De kapel van Puttebos – Onze Lieve Vrouw van Gezondheid

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


kapel-puttebos-gerestaureerd-224x300

Fiere buren na de restauratie in 1973
(dia: Willy Brumagne)

Op de noordelijke helling van het smalle, groene Voerdal, langs de grens van Leefdaal met Vossem staat op de berm voor een landelijke woning de kapel van Puttebos. De naam, vroeger Pittebos of Pitsenbos, heeft waarschijnlijk te maken met het Leuvense College van Pitsenburg, dat in de omgeving landerijen bezat.

De oorsprong is onbekend. Misschien hing aanvankelijk alleen een houten kapelletje aan een grenspaal tussen de beide zusterparochies. In 1655 getuigde de pastoor van Leefdaal dat de plaats in de zestiende eeuw als miraculeus gold en dat de kapel op een wonderbare wijze aan de vernieling door de beeldenstormers ontsnapte.

In 1636 is op kosten van enkele plaatselijke vooraanstaanden en van de pastoors van Leefdaal en Duisburg een eenvoudige stenen kapel opgetrokken. De bouw ving aan na de beproevingen van het jaar 1635. Een aftrekkend Frans leger verwoestte de streek en lag aan de basis van een pestepidemie te Vossem en vooral te Leefdaal. In een maand tijd stierf een aanzienlijk deel van de bevolking.

De bewoners van het gehucht Puttebos, dat ver van de parochiekerk lag, dringen dikwijls aan op een nieuw gebouw, waarin een eucharistieviering mogelijk zou zijn. De pastoor van Leefdaal vond het een goed idee.

De huidige kapel is in 1727 gebouwd, zoals aangegeven op een witte steen in het fronton. De opdrachtgeefster was waarschijnlijk Catharina Fernandina van Brouchoven, barones van Leefdaal, die ze bouwen liet als herinnering aan haar vader Jan Baptist, graaf van Bergeyck, de best bekende staatsman van zijn tijd.

puttebos-tegel-300x287

Tegel verkocht ter financiering van de restauratie in 1973

Het gebouwtje bestaat uit een kleine vierkante beuk afgesloten met een driezijdige apsis. Het pronkstuk van het gebouwtje is het lijstgeveltje. Een dergelijke vormgeving is een barokkenmerk. De uitbundigheid van deze stijl is flink getemperd door traditionele elementen. Voor de bouw zijn de gewone streekmaterialen gebruikt: warmrode, met houten gebakken steen verlevendigd met speklagen, hoekkettingen en een fraai boogdeurtje in kalkzandsteen.

Het harmonische samengaan van de verschillende invloeden maakt van de kapel een pareltje van landelijke bouwkunst. Een dergelijk evenwicht van vormgeving en versiering, van elegantie is zelden bereikt in de eenvoudige landelijke bouwsels.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

 

De kerken van de Voervallei

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


Berthem Een Panorama Uitg V Pinoy

De kerken van de Voervallei liggen in het beekdal, maar toch ietwat hoger op een helling. Onze voorouders hadden water nodig, uit de Voer of uit putten, die liefst niet te diep waren. Bouwen vlak naast de beek, die regelmatig overstroomde, deden ze liever niet.

Achthonderd jaar geleden, bij het einde van de romaanse tijd, stonden op het grondgebied van de huidige gemeente Bertem in de Voervallei vier parochiekerken, een meer dan nu. Gerangschikt volgens hun bouwdatum waren dit:

  • De Sint-Veronakapel te Leefdaal, eigenlijk een H. Kruiskerk, met een eerste stenen gebouw uit het jaar 900 ongeveer.
  • De Sint-Pietersbandenkerk van Bertem, gebouwd rond het jaar duizend.
  • De verdwenen Sint-Medarduskapel, eveneens in Bertem, die wat jonger moet zijn geweest.
  • De Sint-Lambertuskerk van Leefdaal, opgetrokken in de twaalfde eeuw.

De H. Kruiskerk te Sint-Verona, of beter Vroeienberg, en de Sint-Medarduskapel waren destijds parochiekerken.

Weinig Vlaamse gemeenten kennen een dergelijke rijkdom. In de Voervallei tussen Tervuren en Leuven stonden nog meer oude bedehuizen. Vossem, dat in de geschiedenis nauw verbonden was met Leefdaal, bezit een fraai kerkje uit het einde van de twaalfde eeuw. Ook te Tervuren bevat de huidige grotendeels gotische kerk nog een gedeelte uit de romaanse tijd en te Heverlee, in het domein van Arenberg, staan de fraai gerestaureerde overblijfselen van de vroegere parochiekerk, eveneens romaans van oorsprong. Deze oude kerken bewijzen met zekerheid dat de streek al vroeg in de geschiedenis vrij dicht bevolkt moet zijn geweest.

De Voervallei is rijk aan romaanse kerken. Zij leken oorspronkelijk erg op elkaar. Zelfs nu kan men gemakkelijk hun familietrekken terugvinden. Zij zijn alle gebouwd in de witgrijze kalkzandsteen die men vroeger overvloedig vond in de streek. De steen bevind zich nog op vele plaatsen in de ondergrond. Het uitgraven en bewerken vraagt helaas te veel werk. Kalkzandsteen is nu te duur als bouwmateriaal.

"De Ste Veronika Kapel"

Bovendien zijn alle kerken in de Voervallei gebouwd volgens hetzelfde model. Nemen wij als voorbeeld de oudste, de Sint-Veronakapel. Als wij haar vergelijken met de andere kerken dan zien wij dat de Sint-Pietersbanden te Bertem op dezelfde wijze is opgetrokken. De toren is aan de westzijde tegen het schip geplakt. Het schip heeft drie beuken. De middenbeuk steekt boven de zijbeuken uit en heeft bovenaan aan elke zijde een rij vensters. Het koor bevindt zich aan de oostzijde tegen het schip. Zelfs het deurtje ten zuiden in de koormuur, dat men het paradijspoortje noemt, bestaat nog. De oorspronkelijke ingang bevond zich in de zuidelijke zijbeuk, maar is later overgebracht naar de toren.

De Sint-Lambertuskerken van Heverlee en Leefdaal en de Sint-Pauluskerk van Vossem hadden vroeger hetzelfde uitzicht. Zij zijn in de loop van de tijd zwaar verbouwd.

Misschien denken sommigen dat dit kerkmodel overal bestaat. Niets is minder waar. Er bestaan maar weinig kerken meer met dergelijke kenmerken. Men noemt ze in de kunstgeschiedenis maasromaanse basilieken.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Sint-Lambertuskerk

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


100_13411De kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood ligt in de hoek gevormd door de Neerijsesteenweg en de Vlieguit, niet ver van het Weebergbos. Zij was altijd voor de bevolking goed bereikbaar op deze samenloop van wegen en toch wat afgelegen. Het maakte rust en bezinning alleen of in kleine groepjes mogelijk. Architecturaal is het een kleine toegankelijke, rechthoekige ruimte naar de mode van de tijd gemetseld met helrode siersteen. Het scherpe, overhangende dak is gedekt met kunstleien. Het gebouwtje is afgesloten met een metalen tweeslagdeur. Het bovenste doorzichtige gedeelte is aan weerszijde versierd met een knielende engelenfiguur. Binnen staat een Mariabeeld op een sokkel met de tekst ‘Boerinnengilde Leefdaal 1937’.

De plaatselijke Boerinnengilde is in 1936 gesticht door Rosine Robberechts, nicht van pastoor Jan-Frans Robberechts, waarschijnlijk in de euforie rond de vijfentwintigste verjaring van de Belgische Boerinnenbond te Leuven. Een jaar later bouwde de nieuwe gilde de kapel. Zij volgde hiermede het voorbeeld van de oudere gilden uit de streek die het jubileum van hun nationale Bond in 1936 vierden met de bouw van een veldkapel toegewijd aan Onze Lieve Vrouw.

Metselaars van de nieuwe kapel waren Francois Smets en Vital Buekenhoudt. Diens vrouw Josephine Moeys en hun dochter Marieke verzekerden jarenlang het onderhoud van de kapel. Mathieu Raedschelders en later Agnes Brumagne-Vandenbosch, naaste buren, namen de taak over.

Aanvankelijk stond de kapel op een vrij klein terrein, omringd door twee wegen en weidse landerijen. Een typische veldkapel met achteraan een lindeboom die vlug het gebouwtje overschaduwde. De boom had een symbolische functie die van heidense oorsprong was. Een lindeboom wees op een hoge vruchtbaarheid van de velden door de vele jonge takken beneden aan de stam. Het hartvormige blad zorgde voor een verwijzing naar de liefde, in dit geval Maria’s liefde voor het volk. Waarschijnlijk waren de bouwers zich niet bewust van deze symboliek, maar volgden zij eenvoudig de traditie.

Het volk gebruikte vlug de kapel om een kaars aan te steken, bloemen te brengen, te bidden, een heel persoonlijke beleving waartoe de parochiekerk minder geschikt werd verondersteld. Zij stond bovendien in de belangstelling bij de viering van Maria-Tenhemelopneming op 15 augustus.

Bij de heraanleg van de Neerijsesteenweg in 1958 is de bocht in de weg uitgevlakt waardoor op gemeentegrond voor de kapel een groter terrein vrijkwam. Tien jaar later, bij de verharding van de Vlieguit, bleek de kapel een belet te zijn voor de vlotte aansluiting met de Neerijsesteenweg. De kosten van de afbraak en de wederopbouw zouden oplopen tot vijfentwintigduizend frank. Het gemeentebestuur vond het bedrag (te) hoog. Veldwachter Staf Vrebos stelde toen voor het gebouwtje in zijn geheel te verplaatsen met behulp van het gemeentepersoneel: Karel Kempenaers, Antoine Machtens en Karel Slagmolders. Hij kreeg de vrije hand.

100_13371Het werd een huzarenstukje. Staf Vrebos bleef het brein achter de operatie. Metalen ‘slekken’, gefabriceerd door smid Karel Huybrechts, moesten het gebouwtje samenhouden. De funderingen werden blootgelegd. Zij lagen gelukkig niet te diep, wat het uitgraven van de nodige sleuf vergemakkelijkte. De verhuis gebeurde op houten ‘bruggen’ (balken). Antoine Machtens trok uiteindelijk met de gemeentetractor het gebouwtje twaalf meter vooruit. Het kwam op gemeentegrond terecht. De operatie bleek een succes. Alleen de vloer van de kapel diende vernieuwd. Het gemeentebestuur bleek wat fier in de verkiezingsperiode van 1969 over de stunt.

De omgeving van de kapel is daarna stemmig ingericht. Een taxushaag omringt het gebouwtje. Zij verbergt enigszins een constructie van de elektriciteitsmaatschappij. Op het voorplein, met een eenvoudige stenen bidbank, staan een achttal geknotte lindebomen. De gemeente belast zich sinds vele jaren met het onderhoud. Werkzaamheden voor de aanleg van een gasleiding hebben een tijd geleden het pleintje in een erbarmelijke staat achtergelaten. Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood kent nog enige verering. Hiervan getuigen de bescheiden offeranden, vooral van kaarsen. Jaarlijks richt de parochie op 15 augustus een bedetocht in naar de kapel.

(Willy Brumagne, met dank aan Georges Brumagne, Antoine Machtens en Staf Vrebos)

Vroeienberg in de Middeleeuwen

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 29 april 2012 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Geologie en vroege bewoning

De Veronewijk (in de volksmond: ‘Sinte-Froene’) van Leefdaal-Bertem noemde in de middeleeuwen ‘Vroeienberg’ of ‘Veronenberg”. Zij ligt in het Voerdal, dat uitgesleten is in het Brabantse leemplateau. Tientallen miljoenen jaren geleden was de streek enkele malen een open zee, die vooral zand afzette. Een deel, het zand van Lede, ongeveer tien meter dik, bevat verschillende lagen kalkzandstenen, die tot twintig centimeter dik kunnen zijn. Zij maken een prima bouwmateriaal uit. Vele eeuwen later, in een ijzige tijd, zette een overheersende noordenwind fijne kalkrijke leem af dat het landschap als een mantel bedekte. Toen later het klimaat verbeterde bleek het leem een uitstekende bodem te vormen voor de plantengroei. Het leidde tot oerbossen.

De nabijheid van water, een vruchtbare bodem en de aanwezigheid van geschikt bouwmateriaal maakten dat de plaats waar ze samen voorkwamen vlug door de mens werd bewoond. Dat was het geval in het latere Vroeienberg. Al ongeveer drieduizend vijfhonderd jaar geleden verschenen er landbouwers uit de nieuwe steentijd; enkele eeuwen later de Gallo-Romeinen. Zij hebben het oerbos grotendeels gerooid. Zo lag het land klaar voor de Franken uit de Merovingische en Karolingische tijd die op hun kousenvoeten zijn binnen gesijpeld. De middeleeuwen waren nabij.

De vroege middeleeuwen

Een vrij belangrijk grafveld waarvan de sporen zijn ontdekt tijdens opgravingen in 1951, bewijst een vroege Frankische aanwezigheid op de Veronewijk. De meeste graven bevonden zich op en rond de plaats van de huidige kapel en zelfs onder de muren van het primitieve kerkje. Het grafveld was dus ouder dan het gebouw. Het is moeilijk uit te maken of het oorspronkelijk om een heidens of een christelijk grafveld ging. Onder de scheidingsmuur tussen het huidige schip en koor zijn twee gemetselde graven aangetroffen. Als bouwmateriaal werd naast de lokale zandsteen ook Romeins puin aangetroffen. De belangrijkste vondst was een sarcofaag uit zachte witte steen uit Opper-Lotharingen. Men noemt ze Merovingisch al stamt ze waarschijnlijk uit de Frankische tijd. In de stenen kist lag eens een ons volkomen onbekend persoon begraven. Het moet een hooggeplaatst iemand geweest zijn.

sarcofaag

Het zogenaamd ‘graf van Verona’ ontdekt tijdens de opgravingen van 1951. De sarcofaag was al vroeger verplaatst, gedeeltelijk geschonden en verstevigd met muurtjes.

Tijdstip en methode van begraven moeten doen denken aan een begrafeniskerk van een herenfamilie. Komt daarbij de plaatsnaam ‘Veronenberg’ of ‘Vroeienberg’. Een ‘vroon’ was een heer, een vorst, een man die beveelt. Wie? Men kan denken aan kringen rond het Leuvense gravenhuis, maar zekerheid is er volstrekt niet. De enige vage indicatie is dat de latere hertogen van Brabant op deze plek bezittingen hadden.

Het prille begin van de parochie

Het christendom is niet als een pletrol over het heidendom gewalst. De vorst – de plaatselijke heer – speelde vermoedelijk een rol bij de kerstening. De samenwerking met de missionaris was voor beiden voordelig. Geleidelijk lieten de lekenheren op hun domein kerken bouwen. Het is een geloofwaardige hypothese dat de heer van Vroeienberg rond het jaar 900 een kerk liet bouwen op de heuvel ten zuiden van de Voerbeek. Hij gaf haar een grondgebied waar de kerk een belasting kon innen om haar kosten te dekken. Hij zag de kerk wellicht als een grafplaats voor zijn familie, maar ook als een investering. Hij bleef de eigenaar, die het recht had de pastoor aan te stellen, die de gelovigen opvoedde, onderrichtte en controleren. Het was feitelijk een privé-kerk of met een geëigende uitdrukking, een ‘eigenkirche’.

Vroeienberg was een vroege stichting. Het patroonschap van de Kruisverheffing met feest op 14 september was een bewijs, samen met de opgegraven sporen. Het betrof een zaalkerkje, eenbeukig zonder toren en wellicht zonder versiering. Even later is een rechthoekig koortje aan de oostzijde bijgebouwd. Het was smaller dan de beuk.

mertens9

Het oudste kerkgebouw van Vroeienberg (met koortje),
volgens een reconstructie door J. Mertens.

De bouw van de kerktoren

De verschrikkingen van het jaar duizend zijn een uitvinding van latere eeuwen. Het jaar maakte integendeel deel uit van een periode van heropbloei in West-Europa. De invallen van de Noormannen hadden een einde genomen. De economie herleefde.

In Bertem bouwde de abdij van Corbie een fraaie kerk met een westertoren, die haar status als parochiekerk beklemtoonde en tevens een symbool was van de macht van de Kerk. In Vroeienberg, op luttele afstand, bouwde men rond dezelfde tijd eveneens een massieve, onregelmatig vierkante toren met muren van een meter dik. De kerk van Vroeienberg was inderdaad eveneens een parochiekerk! Weinig later brandde ze uit. Het koor diende volledig vervangen. Het gebeurde zorgeloos. De mortel was van bedenkelijke kwaliteit.

De economie bloeit

De periode van 1080 tot 1220 was een tijd van economische en sociale vooruitgang mede dankzij de graven van Leuven en de religieuze instellingen waarmede zij een nauwe binding hadden. Hendrik III, graaf van Leuven, schonk in 1080 een aantal goederen aan het Groot Gasthuis van de stad, dat een belangrijk landbouwbedrijf zou verwerven ten westen van de kerk van Vroeienberg.

Men weet dat de graaf in 1082 een Luikse synode over de godsvrede bijwoonde. Hij voerde ze in Brabant in, een belangrijke maatregel op economisch en sociaal gebied. Men getuigt van hem dat hij veel deed om zijn land tegen plunderaars en misdadigers te beveiligen. Samen met zijn moeder Adela en zijn broer Godfried was hij in 1083-1086 betrokken bij de stichting van de abdij van Affligem. De abdij verwierf in 1117-1731 het altaar en de tienden van Vroeienberg samen met Leefdaal en Vossem. Het statuut van eigenkirche, waartegen de Kerk zich hardnekkig verzette, verviel.

Hertog Hendrik I van Brabant ten slotte stelde in 1235 drie mannen uit Vroeienberg vrij van tolrechten in Leuven.

De verdere uitbreiding van de parochiekerk

De toenemende economische activiteit leidde tot een forse bevolkingsgroei die verplichtte tot een verdere uitbreiding van het kerkgebouw. De ombouw begon in de twaalfde eeuw met de vernieuwing van het kaduke koor. Het werd smaller en langer met in de zuidelijke muur een eenvoudig paradijspoortje. De kerk kreeg in de dertiende eeuw twee zijbeuken, de meest aangewezen uitbreiding van een zaalkerk. Drie vierkante pijlers vervingen aan weerszijden de oude zijmuren van het schip. De toegang bleef in het zuiden van het schip.

Een maasromaanse basiliek was geboren. Het schip had een rechthoekige plattegrond. De middenbeuk was hoger dan de zijbeuken. Hierdoor konden hoog in het middenschip vensters worden gestoken. Zij was romaans door haar stapelbouw, haar structuur als een blokkendoos met duidelijk onderscheiden delen, en door de nadruk op de halfronde boog voor de overspanning van de openingen. Men noemt ze maasromaans omdat een westertoren typisch was voor het oude bisdom Luik dat tot Leuven reikte. Vroeienberg behoorde tot het bisdom Kamerijk, maar de Leuvense invloed is wellicht bepalend geweest.

Stabiliteit in de veertiende en de vijftiende eeuw?

Hertog Jan I had in 1286 een herverdeling van zijn grondgebied doorgevoerd. Een deel van Vroeienberg, met de kerk, het nabije Hof ten Poele en de omliggende huizen behoorden voortaan tot de ammanie Brussel; een ander deel ten noorden van de Voer ging met Bertem naar de meierij Leuven. Het ziet er niet naar uit dat dit plaatselijk aanvankelijk veel nadeel berokkende.

bleaukaart

Het hertogdom Brabant in 1635. Het westen ligt bovenaan. De grens tussen de ammanie Brussel (boven) en de meierij Leuven (onder), die Vroeienberg in twee deelt is duidelijk zichtbaar.
(bron: Willem Blaeu, Theatrum Orbis Terrarum, 1635.)

Rond het midden van de veertiende eeuw bereikte de expansie van het hertogdom Brabant stilaan de grenzen van zijn mogelijkheden. Vooruitgang kon nog gebeuren door beroep te doen op nieuwe teelten. Het milde klimaat liet gelukkig zelfs wijngaarden toe. Dergelijke intensieve landbouw leek te volstaan. Toch zag men een aantal verschuivingen gebeuren in de eigendomsrechten. Kleinere bedrijven krijgen meer kapitaalkrachtige eigenaars. Het hof van Lodewijk Oliviers in 1440, pastoor van Leefdaal, aan de weg van Vroeienberg naar Leefdaal behoorde in 1519 aan ene Aart Michiels en kwam later in handen van de Leuvense patriciërsfamilie van Spoelberch.

De meeste wijzigingen gebeurden in het Voerdal ten noorden van de beek. De priorij van Rooclooster verwierf in 1421 een hoeve ten westen van de watermolen, die zelf over klein landbouwbedrijf beschikte. In 1437 bezat de priorij in de omgeving vijfenvijftig bunder land, bos en weide en twee wijngaarden. Nog meer westelijk lag toen het Hof van Vroeienberg dat in 1468 een duifhuis – teken van rijkdom – bezat en drie bunder groot was met een boomgaard, een vijver, beemden en een brouwerij. De steengroeven met de bijhorende kalkwinningen bloeiden vooral in de vijftiende eeuw op de noordelijke helling.

Op kerkelijk gebied wijzigde de toestand. De kerk met zijn relatief lage vaste inkomsten, kon in de dertiende eeuw meestal rekenen op een eigen pastoor. Bij de telling van 1374 werd Vroeienberg bij Bertem gerekend. Wellicht vervulde zijn pastoor de functie van deservitor. De verering van de legendarische Verona, afgeleid van de parochienaam, was in opgang. Omstreeks het jaar 1500 waren de binnenmuren van de kerk beschilderd met afbeeldingen van het imaginaire leven van de ‘heilige’.

De gotiek, de nieuwe cultuurstijl, beïnvloedde weinig de parochie. In de vijftiende eeuw werd toch een sacramentshuisje gestoken in de noordelijke zijmuur van het kerkkoor. Het was en blijft een voorbeeld van de hooggotische kunst die een schitterende nabloei kende in Brabant.

Epiloog

De middeleeuwen liepen laat in de vijftiende eeuw naar hun einde. Zij waren niet de duistere periode zoals nog steevast wordt gesuggereerd. De toestand wijzigde dramatisch in het midden van de volgende eeuw. De steengroeven en de landbouw leden onder de onrust in het land. Het zal nog erger worden. Onlusten van politieke en religieuze aard veroorzaakten honger, ellende en epidemieën. Het Spoelberchhof, de watermolen en verschillende huizen gingen in de vlammen op. De kerk werd in 1580 leeggeplunderd. Pas de zeventiende eeuw bracht wat verbetering. Maar de middeleeuwen waren dan al lang definitief voorbij.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Vroeienberg 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Vroeienberg in 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Literatuur

  • W. Brumagne, De Veronewijk en haar Kruiskapel. Bertem-Leefdaal (Vura Ducum 4), Tervuren, 2001.
  • J. Mertens, ‘Leefdaal, opgravingen in de S.-Verone kapel’, Bulletin van de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen, 5 (1954), 43-175.
  • R. Van Uytven (red.), Leuven: de beste stad van Brabant. I. Geschiedenis van het stadsgewest Leuven tot omstreeks 1600, Leuven, 1980.
  • R. Van Uytven e.a. (red), Geschiedenis van Brabant. Van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

De Sint-Veronakapel

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


"De Ste Veronika Kapel"

Ongeveer vijftienhonderd meter van het rusthuis, naar Leefdaal toe, ligt de Sint-Veronakapel op een heuvel.

De naam Verona is afkomstig van een vroegere parochie Vroeienberg, wat ‘berg van de Heer’ betekende. Het was de eerste parochie in de streek.

Later verstond men de naam Vroeienberg niet meer. Daarom vertelde men een mooi en vroom verhaal over de heilige Verona, die een Duitse keizerin zou geweest zijn. Zij zou haar naam geschonken hebben aan de parochie en de kerk.

In de Franse tijd, rond 1800, is de oude parochie Vroeienberg definitief bij Leefdaal gevoegd. Haar kerk werd een kapel.

Op de Vroeienberg is rond het jaar 900 een eerste kerkje gebouwd. Het was al honderd jaar oud bij de bouw van de kerk van Bertem.

Het oude kerkje is dikwijls verbouwd. In 1951 kreeg het opnieuw de vorm die het al van 1250 tot 1773 had. Het lijkt heel goed op de kerk van Bertem. Het is natuurlijk kleiner en minder regelmatig gebouwd.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Foto’s uit de beeldbank van het agentschap Onroerend Erfgoed

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Troost

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


IMG_0027Op de hoek gevormd door de Mezenstraat en de L. Van Buekenhoudtstraat staat de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Troost. Het is een rechthoekig bakstenen gebouwtje met een gebogen achtergevel. De grote rechthoekige deur is omzoomd met grijze klampsteentjes. Bovenaan vermeldt een ruitvormige steen de bouwdatum: 1856.

Binnen op een soort altaar met vooraan een halfverheven vrouwenhoofd staat een relatief grote Onze-Lieve-Vrouw van Troost. Begin 1970 heeft een notaris bij de afwikkeling van een erfenis de inboedel weggehaald: twee vazen in Brussels porselein met kunstbloemen onder een glazen stolp, een altaardoek, de kroon en de klederen van het Mariabeeld.

Volgens de overlevering heeft de familie Vanhamme de kapel gebouwd als dank voor de genezing van een kind aangetast door de pest. Het verhaal strookt niet volledig met de werkelijkheid. Hendrik Vanhamme, de vermoedelijke bouwheer, was de pachter van de Dreisaardhoeve bij de kerk. Hij stierf als vrijgezel in 1870. De pest kwam in de negentiende eeuw bij ons niet meer voor, maar de cholera woedde in 1849 en in mindere mate in 1855.

olvtroostbeeld1Pachter Vanhamme was een grootgrondbezitter. Alleen erg welgestelden bezaten de middelen om een dergelijk gebouwtje te bekostigen. In het midden van de negentiende eeuw heerste doffe armoede, met bijwijlen voedselgebrek en opstoten van epidemieën, bij de meerderheid van de bevolking. Zij vond troost in de godsdienst die een heropleving kende. Kennelijk lag deze toestand aan de basis van verschillende bedehuisjes in onze streek. De directe aanleiding van de bouw te Leefdaal was ongetwijfeld de afkondiging in 1854 van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.

De bouwplaats was de hoek van een grote weide die pas rond 1900 is verkaveld. De familie Vermylen richtte op haar deel een fraaie woning op. De kapel kwam in de voortuin te liggen, maar bleef met een perceeltje grond in het bezit van de erfgenamen Vanhamme. Het echtpaar Victor Vermylen-Irma Debeer kocht het geheel aan in 1970. Zij en hun kroost hebben de kapel altijd keurig onderhouden. Na de dood van beide ouders verkochten de kinderen de vroegere gezinswoning samen met de kapel. De nieuwe eigenaar beloofde de oude traditie van zorgvuldig beheer verder te zetten.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De Veronabron

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be. Sinds 2019 is de Veronabron opgenomen in de Inventaris van het bouwkundig erfgoed.


20De Veronabron ontspringt naast de Dorpstraat te Leefdaal, op het voorplein van het huis nummer 283, vlak bij de grens met de vroegere gemeente Bertem. De Verona- of kruiskapel, vroeger een parochiekerk, ligt een honderdtal meter ten zuiden op een heuvel.

De middeleeuwse volksvroomheid heeft het bronwater een wonderbare kracht toegediend. Het zou met name de kwade koorts genezen, de tandpijn verzachten en de angstige kinderen rust bezorgen. Tot de Tweede Wereldoorlog bezochten vele bedevaarders de bron en de kapel op de heuvel. Zij liepen driemaal rond het gebouw of rond het altaar. Onder een losliggende arduinen steen namen zij wat aarde om het te mengen in het voedsel van de zieken of in te nemen met het bronwater. Daarna is de toeloop erg verminderd. Het water is jarenlang gebruikt bij de witloofteelt. Wonderlijk – of misschien niet? – het loof uit de Veronewijk was altijd prima.

De legende vertelt dat Verona, Duitse keizerin en abdis, en dus een heilige vrouw, op weg naar het graf van haar broer te Lembeek aan de Heilige Kruiskerk halt hield. Twee dorstige Duitse pelgrims op doorreis vroegen hun keizerin om water. De heilige liet voor hen de bron ontspringen door eenvoudig haar staf in de grond te steken. De legende is schriftelijk vastgelegd rond het jaar 1500, maar is duidelijk al veel vroeger verteld.

Een gebouwtje beschermt sinds eeuwen de wonderlijke bron. Het huidige monumentje uit 1957 vervangt een ander, dat in 1871 was gemetseld als een lief veldkapelletje. Maar ook dit laatste was al een herbouw. Op een tekening uit het album van Karel van Croij uit 1596 komt al een bouwsel voor. De bron leverde toen meer water dan nu. Het liep langs een sloot naar de nabije Voer.

beeld-veronabron-281x300Het huidige bijna vijftig jaar oude eenvoudige gebouwtje oogt erg modern. Het is opgetrokken uit baksteen, is witgeverfd en heeft een zwevend betonnen dak. In een zijmuur is de naamsteen van de kapel uit 1871 ingewerkt. De open voorzijde geeft zich op een witstenen halfverheven beeldhouwwerk dat gestileerd het verhaal voor van Verona en haar pelgrims oproept.

De ontwerper van het gebouw was architect Michiel Viérin, toen inwoner van Leefdaal, later verhuisd naar Tervuren. Hijzelf heeft het opgetrokken met de hulp van metselaar Guillaume Smets en onderpastoor Paul Kerremans. Smid Jaak Van Herck leverde het smeedwerk. Het bas-reliëf is een werk van beeldhouwer Jan Meert uit Lot, leraar aan het Sint-Lucas en het Sint-Imelda Instituut te Brussel.

Het gebouwtje is ooit verplaatst om een betere toegang tot het achterliggende huis te verzekeren.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


kapel_zanglijster1Ten zuiden van het voetbalveld van Leefdaal, vlak bij de grens tussen de parochies Bertem en Leefdaal, staat een kapel toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Het is een rechthoekige niskapel, opgetrokken in baksteen volledig met cement bezet, en gedekt met een eenvoudig zadeldak. Op de rondboog boven de nis staat geschreven ‘O. L. Vrouw van Lourdes B. V. O.’ en achteraan op een ruitvormige steen ‘Gesticht door J.B. De Wals en D. Van Eycken 1878’.

Het gebouwtje staat in de berm van de Kerstraat die eens de voornaamste verbinding was tussen Sint-Verone en Bertem. Zij is alleen te bereiken langs een aantal treden en is omringd door een halfcirkelvormig muurtje, deels als borstwering en deels als bescherming tegen de omliggende aarde.

In de nis staat een Mariabeeld met een wit kleed, witte sluier, blauwe gordel en een gele roos op elke voet. Voor haar knielt het meisje Bernadette. Het is de typische uitbeelding van de verschijningen in 1858 in het Franse stadje, na de dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis door Pius IX in 1854.

De stichters, het echtpaar Jan-Baptist De Wals en Dorothea Van Eycken, behoorden tot gekende Bertemse families. Het is niet duidelijk of zij ooit in Lourdes zijn geweest of alleen getroffen waren door de weerklank van de verschijningen in de grot van Massabielle. Blijkbaar hebben zij ook een stichting opgericht die het voortbestaan van de kapel moest verzekeren.

IMG_0008Vele jaren hebben de families Ectors en Saerens uit Bertem de kapel puik verzorgd. Maar zelfs families hebben niet het eeuwige leven. Na een lange eeuw hebben anderen de taak op zich genomen. Hun inzet kon niet beletten dat het gebouwtje in 1999 door ouderdom en vandalisme in een beklagenswaardige toestand verkeerde.

De ornithologische vereniging, zeg maar de vogelbond, De Zanglijster, vierde in dat jaar zijn veertigste verjaardag. Om het feest een blijvend karakter te verlenen zouden zij het kapelletje herstellen. Dank zij voorzitter Jean Troisfontaine, toenmalig secretaris Roger Houtmeyers, vele andere leden en met enige hulp van het gemeentebestuur gebeurde het wonder. De oude kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes is mooier dan ooit. De feestelijke inwijding gebeurde op 30 april 2000.

De Zanglijster verzekert verder het onderhoud. En zie, vele mensen uit Bertem en Leefdaal komen weer wat verpozing zoeken bij het Mariabeeldje en laten een kaarsje branden.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De oprichting van de Chiro in Bertem

chiro.jpg

Zeventig jaar geleden werd de Bertemse Chiro-afdeling opgericht. Een van de eerste leden was Cecilia Francine Putseys (Bertem, 1926). Ria Verjauw, haar oudste dochter, tekende in oktober 2015 haar herinneringen aan de jeugdbeweging op. Wij publiceren deze maar al te graag, aangevuld met enkele eindnoten:

Ik was 18 jaar in 1944 en was lid van de BJB in Bertem, de Boerinnen Jeugd Bond (in 1965 werd dit KLJ, Katholieke Landelijke Jeugd). Martha Verboomen was toen leidster van de BJB. Maar toen ze 21 jaar was, ging ze trouwen. Hierdoor moest een nieuwe leidster gezocht worden. De toenmalige pastoor Van Gestel [1] vroeg mij om tot bij hem te komen. Hij vroeg me om leidster te worden bij de BJB. Een voorwaarde om leidster te worden was dat de vader bij de Boerenbond moest aangesloten zijn. Hierdoor kwam alleen ik als mogelijke kandidaat in aanmerking.

Elke maand moesten wij met de groep meisjes naar het lof gaan in de kerk en daar zingen. Er werd veel plezier gemaakt onder de meisjes, ook tijdens het lof.

De BJB bestond alleen uit meisjes. Voor de jongens was er het Davidsfonds. Tijdens de vakanties was Louis Putseys (mijn broer die voor priester studeerde) één van de leiders en Jules Ronsmans van Sint-Verona ook. Een van de activiteiten van het Davidsfonds toen was toneel spelen. Met houten bakken werd een podium gemaakt, op de bakken lagen houten schragen. Dat zorgde soms voor grappige toestanden als er schraag niet goed vast lag.

Na de oorlog van 40-45 kwam de Chiro fel op en werd heel populair. Alle meisjes van de Bertemse BJB sloten zich aan bij de Chiro. Dat was in 1946. Onderpastoor Claes (afkomstig van Mol) [2] was de oprichter van de Chiro in Bertem. Hij zette zich in voor de Bertemse jeugd.

In 1946 werd ik vaandelleidster bij de Chiro. Ik had de leiding over een vaandel, zo werd een groep genoemd. Dit heb ik twee jaar gedaan tot ik een lief tegenkwam, mijn toekomstige echtgenoot Jean Verjauw. Toen had ik geen zin meer om mij met de Chiro nog bezig te houden.

Marieke (de nicht van Denise Mees) die woonde op de Egenhovenstraat in het oud kostershuis heeft ook een rol gespeeld bij de oprichting van de Chiro in Bertem.

Tijdens de oorlog had Marieke samen met haar broer en zus in een concentratiekamp in Duitsland gezeten. Zij behoorden tot de ‘Witten’ en werden verraden door de ‘Zwarten’ van de Oude Baan, waarna ze werden opgepakt door de Duitsers en werden weggevoerd. De oudste zus van Marieke heeft in het concentratiekamp een belofte gedaan. Als ze levend zou terugkeren, dan zou ze in het klooster intreden. Dat is ook gebeurd. Marieke, haar broer en zus hebben het concentratiekamp overleefd en zijn op het einde van de oorlog bevrijd en teruggekeerd.

Onderpastoor Claes heeft ook in het concentratiekamp gezeten. [3] Ook hij is bevrijd en terug gekomen op het einde van de oorlog. Hij was ook ‘ne Witte’, er werd gezegd dat hij berichten smokkelde naar Brussel. Ook hij werd verraden en opgepakt door de Duitsers.

Na de oorlog vroeg onderpastoor Claes aan Marieke om leidster te worden bij de Chiro, ze was akkoord.

In 1946 waren er nog geen Chiro-uniformen. Ik maakte zelf mijn uniform: een zwarte rok, een witte bloes en een gele das. De mutsen werden gemaakt door Julia Laurent (volksnaam: Boem). Ze woonde in de Dorpstraat, op de plaats waar de Paardenstraat op uitkomt. Daar stond een boerderij. Maar die boerderij werd gebombardeerd tijdens de oorlog en was totaal vernield.

In de nasleep van de oorlog was er armoede onder de mensen en dus geen geld om op kamp te gaan met de Chiro. Maar we amuseerden ons toch, vooral door kwajongensstreken uit te halen, zoals ‘belletjetrek’.

We hadden ook wachtwoorden, bijvoorbeeld: hoger – op / klein – dapper.

De onderpastoor was veel aanwezig tijdens de activiteiten, ook om meisjes terecht te wijzen als ze iets mispeuterd hadden. Ook gingen we dikwijls in het bos spelen.

006-1965-chiromeisjes-bertem

Bertemse Chiromeisjes voor het Patronaat, een foto uit 1965 (foto Jef Vanderwegen)

Ons eerste Chirolokaal was in de meisjesschool. [4] Dit was alleen voor de meisjes. De jongens hadden hun lokaal in het Patronaat. [5] Het Patronaat was toen kleiner dan nu, het was maar de helft van het gebouw. Het gebouw was van de kerkfabriek. Later werd een stuk bijgebouwd tot de huidige grootte.

Bij de Chiro mochten ook kleintjes aansluiten vanaf zes jaar. Dat was anders als bij de BJB.

In Korbeek-Dijle werd ook een Chiro gesticht in die tijd. We hadden contact met die groep en verzusterden. Soms werd er gefietst naar het Zoet Water. Ik had een fiets, die kwam van Essene tegen Aalst. Die fiets had de ganse oorlog onder het stro gestoken, want de Duitsers sloegen alle fietsen aan. Mijn broer Louis was zeven jaar onderpastoor in Essene en schonk die fiets aan mij, zijn jongste zus. [6]

Als we naar het Zoet Water fietsten met de Chiro dan maakten we afspraken, want niet iedereen had een fiets. Wie geen fiets had mocht eerder vertrekken te voet. Halfweg hielden zij halt en de fietsers gaven dan hun fiets aan de meisjes te voet. Zo losten we mekaar af.

De grond voor het Chirokapelletje op de hoek van de Groenendaal en de Dorpstraat werd geschonken door de familie Van Hamme. De Burchtgravin Maria is de patrones van Chiro. Zij werd in het kapelletje gezet. Het was de plaats van gebed en de opening van de activiteiten elke zondag.

Ik denk dat het kapelletje 65 jaar geleden gebouwd werd. Toen de Witte Wijk er kwam moest het kapelletje afgebroken worden. [7] De gronden van de familie Van Hamme werden verkaveld. Het kapelletje had er moeten blijven staan, vind ik.

chiro.jpg

Noten
[1] Jozef Maria Willem Van Gestel (Turnhout, 1878 – Wijnegem, 1956) was pastoor van Bertem van 1928 tot 1946.
[2] Alfons August Claes was onderpastoor in Bertem van 1938 tot 1948.
[3] Onderpastoor Claes was van september 1939 tot mei 1940 priester-brancardier in het Belgisch leger. Van 6 april 1944 tot mei 1945 verbleef hij als politiek gevangene in de Duitse concentratiekampen van Breendonk, Buchenwald en Dachau.
[4] De ‘meisjesschool’ was de vrije school van de Zusters van Liefde in de Egenhovenstraat, die nu ‘De Waaier’ heet.
[5] Parochiezaal ‘Ons Huis’ in de Vossenstraat.
[6] Louis Putseys (Bertem, 1917 – Kalfort, 1987) was tot 1951 onderpastoor te Essene, tot hij in Puurs werd aangesteld.
[7] In de tweede helft van de jaren zestig werd de wijk ‘Varenberg’ (de Witte Wijk) door de N.V. Expansie gebouwd.

Het muurtabernakel in de Sint-Veronakapel

"De Ste Veronika Kapel"

In vrijwel alle kerken is het tabernakel in de nasleep van het Concilie van Trente (1545-1563) op het hoofdaltaar komen te staan. Het altaartabernakel ontstond, omdat in Trente bepaald werd dat het Heilig Sacrament in een kastje op het altaar moest worden bewaard. In de Sint-Veronakapel staat op het altaar in travertinmarmer uit 1952 een altaartabernakel, beide ontworpen door Michiel Viérin. Uniek is dat in de Sint-Veronakapel nog een ouder laatgotisch muurtabernakel bewaard is gebleven, dat dateert van de periode 1491-1510. Het bleef wellicht in gebruik tegen het Tridijns besluit in, zoals op veel plaatsen in Duitsland, waar muurretabels nog eeuwenlang in gebruik bleven. In elk geval heeft gelukkig niemand het idee gekregen om het te verwijderen.

Al van bij het ontstaan van de Kerk werd brood dat geconsacreerd was tijdens de eucharistieviering, bewaard, o.m. om het te kunnen uitreiken aan zieken en stervenden. Omdat volgens de leer van de Kerk Christus aanwezig was in het geconsacreerde brood, werd de hostie bewaard in kostbare doosjes, aanvankelijk door de gelovigen of de priesters thuis en vanaf de 6e eeuw in de kerk. Sinds de 9e eeuw gebeurde dit bij voorkeur op het altaar in een ronde of veelzijdige metalen bus, de pyxis. Het vierde Lateraans Concilie van 1215 kondigde dan het dogma van de transsubstantiatie af: het brood en de wijn veranderden tijdens de consecratie wezenlijk in het lichaam en bloed van Christus. De hostie of het Heilig Sacrament werd daarom een voorwerp van verering en sommigen meenden dat het een wonderbare kracht bezat. Door de toenemende verering van het Heilig Sacrament, o.a. door de instelling van het Sacramentsfeest in 1264, werd de pyxis met een voetstuk vergroot tot een ciborie en/of monstrans. Bescherming tegen heiligschennis en diefstal drong zich op, ook van het kostbare vaatwerk waarin de hosties werden bewaard. Een nis in de muur die kon worden afgesloten met een slot, werd beschouwd als een veilige bewaarplaats. De gebruikelijke maar niet exclusieve plaats voor zo een muurnis was de noordelijke wand van het koor. Het is op die plaats dat het muurtabernakel in de Sint-Veronakapel zich bevindt.

Muurtabernakel Sint-Veronakapel, ca. 1500. Natuursteen, sporen van poly-chromie, overschilderd.

Muurtabernakel Sint-Veronakapel, ca. 1500.
Natuursteen, sporen van polychromie, overschilderd. (foto: Bert Bertels)

Het centrale vlak in het muurtabernakel is een rechthoekig houten deurtje met grendel en slot, waarachter het Heilig Sacrament werd bewaard. Een speciale verering van het Heilig Sacrament is er in de Sint-Veronakapel wellicht niet geweest, anders zou het deurtje zeker voorzien zijn geweest van een soort traliewerk waarlangs de gelovigen een bescheiden blik zouden hebben kunnen werpen op het Heilig Sacrament ter aanbidding. Waar er wel expliciete verering was, stond het tabernakel meestal op een voor de gelovigen meer bereikbare plaats, nl. in of tegen de oostelijke muur van de noordelijke kruis- of zijbeuk aan de kant van het koor. Toch drukt het muurretabel van de Sint-Veronakapel op zichzelf een zekere vorm van verering uit door het architecturaal en sculpturaal ornament.

De houten deur van het muurretabel is immers gevat in een natuurstenen reliëf dat opgebouwd is als een gotische siergevel, een soort kerkportaal. De deurstijl loopt uit in een kielboog met decoratieve tracering (maaswerk). De boog zelf is voorzien van versierende bladmotieven (hogels) en de boogspits eindigt in een kruisbloem (een stam die uitloopt in vier knoppen) afgedekt met een sierbol (pumeel). Achter deze kruisbloem bevindt zich over de volledige deurbreedte een bogenveld met links en rechts van de kruisbloem twee spitsbogen met tracering. Het centrale deel wordt bovenaan begrensd door een horizontaal profiel versierd met twee symmetrische bloemenranken met elk drie bloemen. Onder het deurtje bevindt zich een dorpelsteen die rust op een dwarsprofiel met bladrankmotief. Links en rechts ervan torsen twee engelfiguurtjes het geheel, dat gevat lijkt te zijn tussen twee zuilen, op hun schouders. Ze tonen elk een plakkaat waarop oorspronkelijk allicht tekst was aangebracht die uitnodigde tot eerbied en gebed. Ze dragen biddend het schrijn. De zuilen zijn vierkantig en staan op twee sokkels. Ze zien er eigenlijk eerder uit als een sokkel voor een renaissancesculptuur. Toch worden deze voetstukken elk bekroond met een gotische sculptuur onder een baldakijn versierd met hogels en kruisbloem. Boven deze baldakijnen zijn de randprofielen, die het bovenste dwarsprofiel dragen, uitgewerkt als pinakels – ook met hogels en kruisbloem – van een gotisch gebouw.

Kunnen de twee gotische sculpturen worden geïdentificeerd? De linker figuur is zonder twijfel een engel gezien zijn vleugels. Hij draagt een banderol of spreukband in zijn hand. De tekst is helaas niet meer leesbaar. De rechter sculptuur is een vrouwenfiguur. Een engel met een boodschap tegenover een vrouw: dit moet een voorstelling van de Annunciatie zijn. De engel Gabriel brengt Maria de boodschap dat ze de moeder van God zal worden. Het is geweten dat de menswording van Christus een geliefd thema was bij tabernakels, waarbij Gabriel en Maria zoals hier in de Sint-Veronakapel aan weerszijden van de nis werden afgebeeld, meestal gesculpteerd maar soms ook ernaast op de muur geschilderd. Zo wordt de incarnatie, de menswording van Christus als vrucht in de schoot van Maria, geplaatst naast de transsubstantiatie, de aanwezigheid van het lichaam van Christus in de geconsacreerde hostie.

Het muurtabernakel van de Sint-Veronakapel is nog altijd herkenbaar als een fraai laatgotisch ornament, maar het moet er ooit nog mooier hebben uitgezien. Op het gezicht van één van de twee engeltjes zijn er nog heel vage sporen van vergulding en bovenaan zijn ook nog sporen van de rode kleurvulling van de boogvelden te zien onder de grijze verflaag. Ooit was dit meesterwerkje gepolychromeerd. Wat is er nog (te) behouden van de oorspronkelijke polychromie daaronder? Op de linker sokkel bv. zijn de verflagen al weggehaald tot op de natuursteen. Een oordeelkundige restauratie dringt zich op, waarbij onderzocht wordt of de grijze verf kan verwijderd worden zonder de nog aanwezige polychromie mee te verwijderen.

(Jan Jansen – Erfgoedkamer)