1935: klooster en school branden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be. 


We gaan wat dieper in op de meest indrukwekkende gebeurtenis tijdens de periode van het basisonderwijs in Leefdaal tussen de twee wereldoorlogen, namelijk de brand in 1935 van het klooster van de Zusters van Sint-Jozef en vooral van de kleuter- en meisjesschool. De gebouwen horen nu toe aan de gemeente en herbergen de school, de bibliotheek en de jeugdlokalen.

Toestand voor de brand

Het lager onderwijs in Leefdaal kende rust na de woelige naoorlogse periode. De gemeentelijke jongensschool kreeg in 1929 twee supplementaire klaslokalen. Het plaatsgebrek was hiermede opgelost. Sinds het begin van de twintiger jaren hadden vier vaste onderwijzers het roer in handen: Alfons Adams, Hendrik Kiebooms, Frans Van Mulders en Armand Devriese. In de aangenomen meisjesschool van de zusters van de Heilige Jozef verzorgde een vaste kern van religieuzen het onderricht. Zij waren vooral bekend onder hun kloosternaam, maar officieel noemden ze Maria Josephine Vanden Eynde, Martha Bossaerts, Jeanne Fontaine en Maria Ameryckx.

Het verplichte onderwijs van de zes- tot veertienjarigen, dat aanvankelijk voor enige moeilijkheden had gezorgd, was vlug vrijwel algemeen aanvaard. Het afwezigheidspercentage, permanente en langdurige zieken inbegrepen, bleef laag. Meer en meer ouders raakten overtuigd van het nut van het onderwijs. De economische crisistoestand van de dertiger jaren versterkte dit gevoel.

De brand

Schermafbeelding-2013-03-29-om-20.45.22-300x151

De Volksstem, 15 mei 1935

In 1935 sloeg het noodlot toe. De beveiliging van de elektriciteitsinstallaties was in die tijd verre van ideaal. Door een kortsluiting ontstond brand in het klooster. De zusters merkten hem op. Zelf blussen bleek onmogelijk. De brandweer kwam te laat om te verhinderen dat de vlammen oversloegen naar de schoollokalen. Gelukkig konden alle kinderen in veiligheid worden gebracht en een deel van de inboedel gered. Toch bleef de materiële schade aanzienlijk. Het archief ging volledig in de vlammen op, zodat een groot deel van de kloostergeschiedenis verloren ging.

In afwachting van de wederopbouw vonden de eerstegraadklas en de kleuters een onderdak in ‘Les Marroniers’, het vroegere Hof van Schollenberg (A. Devriesestraat), dat eigendom was van graaf Charles de Liedekerke, de kasteelheer. De overige klassen – tweede, derde en vierde graad – verhuisden naar de jongensschool. De meisjes kregen er onderricht in de namiddag, de jongens in de voormiddag. Tijdens de zomerhitte vroegen de zusters een omwisseling, maar het gemeentebestuur wimpelde het verzoek af. Tenslotte was de keuze oorspronkelijk aan de zusters gelaten.

De geredde meubelen kregen onderdak in de nabije gebouwen van de vroegere brouwerij De Keyn in de Dorpsstraat, die pas waren aangekocht door de familie Verdeyen.

De wederopbouw

De wederopbouw van het klooster, naar een plan van architect Walthère Michel uit Vorst, verliep vlot en duurde nauwelijks een jaar, dank wellicht aan de slabakkende economie en de grote werkloosheid in de bouwsector.

De nieuwe school kreeg het uitzicht dat nog zichtbaar is in het deel van de huidige gebouwen van de gemeenteschool dat grenst aan de speelplaats. De nieuwe lokalen, ruim en goed verlicht, betekenden een grote verbetering ten opzichte van de oude. Ook de brandveiligheid was degelijker verzekerd.

Het financiële plaatje is niet volledig bekend. De gemeenteraad verleende een subsidie van 1500 frank. De gekende facturen liepen op tot 28.797 frank voor nieuwe schoolmeubelen en leermiddelen en tot 15.518 frank voor de herstellingen van de vloeren, voor het schilderwerk en voor de nieuwe ramen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het lager onderwijs in Leefdaal tussen de twee wereldoorlogen

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


De organieke wet op het lager onderwijs van 19 mei 1914 had de leerplicht ingevoerd voor de zes- tot veertienjarigen. Tijdens de oorlog en tijdens de eerstvolgende jaren liep de uitvoering van de wet van geen leien dakje. Daarom verscherpte de wet van 18 oktober 1921 het toezicht op de leerplicht. De tegenkantingen bleven bestaan. In de jaren die volgden liepen vele ouders uit Leefdaal flinke boeten op. De houding was enigszins begrijpelijk bij de arme, hardwerkende bevolking, maar legde een zware hypotheek op de toekomstkansen van de kinderen.

Het lager onderwijs was een gemeentezaak. Dat betekende niet dat het kon rekenen op een bevoorrechte behandeling vanwege het bestuur. Het volgde de opinie van (een belangrijk deel) van de kiezers. Het zag de hoge waarde van het onderwijs voor het volkskind niet in. Bovendien was zijn grootste zorg het strikt beperken van alle uitgaven en van de belastingheffing.

Voor alle duidelijkheid moet gezegd dat te Leefdaal na de Eerste Wereldoorlog twee scholen bestonden: de gemeentelijke jongensschool en de aangenomen meisjesschool van de Zusters van de H. Jozef.

De jongensschool

Twee graadklassen (een graadklas omvat twee leerjaren) huisden in de lokalen achter het gemeentehuis, die gedwongen door een speciaal Koninklijk Besluit in 1868 waren gebouwd. Een derde klas was ingericht in het gemeentehuis zelf. Alle vertrekken waren overbevolkt. De kantonale schoolopziener eiste in 1919 dat een derde, lang beloofde klaslokaal onverwijld moest worden gebouwd.

Het gemeentebestuur vond een ‘voorlopige’ oplossing. In 1920 maakten de zusters ruimte voor een vierde lagere klas in hun klooster, een gemengde klas voor meisjes en jongens tot acht jaar. Voor het bestuur was het een prima oplossing, voor de opziener niet. In 1924 drong hij nogmaals aan op de bouw van de nodige klaslokalen: ‘Dit is het enige doeltreffende middel om den ellendige toestand te verhelpen.’ Bovendien herinnerde hij eraan dat het bestuur wettelijk verplicht was een (afzonderlijke) vierde graadklas voor dertien- en veertienjarigen in te richten.

Het antwoord van het bestuur was duidelijk: ‘gezien de tijdsomstandigheden is het onmogelijk aan nieuwe schoollokalen te kunnen denken’, terwijl ‘een vierde graad van weinig nut was omdat de bevolking grotendeels uit landbouwers bestond’. De provinciegouverneur bleek niet akkoord met de argumentatie. In een ongemeen scherpe brief van 14 juni 1927 eiste hij voor 15 juli een definitief besluit omtrent de bouw van nieuwe klaslokalen, zo niet ‘laat ik het onderwijs gans ten laste van de gemeente’. Als de bedreiging sloeg op de provinciale subsidie, dan betekende het een kleine ramp voor de gemeente; indien ook de betaling van de wedden door de Staat zou worden geschorst dan was het een ware catastrofe. Het schikbeeld van een dergelijke financiële aderlating bleek afdoende. In 1929 bouwde Frans Roeykens uit Vossem, naar een plan van architect Jan Dewit uit Heverlee, twee bijkomende klaslokalen achter het gemeentehuis.

achter-gemeentehuis-leefdaal-2011

De schoollokalen achter het gemeentehuis (2011)

Het schoolpersoneel

Jan Frans Debondt was in 1918 hoofdonderwijzer in de jongensschool. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij een bedrijvig activist die koos voor samenwerking met de Duitse bezetter. Hij werd prompt uit zijn functie ontzet. De gemeenteraad benoemde Alfons Adams, sinds 1913 onderwijzer, tot schoolhoofd. Ook hij was activist geweest. De gemeenteraad bleef hem echter steunen, ook nadat een Koninklijk Besluit van 3 november 1919 hem ter beschikking stelde. De tuchtstraf werd twee jaar later ingetrokken en Adams werd opnieuw hoofdonderwijzer.

Ondertussen hadden een aantal jonge leerkrachten een tijdlang in Leefdaal lesgegeven, maar zij verdwenen vlug naar andere oorden. De raad benoemde in 1921 Hendrik Kiebooms tot onderwijzer. Een jaar later volgde Frans Van Mulders. Ten slotte vervolledigde Armand Devriese het viertal dat tot de Tweede Wereldoorlog het beeld van de jongensschool bepaalde.

De meisjesschool

De meisjesschool huisde in het klooster van de Zusters van de Heilige Jozef. Na 1920 moesten zij in 1930, bij de installatie van een vierde graadklas voor de meisjes, opnieuw een vertrek vrijmaken. Het gemeentebestuur huurde de lokalen, maar zijn geldelijke tussenkomst bleef gewoonlijk aan de karige kant.

In 1935 sloeg het noodlot toe. Door een kortsluiting ontstond brand in het klooster. Hij bereikte snel de schoollokalen. De schade was enorm. Alles moest worden hersteld. De wederopbouw duurde een jaar, maar het schoolarchief was reddeloos verloren. Een aantal meisjes uit de lagere school vonden voorlopig onderdak in het gemeentehuis; de kleuters en de eerste graadklas in de ‘baronie’ in de huidige A. Devriesestraat. De wolk had een gouden randje. De nieuwe lokalen betekenden een verbetering ten opzichte van de oude. Na wat aanvankelijk personeelsverloop bleef een vaste kern van vier religieuzen onderwijs verstrekken tot bij het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Einde van het tijdperk

Tijdens de late dertiger jaren werden de tekens van een naderende crisis in het dorpsonderwijs duidelijk. Vooral de jongensschool bleek getroffen. De oorzaken waren velerlei. De bijzonderste was waarschijnlijk de aantrekkingskracht van de grote stadsscholen. Hun basisonderwijs gaf een betere voorbereiding op voortgezet onderwijs. In minder dan twintig jaar was de publieke opinie ten aanzien van het onderwijs grondig veranderd. Na hun plechtige communie verlieten de jongens massaal de dorpsschool om verder te studeren in de stad. Het meisjesonderwijs ontsnapte aanvankelijk gedeeltelijk aan de nieuwe trend. Het was degelijk, rekening gehouden met zijn doelstelling: opvoeding tot goede huismoeders. De ideeën hieromtrent zouden vrij vlug veranderen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Petrus Josephus De Keyser en zijn woning

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


IMG_7430Petrus Josephus (Pierre) De Keyser werd in 1857 te Duisburg geboren. Hij kreeg een opleiding als landmeter. De opmeetplannen die hij afleverde waren altijd uiterst verzorgd, pareltjes in hun soort.

De Keyser kwam uit Leefdaal terecht in 1881 als onderwijzer in de katholieke school. De liberale partij had in 1878 nationaal een grote verkiezingsoverwinning behaald. Het ogenblik leek gunstig om haar idealen inzake een lekenstaat te verwezenlijken. Een nieuwe schoolwetgeving verplichtte in 1869 alle gemeenten tenminste één school te bezitten en verbood ze toelagen te verstrekken aan vrije scholen. In de gemeentescholen mochten geen godsdienstlessen worden gegeven, tenzij buiten de lesuren en op uitdrukkelijk verzoek van de ouders, en mochten alleen onderwijzers met een diploma van een rijksnormaalschool worden benoemd. Leefdaal bezat een gemeentelijke (jongens)school, die meisjes aanvaardde.

Anderzijds waarborgde de Belgische grondwet sinds de stichting van het koninkrijk vrijheid van onderwijs. Dat betekende onder meer dat iedereen onderwijs mocht inrichtten. De Belgische bisschoppen gaven onmiddellijk na de goedkeuring van de wet van 1869 aan alle pastoors de opdracht zo nodig een katholieke lagere school op te richten. Pastoor Silvercruys te Leefdaal kweet zich onmiddellijk van zijn taak. Hij opende met de hulp van een Comiteit een nieuwe katholieke jongensschool in een huis op de Mezenstraat. De bestaande zustersschool voor meisjes bleef bestaan als vrije school, maar verloor dus alle overheidssteun.

De schoolstrijd was begonnen. Zoals in vrijwel alle Vlaamse dorpen stortte het gemeentelijk onderwijs te Leefdaal ineen. De vrije katholieke scholen bloeiden. Maar de medaille had een keerzijde. De kosten stegen torenhoog en de gelovigen, met graaf de Liedekerke aan het hoofd, bleken met de jaren minder en minder geneigd de nodige gelden op te hoesten. Wegens geldgebrek bleek de aanstelling van een goede, gediplomeerde onderwijzer voor de jongens stilaan onmogelijk.

Toen kwam De Keyser. Hij bezat geen diploma van een rijksnormaalschool, maar vroeg een minimale wedde: honderd frank per maand, minder dan zijn voorgangers, zij het ruim toch nog het dubbele van het loon van een landarbeider. De Keyser was een jong en zuinig man die tijdens de zomermaanden elke dag te voet van het ouderlijke huis in Duisburg naar Leefdaal en terug liep om huisvestingskosten uit te sparen.

Bij de nationale verkiezingen van 1884 liepen de liberalen een verpletterende nederlaag op. De nieuwe katholieke regering legde het lagere onderwijs opnieuw volledig in handen van de gemeenten, die vrije scholen mochten erkennen of beter aannemen (als gemeenteschool). Onderwijzers zonder officieel diploma mochten opnieuw worden benoemd. Het godsdienstonderwijs werd opnieuw toegelaten.

De katholieke jongensschool te Leefdaal werd opgedoekt en de leerlingen naar de gemeenteschool gestuurd. De zusterschool voor meisjes werd aangenomen. In de gemeenteschool bleef de titularis A.S. De Pauw (hoofd)onderwijzer; P. De Keyser werd hulponderwijzer.

Uit alle beschikbare inlichtingen blijft dat de Keyser een verdienstelijk onderwijzer was. Na het overlijden van De Pauw mocht hij met reden een promotie verwachten. Helaas behoorde hij tot de verkeerde dorpspolitieke partij en Jan Frans Debondt uit Mechelen werd hoofdonderwijzer. Het leidde tijdens de volgende jaren tot een bitse rivaliteit tussen de beide onderwijzers. De Keyser stierf in 1914. Hij zou de teleurgang van Debondt na de Eerste Wereldoorlog niet meer meemaken.

Petrus Josephus De Keyser was in 1892 gehuwd met de twee jaar jongere Maria Honorina De Wandeleer uit een welgestelde Wezembeekse familie. Hij beschikte op dat ogenblik over een ruim inkomen als onderwijzer en landmeter, (later?) aangevuld met commissielonen als verzekeringsagent.

Het echtpaar bouwde onmiddellijk een fraai en statig classicistisch burgerhuis naast het gemeentehuis. De voornaamheid van het gebouw botst met de reputatie van zuinigheid van de beide echtelieden. Maar dit was een belegging, geen courante uitgave.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Een man uit Bertem sticht een middelbare school in Leefdaal

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 12 februari 2013 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Het schooltje

Schermafbeelding-2015-09-23-om-11.09.58

‘Jan groet zijnen onderwijzer’

Philippe-Jacques Coeckelbergs uit Bertem gaf gedurende de jaren 1839-1843 voortgezet zondagonderwijs in een privé-schooltje ‘beschermd door de gemeente Leefdaal’. De man was de enige leraar. Hij onderwees Frans en ‘Vlaemsch’. Waaruit de bescherming van de gemeente bestond is onduidelijk. Noch in de gemeenterekeningen, noch in de verslagen van de gemeenteraad is enig spoor te vinden. Het gemeentearchief bevat evenmin documenten die zouden kunnen wijzen op het bestaan van een dergelijk schooltje. Misschien bestond het gewoon in het kader van het zondagse volwassenenonderwijs. Houden wij het erop dat de lessen wellicht gegeven zijn in het gemeentelijke schoollokaal, dat zich samen met het gemeentehuis, ‘la maison communale’, bevond in een herberg bij de kerk.

Het bleef allemaal waarschijnlijk erg kleinschalig en liet weinig sporen na tenzij in een familiearchief. Maar er kwam een verrassende wending. De wet van 30 maart 1870 tot vermindering van de kiescijns voorzag een daling voor hen die sinds 1830 tenminste drie jaar middelbaar onderwijs hadden gevolgd in een openbare of privé-instelling. Men was in het toenmalige België alleen kiesgerechtigd indien men een bepaalde som aan cijns, een belasting betaalde. Een vermindering van de kiescijns betekende dus een voordeel bij de inschrijving op de kiezerslijsten.

Om de lijsten te herzien diende de provinciale bestendige deputatie de instellingen aan te duiden die een attest konden afleveren van middelbaar onderwijs. De ‘school van Coeckelbergs’ bleek te voldoen aan de voorwaarden. Om daar onderwijs te volgen was het inderdaad noodzakelijk lager onderwijs te hebben doorlopen. Er werd vier jaar les gegeven of meer dan de vereiste drie jaar.

De familie Coeckelbergs

De familie Coeckelbergs exploiteerde de watermolen op de Veronewijk permanent sinds 1716. Met de bijhorende middelgrote hoeve was het ongetwijfeld in die tijd een belangrijk bedrijf. De familie was welgesteld. Zij bouwde haar fortuin uit tijdens de Franse periode toen de landprijzen ineenstuikten door het massale verkopen van ‘zwart goed’, onteigende kerkelijke goederen. Bovendien kon zij rekenen op een paar vrij belangrijke erfenissen. Op basis van dit fortuin kon de jonge Philippe-Jacques een schitterende toekomst opbouwen. Hij was geboren in Bertem op 9 augustus 1813 en werd kandidaat in letteren en wijsbegeerte aan de Leuvense universiteit, een niet geringe prestatie voor een burgerzoon.

Zelf bouwde hij een mooie loopbaan uit. Hij werd gemeentesecretaris van Bertem en gaf les in de scholen voor volwassenen van Bertem en Leefdaal. En zoals vermeld gaf hij tijdens de jaren 1839-1843 voortgezet onderwijs in Leefdaal. Op 30 september 1843 werd hij leraar van het zesde leerjaar en op 26 september 1850 van het vijfde in het gemeentelijke college van Leuven.

Hij huwde in Leuven op 20 mei 1858 met Maria Staes, lid van een bekende Leuvense familie. Hun archief bleef bewaard. Philippe-Jacques nam ontslag als leraar in 1868 en overleed in Leuven op 1 april 1889.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het klooster van Bertem op zoek naar ‘ondersteuning’

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

In het stadsarchief van Brugge wordt het Fonds Gilliodts bewaard. Deze nalatenschap van Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915), Brugs stadsarchivaris van 1868 tot aan zijn dood, omvat een zeer uiteenlopende inhoud. Gilliodts verzamelde archiefstukken, zodat deze in het fonds terug te vinden zijn. Er zijn ook zijn wetenschappelijke notities die hij maakte tijdens zijn opzoekingen in archieven. Het is evenwel ook zijn familiearchief, met onder meer zijn correspondentie. Ook enkele brieven gericht aan zijn tweede echtgenote, Romanie Vandenbussche (1873-1926), zijn hier verrassend genoeg terug te vinden.[1]

Een van die laatste brieven biedt onverwacht een kijk op Bertem in 1920. Hoe kan dit? Romanie Vandenbussche werkte eerst als dienstmeid, maar haar huwelijk met Gilliodts maakte haar een begoede dame. Haar echtgenoot was altijd zeer mild en liefdadig geweest. Hoewel zijn erfenis haar niet volledig te beurt viel, was de weduwe na Gilliodts’ overlijden in 1915 ongetwijfeld nog altijd welgesteld. Men kon dan ook maar wensen dat ze zich even gul zou tonen als Gilliodts.

Een zuster uit Bertem hoopte daarom in 1920 dat Romanie Vandenbussche ondersteuning zou willen geven aan haar klooster. De briefschrijfster was Emerence Marie Spriet, op 13 juli 1871 geboren in Wingene. Daar was eerst haar vader en dan haar broer Edmond en zus Marie een pachter van Gilliodts geweest, zodat ze zelf had kunnen kennismaken met de goedhartigheid van de Brugse familie. Emerence had er voor gekozen in te treden bij de Zusters van Liefde, waar ze als kloosternaam Zuster Basile nam. Op 27 februari 1900 verhuisde Zuster Basile vanuit het Gentse moederhuis naar het Bertems klooster. Daar werkte ze in de school en hielp ze in het huishouden.[2]

De brief die Zuster Basile naar Romanie Vandenbussche schreef is interessant genoeg om hier grotendeels uit te geven. Enkele stukken zijn weggelaten, zij bevatten namelijk niets anders dan lovende woorden voor de ontvangster.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

A[d] M[ajorem] D[ei] G[loriam]

Zeer geachte Mevrouw.

Ik heb het geluk en de eer U onze eerbiedigste en rechtzinnigste gevoelens aan te bieden. Degene die U schrijft is misschien U onbekend maar Gij, achtbare Mevrouw, zijt mij niet vreemd. O neen, ik ken U door uwe milddadigheid, door uwe overgroote liefde voor armen en noodlijdenden, door uw groot en edelmoedig hert, om alle goede werken en nuttige inrichtingen te ondersteunen. […] Wat moet Gij gelukkig zijn, achtbare Mevrouw, zooveel gelukkigen te kunnen maken, want het meeste geluk is voor mij anderen gelukkig te maken. Ik ben Emerence Spriet, Zuster Basile, zuster van liefde te Berthem. Ik herinner mij zoo gaarne met veel vreugde de hooggeachte Mijnheer Gilliodts die vader zaliger zoo genegen was. Wij houden alle achting voor den achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Gilliodts zaliger, die de liefdadigheid in den volsten zin oefende.[3]

Ik neem de eerbiedige vrijheid U te verzoeken ons ook uwe ondersteuning te willen verleenen voor ene volksbibliotheek die wij ingericht hebben voor de inwoners van ons dorp, maar vooral voor de jonge meisjes die tegenwoordig zoo blootgesteld zijn aan al dat werelds is.[4] Wij willen, door goede en aantrekkelijke boeken in de huizen gaan preken om dien stroom van bederf tegen te houden en daarom, achtbare Mevrouw, kom ik uwe milddadigheid afsmeeken om ons te ondersteunen. Boeken en kas zijn tegenwoordig zeer duur. Wij gebruiken ook alle middelen om de kinderen zoolang mogelijk in de patronage te houden en te vermaken door aangename spelen, nuttige voordrachten, belooningen enz. Het is nog al lastig niet kunnen uitvoeren, wat men zou willen uitwerken uit liefde tot God en tot heil der zielen onzer tweehonderd kinderen die veel te kampen en te strijden hebben tegen het kwaad.

[…]

Berthem is een klein dorp, niet ver van Leuven gelegen. De beschaving en de godsdienst laat er veel te wenschen, daarom willen wij al onze krachten inspannen en met dubbelen moed werken, om den godsdienst en de eerbaarheid te doen bloeien en van de Berthemsche jeugd christelijke en vrome dochters te maken, en verstandige huismoeders en dat alles uit zuivere liefde tot God die ons gekozen heeft om zijn apostelwerk voort te zetten.

Ik schrijf dezen brief met veel vreugde, omdat ik de zoete hoop koestere ook de goedheid en de milddadigheid van U, geachte Mevrouw, te mogen genieten, ook nog omdat ik in den geest tot Brugge ben, waar wij zooveel vreugde genoten bij den zeer achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Marie, zaliger, want ’t is dank aan onze goede en duurbare Juffrouw Marie dat ik zuster van liefde ben en zoo gelukkig dat ik mij onder de gelukkigste der menschen tel.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

Wij zijn zeven en twintig zusters, verzorgen veel oude menschen en zieke kinderen. Wij hebben eene school die wel bevolkt is en onze brave kinderen komen geerne ter school. Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen.

Gewaardig, zeer goede en achtbare Mevrouw de verzekering van onzen diepen eerbied en de hulde van onzen dank te aanveerden.

Uwe toegenegene in Jezus-Christus

Zuster Marie Basile

Berthem, 17 Juni, 1920.[5]

Of Romanie Vandenbussche enige steun verschafte aan het klooster, is mij onbekend. Een bezoek aan Bertem zal ze wel nooit gebracht hebben. En Zuster Basile? Die verliet op 22 oktober 1928 het klooster in Bertem. Haar bestemming was het mijnhospitaal in Leut, daar gevestigd in het voormalige kasteel van Vilain XIIII.

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

Noten

[1] A. VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts. Academische zitting en tentoonstelling ter herdenking van de voormalige stadsarchivaris Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915). Catalogus, Brugge, 1980.

[2] Bediening der Zusters, 1900, afgebeeld in G. DE NEEF en R. UYTTERHOEVEN, Fundamenten in seniorenzorg. 175 jaar Zusters van Liefde van Jezus en Maria te Bertem, Bertem, [1993], 31.

[3] Het gaat hier om Louis Gilliodts-van Severen en Marie Gilliodts (1859-1904), zijn dochter uit zijn eerste huwelijk. Marie Gilliodts bleef ongehuwd en wijdde haar leven aan weldadigheid en godvruchtige werken.

[4] In 1904 was een bibliotheek opgericht in de meisjesschool bij het klooster. In 1930 besloot de gemeenteraad er 0,25 frank per inwoner subsidie aan te geven. De bibliotheek werd toen ook voor tien jaar door de gemeente aangenomen. (H. VANNOPPEN, De geschiedenis van Bertem. De parel van de Voervallei, Bertem, 1978, 373.)

[5] BRUGGE, Stedelijk archief Brugge, Fonds Gilliodts, briefwisseling, nr. 105: brief van E.M. Spriet aan mevr. Gilliodts [= R. Vandenbussche], 17 juni 1920.

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal

Geplande werken

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal is betrokken bij de belangrijke werken die doorgaan in samenwerking tussen de gemeente Bertem en een private partner. Volgens de folder die het gemeentebestuur verspreidde zal ‘de private partner een tiental nieuwe appartementen bouwen in, naast en achter het oude gemeentehuis. Dit zal gebeuren met veel respect voor het oude gebouw; alle gevels blijven behouden en het gebouw wordt verbouwd. Voor de bewoners worden ondergrondse parkeerplaatsen voorzien. De bouwwerken beginnen pas na de verhuis van het OCMW naar het sociaal huis (in Bertem) en na de ingebruikname van het gemeenschapshuis (achter het oude rijkswachtgebouw)’. De oude schoollokalen achter het vroegere gemeentehuis verdwijnen.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

Een school

De oorspronkelijke bestemming van de site was een nieuwe gemeenteschool. De oude bij de kerk was volkomen ongeschikt geworden. Het gemeentebestuur, enkele rijke pachters, bleek lange tijd niet bereid hieraan te verhelpen. Het vond het blijkbaar onnodig veel geld te besteden voor het onderwijs van de (arme) kinderen. Zij moesten zo spoedig mogelijk aan het werk om de schamele gezinsinkomens wat op te krikken. Het gemeentebestuur weigerde dan ook pertinent een degelijke school te bouwen, ook als het wettelijk een verplichting werd, met als excuus ‘geen geld’. De liberalen die in 1857 nationaal aan de macht waren gekomen zagen het anders. Zij mikten op arbeiders met een basisopleiding voor de opkomende industrie.

Dus greep de provinciegouverneur in. Op zijn vraag ondertekende de minister van Binnenlandse Zaken op 20 juni 1864 een Koninklijk Besluit dat de gemeente Leefdaal verplichtte een nieuwe school te bouwen en subsidies beloofde. Het gemeentebestuur reageerde met langzame spoed. Het onteigende op 22 mei 1866 een bouwterrein van 18 are 70 centiare en betaalde hiervoor de som van 1.496 frank. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 30 oktober 1866 benoemde de regering de nipt verkozen liberaal Justin Tielemans tot burgemeester. Hij was een grote voorstander van het overheidsonderwijs en heeft zich zeker ingespannen om de bouw van de nieuwe school te bevorderen. Louis Van Arenbergh, de provinciale bouwmeester voor het arrondissement Leuven, werd de architect. De totale kostprijs bedroeg met de meubilering ruim 32.000 frank. Het lijkt nu een peulschil, maar een mannelijke landarbeider verdiende toen ongeveer een frank voor een lange werkdag; vrouwen en kinderen nog veel minder. De bouw was vrijwel afgewerkt in juli 1869.

Het gemeentebestuur kreeg een financiële dobber te verwerken. Al verleende de Staat en de provincie ruime subsidies toch moest de gemeente een lening van 8.000 frank aangaan die hoofdelijk en solidair gewaarborgd was door de burgemeester en de twee schepenen. De belastingen verhoogden. Op 13 oktober 1868 werd beslist zestien opcentiemen op de grond- en personenbelasting te heffen. De belasting bleef jarenlang bestaan en werd later verzwaard.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Gemeentehuis en onderwijzerswoning

Het meest in het oog springende deel van de nieuwe bouw bleken niet de schoollokalen te zijn, maar een gemeentehuis met woongelegenheid voor het schoolhoofd. Het had het statige voorkomen van een rijke-burgerswoning, de droom van elke rechtgeaarde welgestelde. Alles was bedoeld om de uitstraling van de gemeentelijke overheid te beklemtonen met aan de buitenzijde een pronkgevel versierd met zandsteen en een trap met het begin van een bordes. Binnen kwam een mooie statietrap en een grote raadszaal, die vooral diende voor huwelijkensluitingen en andere plechtigheden. Het hoge, symmetrische gebouw maakte grote indruk midden de lage dorpswoningen. Aan de behoeften van de administratie was minder gedacht. Geen zorg; er bestond nauwelijks enige administratie. Verborgen achter het hoge gebouw stonden twee klaslokalen. Rare jongens in Leefdaal? Toch niet. In het hele land staan vele tientallen dergelijke pronkerige gemeentehuizen annex schoolgebouwen. De regering bevorderde stilzwijgend de bouw.

Het was niet te verwonderen dat het grote gebouw in de loop van de jaren vele nevenfuncties vervulde. De schoolhoofden of in het midden van de vorige eeuw de gemeentesecretaris, bewoonden de westelijke vleugel. Andere lokalen deden lange tijd dienst als dodenhuisje, als medisch kabinet voor de gezondheidsonderzoeken van de schooljeugd en, erg tegen de zin van de schoolinspectie, als leslokaal. Dat bleek nodig omdat het eigenlijke schoolgebouw vlug te klein bleek. Een uitbreiding met twee klaslokalen kwam pas in de late jaren twintig van de vorige eeuw.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog zijn de meeste vertrekken van het hoofdgebouw geleidelijk in gebruik genomen voor gemeentelijke functies. Sinds de fusie van 1976 huisvest het gebouw de diensten van het OCMW van de nieuwe gemeente Bertem. Ondanks verschillende restauraties bevindt vooral het westelijke gedeelte zich in een ellendige staat. Na de samenvoeging van de beide gemeentescholen vonden de muziekmaatschappijen en een paar andere plaatselijke verenigingen een toevlucht in de vroegere schoollokalen.

Epiloog

In het vroegere gemeentehuis en in de schoollokalen heeft zich heel wat dorpsgeschiedenis afgespeeld, blijde gebeurtenissen, zoals huwelijken, en tragische, zoals de mislukte aanslag op de oorlogsburgemeester in 1944. De grote kelders hebben in hetzelfde jaar als voorlopige gevangenis gediend voor Duitse krijgsgevangenen en opgepakte ‘collaborateurs’. Na de fusie bleven de gebouwen voor vele inwoners symbolen van de vroegere zelfstandigheid van het dorp. Op 12 december 2002 had een informatievergadering plaats over de toekomst van het hele complex. Het schepencollege leek te opteren voor afbraak en nieuwbouw. De meeste toehoorders hadden het er moeilijk mee. De muziekmaatschappijen vreesden voor ruimtegebrek. De huidige oplossing vindt men bij het begin van deze tekst.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Meer informatie: W. Brumagne, ‘Leefdaal 1867-1868, De gemeente bouwt een school met afhankelijkheden’, De Horen, driemaandelijks ledenblad Koninklijke Heemkundige Kring Sint-Hubertus (Tervuren-Leefdaal), 2004/4, p. 160-167 en 2005/1, p. 31-32.

Sint-Bernardus. De tumultueuze meidagen 1940

In het archief van de Zusters van Liefde in Gent bevindt zich een Franstalig verslag over de meidagen 1940 in Sint-Bernardus Bertem. De auteur is niet vermeld. Hierna volgt een samenvatting. Voor een goed begrip van de tekst: het klooster beheert in 1940 een meisjesschool, een rusthuis voor betalende ‘dames’, een afdeling voor hulpbehoevende zieke en gehandicapte vrouwen, meestal geplaatst door Commissies van Openbare Onderstand, en een landbouwbedrijf.

Het klooster in 1947.

Het klooster in 1947.

10 mei 1940. De Duitsers vallen België binnen. Iedereen ontwaakt door het luchtafweergeschut. De scholen sluiten hun deuren. Verschillende onderwijzeressen vertrekken naar huis. Iemand komt nog dezelfde avond terug uit Limburg. Haar thuis is vernietigd. Zij moet ergens anders een toevlucht zoeken. Rond vier uur verschijnen de eerste Britse militairen, zwaar vermoeid. In de nacht hoort men het luchtbombardement op Leuven.

11 mei. De laatste inwonende dames vertrekken. Op de steenweg verschijnen de eerste vluchtelingen uit het oosten. Rond tien uur ontploft een bom op Bertem. Drie huizen zijn vernield, drie mensen gekwetst. De Britten eisen de school op voor de inrichting van een veldhospitaal. Vluchtelingen komen weldra in groepen aan. Zij krijgen de feestzaal en de bibliotheek ter beschikking. Men hoort het rumoer van de strijd. In de nacht slapen enkele zusters in de kelders.

12 mei, Pinksteren. De hele dag stromen vluchtelingen toe, burgers en militairen. Zij krijgen allen te eten. Onder hen de vice-rector van de Leuvense Universiteit en andere geestelijken. Velen onder hen, huisvrienden, vragen en krijgen onderdak in de grote lege kamers. De nacht blijft relatief kalm.

13 mei. Vele priesters dragen de mis op in de kapel. De Leuvense redemptoristen komen aan na een vreselijke nacht in de stad. Niemand denkt vooralsnog aan het verlaten van het klooster. Er worden zelfs geen voorbereidingen getroffen.

Nacht van 13 op 14 mei. Vijfenveertig zusters uit Aarschot komen te voet aan. Hun klooster brandt. Ze verblijven in de twee grote spreekkamers. Rond vier uur vertrekken ze. In dezelfde nacht komen de Zusters van Liefde uit de Leuvense Sint-Pieterskliniek aan met een aantal gekwetsten. De Britten uit de school leggen loopgraven aan en een grote schuilplaats in de velden.

14 mei. Rond acht uur komt het bevel de zwaar zieken naar de gelijkvloer te brengen en alles klaar te maken voor het vertrek. Een uur later begint een krachtig artilleriebombardement. Velen vluchten naar de kelders. De moedigsten zetten de voorbereidingen voor de evacuatie verder. Alle geconsacreerde hosties worden genuttigd. Rond elf uur zwijgt het geschut. Iedereen wil weg. Helaas, auto’s zijn onvindbaar; telefoon en telegraaf uitgeschakeld. Enkele zusters stellen voor te voet langs binnenwegen naar Brussel te vertrekken. Gevaarlijk misschien, maar het Britse bevel is formeel: ‘evacueren’. In Brussel kan het Rode Kruis geen hulp bieden. Goddank stelt het Ministerie van Gezondheid twee kleine auto’s ter beschikking. In Bertem bereidt men verder de evacuatie voor. De oude knecht vertrekt met het oude paard gespannen in de oude kar, gevuld met oude zusters en zieken, naar Oudergem. Twee zusters vertrekken te voet met tien jonge ‘assistenten’. Kelders en gelijkvloer blijven gevuld met zieken. In de school huizen nog de Britse soldaten. Velen onder hen slapen nu ook in de kloosterkelders.

15 mei. De laatste zieken die het nog aankunnen, vertrekken te voet. De twee kleine auto’s rijden zonder ophouden tussen Bertem en Oudergem. Vlug, vlug, want ieder die in het dorp achterblijft, riskeert gefusilleerd te worden. Moederoverste verlaat als laatste Bertem.

16 mei. De ontvangst in Oudergem valt erg mee. De dappere chauffeurs halen met hun wagentjes de kerkornamenten op.

17 mei. Brussel ‘open stad’ geeft zich over. De weg terug naar Bertem is vrij.

18 mei. De knechten vertrekken te voet naar Bertem. Een keerde terug met het bericht dat de gebouwen in Bertem ‘er nog staan’. De hoeve vertoont weinig schade. De dieren zijn nog in leven, maar moeten worden verzorgd.

Het klooster omvatte ook een landbouwbedrijf. Deze postkaart geeft een blik op de veestapel.

Het klooster omvatte ook een landbouwbedrijf. Deze postkaart geeft een blik op de veestapel.

19 mei. Zusters en meiden vertrekken naar Bertem en vinden een puinhoop. Duitsers komen de koeien melken en helpen bij de verzorging van de dieren.

24 mei. Iedereen is opnieuw in Bertem. Een bom op de mesthoop heeft heel wat schade aangericht: twee daken en twee muurpanden zijn vernield, ruim honderd ruiten gesneuveld; de bakkerij is volledig verwoest.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)