat bleek nodig omdat het eigenlijke schoolgebouw vlug te klein bleek. Een uitbreiding met twee klaslokalen kwam pas in de late jaren twintig van de vorige eeuw.

Vanaf de tweede wereldoorlog zijn de meeste vertrekken van het hoofdgebouw geleidelijk in gebruik genomen voor gemeentelijke functies. Sinds de fusie van 1976 huisvest het gebouw de diensten van het OCMW van de nieuwe gemeente Bertem. Ondanks verschillende restauraties bevindt vooral het westelijke gedeelte zich in een ellendige staat. Na de samenvoeging van de beide gemeentescholen vonden de muziekmaatschappijen en een paar andere plaatselijke verenigingen een toevlucht in de vroegere schoollokalen.

Epiloog

In het vroegere gemeentehuis en in de schoollokalen heeft zich heel wat dorpsgeschiedenis afgespeeld, blijde gebeurtenissen, zoals huwelijken, en tragische, zoals de mislukte aanslag op de oorlogsburgemeester in 1944. De grote kelders hebben in hetzelfde jaar als voorlopige gevangenis gediend voor Duitse krijgsgevangenen en opgepakte “collaborateurs”. Na de fusie bleven de gebouwen voor vele inwoners symbolen van de vroegere zelfstandigheid van het dorp. Op 12 december 2002 had een informatievergadering plaats over de toekomst van het hele complex. Het schepencollege leek te opteren voor afbraak en nieuwbouw. De meeste toehoorders hadden het er moeilijk mee. De muziekmaatschappijen vreesden voor ruimtegebrek. De huidige oplossing vindt men bij het begin van deze tekst.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Meer informatie: W. Brumagne, “Leefdaal 1867-1868, De gemeente bouwt een school met afhankelijkheden”, De Horen, driemaandelijks ledenblad Koninklijke Heemkundige Kring Sint-Hubertus (Tervuren-Leefdaal), 2004/4, p. 160-167 en 2005/1, p. 31-32.

Een crypte in de kerk van Leefdaal. Begraafplaats van de families Helman en Jan van Brouchoven

Sint-Lambertuskerk

Onder het plaveisel van de Sint-Lambertuskerk schuilt een grote verrassing.

De familie Helman

De geschiedenis van Filip Helman, schepen van Antwerpen, is die van alle belangrijke kooplieden uit zijn tijd. Naast politieke ambities hadden zij de zorg een domein te verwerven dat hun familie tegen de hongersnood moest beschermen, en dan liefst een heerlijkheid om hun aanspraak op een adel-titel kracht bij te zetten. In de zeventiende eeuw waarin de vorsten en een aantal oude adellijke families bijna chronisch met geldgebrek worstelden bereikten vele nieuwe rijken hun doel. De vorst schonk hen, vooral om het te betalen patentrecht, een adeltitel.

Filip Helman kocht in 1660 de heerlijkheden Leefdaal en Vossem van Maximiliaan van Merode, markgraaf van Deinze, een paar van de domeinen die het geslacht in de loop van de eeuwen verzamelde. Helman bestemde zijn aanwinsten voor zijn dochters Maria Agnes (Leefdaal) en Anna Francisca (Vossem). Maria Agnes overleed jong. Daardoor kwamen beide dorpen in handen van haar zuster bij haar huwelijk op 20 december 1672 met Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck.

Jan van Brouchoven

Jan van Brouchoven

Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck, in parade-uniform, met pruik. De overlevering wil dat de Franse (zonne)koning Lodewijk XIV aan de basis lag van dit gebruik. De pruik bracht een oplossing voor zijn haarverlies. Alle heren van stand volgden de nieuwe mode.
Schilderij in het bezit van de familie de Bergeyck. Kopieën zijn te vinden op het departement van de Belgische eerste minister en op het kasteel van Leefdaal.

Jan van Brouchoven werd op 9 oktober 1644 in Antwerpen geboren uit een verhouding, later gereguleerd door een geheim huwelijk, van zijn vader Jan Baptist (1619-1681) met Helena Fourment, de weduwe van Pieter Paul Rubens. Jan Baptist stamde uit een Noord-Brabantse familie, die sinds de veertiende eeuw schepenen van ’s Hertogenbosch leverde. Zijn vader werd in 1620 verheven in de adel en verlengde zijn naam tot van Brouchoven van Bergeyck. Toen zijn stad in 1629 in de handen viel van de protestanten vluchtte hij naar het katholieke zuiden. Zijn zoon Jan Baptist zette de familietraditie verder als schepen van Antwerpen. Hij werkte zich verder op tot lid van belangrijke raden in de Spaanse Nederlanden en in Madrid.

Zijn zoon Jan (1644-1725) trad niet alleen in de voetsporen van zijn vader, maar overtrof hem. (De graaf van) Bergeyck zoals hij meestal werd genoemd was thesaurier-generaal -zeg maar minister- van Financiën (1668-1688) en algemeen surintendant van Financiën en minister van Oorlog (1701-1711). Hij was gedurende vele jaren de feitelijke stadhouder van onze (Spaanse) koning in de Zuidelijke Nederlanden, bekleed met heel veel rechten. Na zijn ontslag bleef hij een gevierde diplomaat. Hij wordt beschouwd als een van de allergrootste figuren uit de geschiedenis van onze landen.

Jan huwde op 20 december 1672 met Anna Francisca Helman, die barones van Leefdaal werd. Het echtpaar kreeg vier kinderen Filip-Jozef, Maria Agnes en Francisca, die jong stierven en Catharina-Ferdinanda, die later barones van Leefdaal zal worden. Anna Francisca Helman stierf op 23 maart 1682. Drie jaar later, op 3 mei 1685, hertrouwde Bergeyck met de rijke Maria Livina de Beer, geboren op 11 december 1656, weduwe van Geraard van Vlisteren, baron van Laarne. Samen kregen zij nog zes kinderen, waarbij Nikolaas, die later de baronie van Leefdaal ten geschenke kreeg van zijn ongehuwde halfzuster Catharina Ferdinanda.

De begraafplaats

Als begraafplaats van de families Helman en van Brouchoven werd een crypte gebouwd onder het hoogkoor van de Sint-Lambertuskerk van Leefdaal. Boven de grafkelder lag een grote witmarmeren steen met de inscriptie ‘Monumentum baronum de Leefdael’. Hij lag er nog in 1855, maar verdween bij een vernieuwing van de koorvloer. De crypte bestaat ongetwijfeld nog.

Wie werd er begraven? Jan van Brouchoven, de beroemde staatsman; zijn twee echtgenoten; zijn kinderen met Anna Francisca Helman, inbegrepen Catharina Ferdinanda, zijn schoonvader Filip Helman en diens broer Ferdinand; zijn schoondochter Maria Carolina de Vischer, echtgenote van zijn zoon Nikolaas en hun dochter Catharina. Mocht ooit het plaveisel van het koor worden verwijderd dan zal men voor verrassingen staan.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Het muurtabernakel in de Sint-Veronakapel

"De Ste Veronika Kapel"

“De Ste Veronika Kapel”

In vrijwel alle kerken is het tabernakel in de nasleep van het Concilie van Trente (1545-1563) op het hoofdaltaar komen te staan. Het altaartabernakel ontstond, omdat in Trente bepaald werd dat het Heilig Sacrament in een kastje op het altaar moest worden bewaard. In de Sint-Veronakapel staat op het altaar in travertinmarmer uit 1952 een altaartabernakel, beide ontworpen door Michiel Viérin. Uniek is dat in de Sint-Veronakapel nog een ouder laatgotisch muurtabernakel bewaard is gebleven, dat dateert van de periode 1491-1510. Het bleef wellicht in gebruik tegen het Tridijns besluit in, zoals op veel plaatsen in Duitsland, waar muurretabels nog eeuwenlang in gebruik bleven. In elk geval heeft gelukkig niemand het idee gekregen om het te verwijderen.

Al van bij het ontstaan van de Kerk werd brood dat geconsacreerd was tijdens de eucharistieviering, bewaard, o.m. om het te kunnen uitreiken aan zieken en stervenden. Omdat volgens de leer van de Kerk Christus aanwezig was in het geconsacreerde brood, werd de hostie bewaard in kostbare doosjes, aanvankelijk door de gelovigen of de priesters thuis en vanaf de 6e eeuw in de kerk. Sinds de 9e eeuw gebeurde dit bij voorkeur op het altaar in een ronde of veelzijdige metalen bus, de pyxis. Het vierde Lateraans Concilie van 1215 kondigde dan het dogma van de transsubstantiatie af: het brood en de wijn veranderden tijdens de consecratie wezenlijk in het lichaam en bloed van Christus. De hostie of het Heilig Sacrament werd daarom een voorwerp van verering en sommigen meenden dat het een wonderbare kracht bezat. Door de toenemende verering van het Heilig Sacrament, o.a. door de instelling van het Sacramentsfeest in 1264, werd de pyxis met een voetstuk vergroot tot een ciborie en/of monstrans. Bescherming tegen heiligschennis en diefstal drong zich op, ook van het kostbare vaatwerk waarin de hosties werden bewaard. Een nis in de muur die kon worden afgesloten met een slot, werd beschouwd als een veilige bewaarplaats. De gebruikelijke maar niet exclusieve plaats voor zo een muurnis was de noordelijke wand van het koor. Het is op die plaats dat het muurtabernakel in de Sint-Veronakapel zich bevindt.

Muurtabernakel Sint-Veronakapel, ca. 1500. Natuursteen, sporen van poly-chromie, overschilderd.

Muurtabernakel Sint-Veronakapel, ca. 1500.
Natuursteen, sporen van polychromie, overschilderd. (foto: Bert Bertels)

Het centrale vlak in het muurtabernakel is een rechthoekig houten deurtje met grendel en slot, waarachter het Heilig Sacrament werd bewaard. Een speciale verering van het Heilig Sacrament is er in de Sint-Veronakapel wellicht niet geweest, anders zou het deurtje zeker voorzien zijn geweest van een soort traliewerk waarlangs de gelovigen een bescheiden blik zouden hebben kunnen werpen op het Heilig Sacrament ter aanbidding. Waar er wel expliciete verering was, stond het tabernakel meestal op een voor de gelovigen meer bereikbare plaats, nl. in of tegen de oostelijke muur van de noordelijke kruis- of zijbeuk aan de kant van het koor. Toch drukt het muurretabel van de Sint-Veronakapel op zichzelf een zekere vorm van verering uit door het architecturaal en sculpturaal ornament.

De houten deur van het muurretabel is immers gevat in een natuurstenen reliëf dat opgebouwd is als een gotische siergevel, een soort kerkportaal. De deurstijl loopt uit in een kielboog met decoratieve tracering (maaswerk). De boog zelf is voorzien van versierende bladmotieven (hogels) en de boogspits eindigt in een kruisbloem (een stam die uitloopt in vier knoppen) afgedekt met een sierbol (pumeel). Achter deze kruisbloem bevindt zich over de volledige deurbreedte een bogenveld met links en rechts van de kruisbloem twee spitsbogen met tracering. Het centrale deel wordt bovenaan begrensd door een horizontaal profiel versierd met twee symmetrische bloemenranken met elk drie bloemen. Onder het deurtje bevindt zich een dorpelsteen die rust op een dwarsprofiel met bladrankmotief. Links en rechts ervan torsen twee engelfiguurtjes het geheel, dat gevat lijkt te zijn tussen twee zuilen, op hun schouders. Ze tonen elk een plakkaat waarop oorspronkelijk allicht tekst was aangebracht die uitnodigde tot eerbied en gebed. Ze dragen biddend het schrijn. De zuilen zijn vierkantig en staan op twee sokkels. Ze zien er eigenlijk eerder uit als een sokkel voor een renaissancesculptuur. Toch worden deze voetstukken elk bekroond met een gotische sculptuur onder een baldakijn versierd met hogels en kruisbloem. Boven deze baldakijnen zijn de randprofielen, die het bovenste dwarsprofiel dragen, uitgewerkt als pinakels – ook met hogels en kruisbloem – van een gotisch gebouw.

Kunnen de twee gotische sculpturen worden geïdentificeerd? De linker figuur is zonder twijfel een engel gezien zijn vleugels. Hij draagt een banderol of spreukband in zijn hand. De tekst is helaas niet meer leesbaar. De rechter sculptuur is een vrouwenfiguur. Een engel met een boodschap tegenover een vrouw: dit moet een voorstelling van de Annunciatie zijn. De engel Gabriel brengt Maria de boodschap dat ze de moeder van God zal worden. Het is geweten dat de menswording van Christus een geliefd thema was bij tabernakels, waarbij Gabriel en Maria zoals hier in de Sint-Veronakapel aan weerszijden van de nis werden afgebeeld, meestal gesculpteerd maar soms ook ernaast op de muur geschilderd. Zo wordt de incarnatie, de menswording van Christus als vrucht in de schoot van Maria, geplaatst naast de transsubstantiatie, de aanwezigheid van het lichaam van Christus in de geconsacreerde hostie.

Het muurtabernakel van de Sint-Veronakapel is nog altijd herkenbaar als een fraai laatgotisch ornament, maar het moet er ooit nog mooier hebben uitgezien. Op het gezicht van één van de twee engeltjes zijn er nog heel vage sporen van vergulding en bovenaan zijn ook nog sporen van de rode kleurvulling van de boogvelden te zien onder de grijze verflaag. Ooit was dit meesterwerkje gepolychromeerd. Wat is er nog (te) behouden van de oorspronkelijke polychromie daaronder? Op de linker sokkel bv. zijn de verflagen al weggehaald tot op de natuursteen. Een oordeelkundige restauratie dringt zich op, waarbij onderzocht wordt of de grijze verf kan verwijderd worden zonder de nog aanwezige polychromie mee te verwijderen.

(Jan Jansen – Erfgoedkamer)

Het domein van Guillaume De Becker in Leefdaal

“De Dorpstraat in 1935 met de huurwoningen die allen hun achterzijde op de ‘Messing’ hadden.”

“De Dorpstraat in 1935 met de huurwoningen die allen hun achterzijde op de ‘Messing’ hadden.”

Als inleiding

Het domein van Guillaume (Guilielmus) De Becker lag op de westelijke hoek van de Mezenstraat met de Dorpstraat. De laatste bewoner van het belangrijkste deel was Leon Michiels die op 14 februari 2011 overleed. Zijn erfgenamen maakten het over aan een bouwondernemer. Die zal er waarschijnlijk een appartementsgebouw optrekken. Niets buitengewoon misschien, tenzij een bijkomend signaal van de voortschrijdende verstedelijking van het dorp. Het ogenblik is wellicht gekomen om eventjes de rijke geschiedenis van de plek te bekijken. Zonder grondige studie moet het verhaal helaas onvolledig en ietwat hypothetisch blijven.

De voorgeschiedenis

Het deel van de huidige Dorpstraat tussen de kerk en het begin van de Blankaart is altijd belangrijk geweest in de plaatselijke geschiedenis. Het blijft zichtbaar in het straatbeeld met de zijn talrijke grote gebouwen. Bij de Mezenstraat stond volgens het cijnsboek van 1440 het huis van Hendrik Colvenere. Zijn familie behoorde tot de meest vooraanstaande van het dorp. Later vond men leden ervan in de kasteelomgeving als wijngaardeniers en exploitanten van steengroeven. De hoek Dorpstraat/Mezenstraat bleef altijd bewoond. De geschiedenis is erg complex. De opzoekingen vergen veel tijd en zullen zeker geen volledige uitgewerkte tijdslijn opleveren. Meestal is er sprake van een landbouwbedrijf en een smidse. Een smid was een belangrijke man in het vroegere landbouwdorp.

Het domein van Guillaume De Becker

In de kadastergegevens van Popp, opgesteld even na het midden van de negentiende eeuw, vind men een overzicht van de erfenis van Guillaume De Becker. Hij was in Vossem geboren en huwde met Thérèse Wittebols uit Leefdaal, waar het echtpaar zijn woonst vestigde. De man was schepen van de gemeente van 1837 tot bij zijn dood op 7 januari 1845. Hij was toen vijfenvijftig jaar oud. Zijn functie bewijst dat hij tot de top van de plaatselijke sociale hiërarchie behoorde.

Zijn erfenis omvatte, naast ruim 29 hectare landbouwgrond, een huis of beter een reeks gebouwen in een smalle rechthoekvorm langs de Dorpstraat op een terrein van 17 are 50 centiare. Het erf omvatte de huidige huizen met de pare nummers 546 tot en met 554. Daarbij hoorde een “hof” – een tuin – meer dan 25 are groot tussen de straat, waar nu de huizen met nummers 556, 558 en 560 zijn gebouwd, en de Voer.

Vermoedelijk wensten de eigenaars, zoals vele grootgrondbezitters in die tijd, hun landbouwbedrijf te staken. Zij verbouwden het zuidoostelijke gedeelte van hun hoeve tot een herberg met hotelfunctie, restaurant en feestzaal. De belangrijkheid van de nieuwbouw blijkt niet alleen uit de imposante opstand, maar ook uit de vergelijking van de plattegronden die voorkomen in de Atlas der Buurtwegen uit 1841 en het Popp-kadaster. Volgens een geloofwaardige overlevering werd hier de Filharmonie opgericht als een van de eerste moderne muziekverenigingen in de streek.

De familie Sevenants

Het domein van Guillaume De Becker verbrokkelde in de tweede helft van de negentiende eeuw. Rond 1900 woonden er verschillende gezinnen. Het voornaamste stuk, een hoekhuis met de herberg, was in handen van gareelmaker Ferdinand Sevenants. Zijn vader en grootvader waren eveneens bedrijvig als zadel- en gareelmakers. Zij woonden in wat nu de Kleine Kerkstraat noemt dicht bij de Dorpstraat waar nu het huis nummer vier staat.

Ferdinand was getrouwd met Josephine Van Meerbeek, winkelierster. Het echtpaar breidde hun bedrijf geleidelijk uit. Zij kregen twee knappe dochters: Pauline (°1881) en Dorine (°1884). De oudste huwde met de brouwer Firmin De Keyn, gedurende jaren waarschijnlijk de meest invloedrijke man uit het dorp. Het koppel woonde in een fraaie woning, nu Mezenstraat 4, op een deel van het oude domein. De jongste dochter huwde met Louis Michiels.

Het domein vanuit de lucht gezien, 2012. (Bing Maps)

Het domein vanuit de lucht gezien, 2012. (Bing Maps)

De familie Michiels

Louis Michiels werd geboren in Erps-Kwerps. Zijn vader was veldwachter. Het gezin telde vele kinderen. Het hoeft niet te verbazen dat zij erg jong moesten bijdragen in het gezinsinkomen. Louis verliet vlug de school, maar wist zich op te werken met avond- en zondagonderwijs. Zestien jaar oud nam hij dienst bij meesterschilder Vrebos in Kortenberg. Hij bracht het tot meesterknecht. In die functie moest hij in Leefdaal bij Sevenants een nieuwe feestzaal versieren. Hij leerde er de dochter Dorinne kennen met wie hij in 1908 huwde. Het jonge gezin kende weinig geluk. Dorinne stierf twee jaar later. Louis bleef bij zijn schoonouders wonen. Hij hertrouwde acht jaar later met Sylvie Grossen, waarmee hij drie kinderen kreeg: Marcel, Leon en Dorinne.

Toen Ferdinand Sevenants in 1916 stierf steunde het echtpaar verder de weduwe en namen daarna de zaken in handen. Zij bezaten naast een vrij belangrijk schildersbedrijf een winkel en een herberg. Zij slaagden erin bijna het volledige domein van Guillaume De Becker opnieuw in handen te krijgen. Na de dood van hun vader namen de zonen Marcel en Leon de zaken over. Na hen bleken de tijden veranderd. Geen enkele van de kleinkinderen zag de mogelijkheid de zaken verder te zetten. Leon Michiels heeft samen met zijn vrouw nog enkele tijd de winkel opengehouden. Hun erfenis zal wellicht de basis vormen van een volledig nieuwe levensgemeenschap.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Een korte geschiedenis van Leefdaal

De watermolen aan het kasteel van Leefdaal.

De watermolen aan het kasteel van Leefdaal.

Leefdaal zou etymoligisch afkomstig zijn van het keltische woord ‘labant’ of ‘lebent’ (stromende, voerende, mogelijk de oude naam van de Voer) en ‘dal’. De naam betekent dus waarschijnlijk gewoon ‘Voervallei’.

Op de Vroeienberg (‘berg van de Heer’) staat de oudste parochiekerk uit deze streek, de Sint-Veronakapel, ook Heilig-Kruiskapel genoemd, gebouwd omstreeks 900. Van dit oudste bouwwerk is slechts één muur bewaard, later volgden nog verschillende verbouwingen en uitbreidingen. In 1951 werd de kapel naar een meer oorspronkelijke staat hersteld, als stille getuige van een ver verleden.

Leefdaal zelf was in de vroege middeleeuwen in het bezit van de hertog van Brabant. Deze schonk in de dertiende eeuw het gebied aan één van zijn ambtenaren, die zo de titel ‘heer van Leefdaal’ aannam. Het eerste kasteel werd waarschijnlijk toen gebouwd, als bescherming van de handelsweg Brugge-Rijnland. Via erfenissen en huwelijken kwam de heerlijkheid in handen van de familie van Petershem en Merode. Deze laatste familie verkocht het goed in de zeventiende eeuw aan Philip Helman. Via zijn dochter kwam het dan bij de graven van Bergeyck terecht. Ondertussen was Leefdaal ook een baronnie geworden. De huidige bewoners van het kasteel, de graven de Liedekerke, stammen trouwens af van de graven van Bergeyck.

Bibliografie

  • Willy Brumagne, leefdaal.beGeschiedenis.
  • Omer Vandeputte (red.), Gids voor Vlaanderen, 2007.

De wapenschilden van de gemeente

Bertem wapenschild Bertem

  • Toegekend bij een Besluit van de Regent van 31 oktober 1946.
  • Een wapen van goud met schuinkruis van keel, afgeleid van het wapen van de heren van Heverlee.
  • Teruggevonden als schepenzegel in 1416 en 1422.

Korbeek-Dijlewapenschild Korbeek-Dijle

  • Toegekend bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1861.
  • Een wapen van zilver met uitgeschulpt schuinkruis van keel, vergezeld van twaalf blokjes, afgeleid van het wapen van de famile van Korbeek (met twaalf kruisjes in plaats van blokjes).

Leefdaalwapenschild Leefdaal

  • Toegekend bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1954.
  • Een wapen van goud met een vijfblad van keel, geknopt van lazuur.
  • Teruggevonden als schepenzegel in 1275 en 1344.

(Uit Max Servais, Wapenboek van de Provinciën en Gemeenten van België, pp. 868-869, 875 en 977-978)

Fusiegemeente Bertem
Na de fusie werd geprobeerd de drie wapenschilden te verzoenen tot een ontwerp. Er werd gekozen de volgende elementen te combineren:
afgekeurd wapenschild

  • Zilver: Korbeek-Dijle
  • Schuinkruis van keel: Bertem en Korbeek-Dijle
  • Uitgeschupt schuinkruis: Korbeek-Dijle
  • Vijfblad in keel: Leefdaal

Op de zitting van de gemeenteraad van 17 mei 1988 werd echter een ander ontwerp aangenomen, omdat deze combinatie beschouwd werd als een verminking van de afzonderlijke wapens. In dit nieuwe wapen werd geopteerd voor vier kwartieren. Het eerste kwartier verwijst naar Bertem, het tweede en derde naar de schilden van de families Crabeels en Jacobs, de laatste bezitter van de heerlijkheid Korbeek-Dijle, en het vierde naar Leefdaal. Dit betekent:

  • Het eerste kwartier: goud met schuinkruis van keel
  • Het tweede kwartier: lazuur met keper van goud vergezeld van drie peren van hetzelfde
  • Het derde kwartier: lazuur met drie schelpen van goud
  • Het vierde kwartier: goud met een vijfblad van keel geknopt van lazuur

En dit alles gevat in een accoladeschild.

Het Ministerieel Besluit van 8 november 1989 kende dit wapen toe aan de gemeente.