Het levensverhaal van Jeanne Verbiest (1912-2015)

01 XXX.jpg

Jeanne Verbiest

Op 22 april 2015 overleed Jeanne Verbiest. Ze werd maar liefst 103 jaar oud. Rudi Ronsmans schreef daarom het levensverhaal van zijn grootmoeder neer.

Jeanne Verbiest werd geboren op 23 februari 1912. Enkele weken later verging het prestigieuze schip ‘the Titanic’.

Ook het leven van Jeanne zou niet van rampen gespaard blijven.

In Jeannes jeugdjaren waren er overal nog gezellige kermissen met spiegeltenten en dorpscafés. Jef, haar man, speelde bij de fanfare ‘De Vrijheidszonen’ een aardig stukje saxofoon. Tijdens zo’n kermisoptreden in café ‘De Floes’ hoorde Jeanne de lokroep van Jefs instrument. Zoals in alle sprookjes kwam van het ene het andere. Ze lieten er geen gras over groeien en stapten, ondanks hun jonge leeftijd, in het huwelijksbootje en kochten een dochter Simonne. Terwijl Jef vroeger zorgde voor het dagelijkse brood had Jeanne de handen vol met het huishouden en hun opgroeiende dochter. Jeanne ging ook buitenshuis werken als poetsvrouw in Brussel. Ze kweekte ook veel groenten in hun tuin. (Zelfs toen Jef een hersenbloeding kreeg en rolstoelpatiënt werd, zijn ze samen vreugde en leed blijven delen.)

Simonne, hun dochter, werd groot en vond Jos, de liefde van haar leven. Ze trouwden en gaven een huwelijksfeest met verkleedpartij, met muziek, dans en drank tot in de vroege uurtjes. Hun huwelijk werd gezegend met twee jongens, Marc en Rudi, die hun bompa graag tot zijn kookpunt dreven. Ambiance verzekerd. Met hun kleinkinderen hebben Jeanne en Jef veel tijd aan zee doorgebracht. In de weekends maakten ze met hen uitstapjes naar Scherpenheuvel, Namen en Durbuy en smulden van lekkere taarten van ‘Louis en Jeanne den bekker’ voor de picknick onderweg. Dit was een onvergetelijke tijd.

Marc en Rudi werden groot en vonden elk hun geluk. Marc gaf Jeanne en Jef een achterkleinzoontje, Andy. Wat waren ze blij en trots met zo’n achterkleinkind. De jaren gingen voorbij en altijd en nog steeds bleef Jeanne bezorgd om Andy en dat hij het goed had en gelukkig was met Steven.

Rudi en Viviane trouwden en gingen rond Mechelen wonen. Ze kwamen geregeld in Bertem langs, om gezellig bij te praten en samen te zijn met de familie.

Het grootste plezier van Jeanne was grote hoeveelheden zelfgemaakt stoofvlees, zelfgemaakte spaghettisaus, zelfgemaakte groenten en dit in plastieken doosjes mee te geven aan haar jonge volkje en dit tot op haar oude dag.

De leuze van Jeanne en Jef was: voor hun kinderen, klein- en achter-kleinkinderen het beste, voor hen was het minste goed genoeg.

0015-xxx

Jeanne Verbiest en Jef Loockx

Donkere wolken doorkruisten hun leven. Het afscheid van haar dochter Simonne zou nooit verwerkt worden.

Het grootste deel van hun leven hebben Jeanne en Jef aan de Tervuursesteenweg rechtover het gemeentehuis gewoond.

In 2004 zijn Jeanne en Jef na enkele omzwervingen tussen het ziekenhuis en het rusthuis Vogelzang in het Woon- en Zorgcentrum Sint-Bernardus in Bertem ingetrokken.

In 2005 hebben ze daar hun 75ste huwelijksjubileum gevierd. Dit was een dag uit duizend dromen. Helaas, datzelfde jaar is Jef overleden. Ondanks alles hebben ze zorg gehad voor elkaar, ieder op hun eigen manier. Dat hebben ze in hun huwelijksleven wel geleerd van elkaar, om voor elkaar te zorgen.

Alsof alles nog niet genoeg was geweest, moest het oude moedertje enkele maanden later nog eens afscheid nemen van haar geliefde schoonzoon, Jos, de rots in de branding.

Jeanne zou nooit meer dezelfde zijn …

Toch probeerde ze nog te genieten van de bezoekjes van Marc en Eddy, Rudi en Viviane en Andy en Steven, en af en toe eens van een elixirke, dat mocht van de dokteres. Zo had Jeanne het toch nog op Kuipersveld jaren naar haar zin.

22-xxx

Jeanne Verbiest en haar familie, op haar honderdste verjaardag

Jaren gingen en jaren kwamen en op het einde scheen ze in haar lot te berusten.

Op 22 april 2015 is Jeanne van ons heengegaan.

Wat de Titanic betreft: roestpegels zijn een natuurlijke versie van het recyclagesysteem. Met andere woorden: de natuur breekt zelf langzaam de Titanic af om het schip te laten oplossen in de omgeving. De levensduur wordt nog geschat tussen de twintig en vijftig jaar.

(Rudi Ronsmans)

Het klooster van Bertem op zoek naar ‘ondersteuning’

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

In het stadsarchief van Brugge wordt het Fonds Gilliodts bewaard. Deze nalatenschap van Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915), Brugs stadsarchivaris van 1868 tot aan zijn dood, omvat een zeer uiteenlopende inhoud. Gilliodts verzamelde archiefstukken, zodat deze in het fonds terug te vinden zijn. Er zijn ook zijn wetenschappelijke notities die hij maakte tijdens zijn opzoekingen in archieven. Het is evenwel ook zijn familiearchief, met onder meer zijn correspondentie. Ook enkele brieven gericht aan zijn tweede echtgenote, Romanie Vandenbussche (1873-1926), zijn hier verrassend genoeg terug te vinden.[1]

Een van die laatste brieven biedt onverwacht een kijk op Bertem in 1920. Hoe kan dit? Romanie Vandenbussche werkte eerst als dienstmeid, maar haar huwelijk met Gilliodts maakte haar een begoede dame. Haar echtgenoot was altijd zeer mild en liefdadig geweest. Hoewel zijn erfenis haar niet volledig te beurt viel, was de weduwe na Gilliodts’ overlijden in 1915 ongetwijfeld nog altijd welgesteld. Men kon dan ook maar wensen dat ze zich even gul zou tonen als Gilliodts.

Een zuster uit Bertem hoopte daarom in 1920 dat Romanie Vandenbussche ondersteuning zou willen geven aan haar klooster. De briefschrijfster was Emerence Marie Spriet, op 13 juli 1871 geboren in Wingene. Daar was eerst haar vader en dan haar broer Edmond en zus Marie een pachter van Gilliodts geweest, zodat ze zelf had kunnen kennismaken met de goedhartigheid van de Brugse familie. Emerence had er voor gekozen in te treden bij de Zusters van Liefde, waar ze als kloosternaam Zuster Basile nam. Op 27 februari 1900 verhuisde Zuster Basile vanuit het Gentse moederhuis naar het Bertems klooster. Daar werkte ze in de school en hielp ze in het huishouden.[2]

De brief die Zuster Basile naar Romanie Vandenbussche schreef is interessant genoeg om hier grotendeels uit te geven. Enkele stukken zijn weggelaten, zij bevatten namelijk niets anders dan lovende woorden voor de ontvangster.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

A[d] M[ajorem] D[ei] G[loriam]

Zeer geachte Mevrouw.

Ik heb het geluk en de eer U onze eerbiedigste en rechtzinnigste gevoelens aan te bieden. Degene die U schrijft is misschien U onbekend maar Gij, achtbare Mevrouw, zijt mij niet vreemd. O neen, ik ken U door uwe milddadigheid, door uwe overgroote liefde voor armen en noodlijdenden, door uw groot en edelmoedig hert, om alle goede werken en nuttige inrichtingen te ondersteunen. […] Wat moet Gij gelukkig zijn, achtbare Mevrouw, zooveel gelukkigen te kunnen maken, want het meeste geluk is voor mij anderen gelukkig te maken. Ik ben Emerence Spriet, Zuster Basile, zuster van liefde te Berthem. Ik herinner mij zoo gaarne met veel vreugde de hooggeachte Mijnheer Gilliodts die vader zaliger zoo genegen was. Wij houden alle achting voor den achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Gilliodts zaliger, die de liefdadigheid in den volsten zin oefende.[3]

Ik neem de eerbiedige vrijheid U te verzoeken ons ook uwe ondersteuning te willen verleenen voor ene volksbibliotheek die wij ingericht hebben voor de inwoners van ons dorp, maar vooral voor de jonge meisjes die tegenwoordig zoo blootgesteld zijn aan al dat werelds is.[4] Wij willen, door goede en aantrekkelijke boeken in de huizen gaan preken om dien stroom van bederf tegen te houden en daarom, achtbare Mevrouw, kom ik uwe milddadigheid afsmeeken om ons te ondersteunen. Boeken en kas zijn tegenwoordig zeer duur. Wij gebruiken ook alle middelen om de kinderen zoolang mogelijk in de patronage te houden en te vermaken door aangename spelen, nuttige voordrachten, belooningen enz. Het is nog al lastig niet kunnen uitvoeren, wat men zou willen uitwerken uit liefde tot God en tot heil der zielen onzer tweehonderd kinderen die veel te kampen en te strijden hebben tegen het kwaad.

[…]

Berthem is een klein dorp, niet ver van Leuven gelegen. De beschaving en de godsdienst laat er veel te wenschen, daarom willen wij al onze krachten inspannen en met dubbelen moed werken, om den godsdienst en de eerbaarheid te doen bloeien en van de Berthemsche jeugd christelijke en vrome dochters te maken, en verstandige huismoeders en dat alles uit zuivere liefde tot God die ons gekozen heeft om zijn apostelwerk voort te zetten.

Ik schrijf dezen brief met veel vreugde, omdat ik de zoete hoop koestere ook de goedheid en de milddadigheid van U, geachte Mevrouw, te mogen genieten, ook nog omdat ik in den geest tot Brugge ben, waar wij zooveel vreugde genoten bij den zeer achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Marie, zaliger, want ’t is dank aan onze goede en duurbare Juffrouw Marie dat ik zuster van liefde ben en zoo gelukkig dat ik mij onder de gelukkigste der menschen tel.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

Wij zijn zeven en twintig zusters, verzorgen veel oude menschen en zieke kinderen. Wij hebben eene school die wel bevolkt is en onze brave kinderen komen geerne ter school. Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen.

Gewaardig, zeer goede en achtbare Mevrouw de verzekering van onzen diepen eerbied en de hulde van onzen dank te aanveerden.

Uwe toegenegene in Jezus-Christus

Zuster Marie Basile

Berthem, 17 Juni, 1920.[5]

Of Romanie Vandenbussche enige steun verschafte aan het klooster, is mij onbekend. Een bezoek aan Bertem zal ze wel nooit gebracht hebben. En Zuster Basile? Die verliet op 22 oktober 1928 het klooster in Bertem. Haar bestemming was het mijnhospitaal in Leut, daar gevestigd in het voormalige kasteel van Vilain XIIII.

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

Noten

[1] A. VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts. Academische zitting en tentoonstelling ter herdenking van de voormalige stadsarchivaris Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915). Catalogus, Brugge, 1980.

[2] Bediening der Zusters, 1900, afgebeeld in G. DE NEEF en R. UYTTERHOEVEN, Fundamenten in seniorenzorg. 175 jaar Zusters van Liefde van Jezus en Maria te Bertem, Bertem, [1993], 31.

[3] Het gaat hier om Louis Gilliodts-van Severen en Marie Gilliodts (1859-1904), zijn dochter uit zijn eerste huwelijk. Marie Gilliodts bleef ongehuwd en wijdde haar leven aan weldadigheid en godvruchtige werken.

[4] In 1904 was een bibliotheek opgericht in de meisjesschool bij het klooster. In 1930 besloot de gemeenteraad er 0,25 frank per inwoner subsidie aan te geven. De bibliotheek werd toen ook voor tien jaar door de gemeente aangenomen. (H. VANNOPPEN, De geschiedenis van Bertem. De parel van de Voervallei, Bertem, 1978, 373.)

[5] BRUGGE, Stedelijk archief Brugge, Fonds Gilliodts, briefwisseling, nr. 105: brief van E.M. Spriet aan mevr. Gilliodts [= R. Vandenbussche], 17 juni 1920.

Het verhaal van het meisje Alfonsine

vandenbossche

Alfonsine (rechts op de foto) naast haar oudere zus Isabelle

Het meisje Alfonsine en haar familie

Alfonsine Vandenbosch werd geboren op 20 maart 1931. Zij woonde in mei 1940 bij het begin van de vijandelijkheden in België met haar ouders Jules en Marie Arsène Demares, een broertje en twee zusjes in Heverlee. Zij had pas samen met haar oudere zus haar plechtige communie gedaan. Normaal was dat een paar jaar te vroeg. Het aartsbisdom had toch de toelating gegeven om het feest samen met haar zus te vieren. Kostenbesparing natuurlijk want het grote gezin kon de centen gebruiken. Vader Jules was cipier in de Leuvense gevangenis. Begin mei kreeg hij de opdracht gevangenen te vergezellen die per trein naar Frankrijk werden gebracht.

Het drama

Op 14 mei 1940, in het vooruitzicht van een zware veldslag aan de Dijle, beval de overheid Leuven en omliggende gemeenten volledig te ontruimen. Moeder Vandenbosch zag zich verplicht met haar kroost en haar ouders met de fiets – en te voet – te vertrekken naar familie in het Brusselse. Om de kleintjes te paaien gingen de communiekleedjes mee als bagage.

In Leefdaal op de Tervuursesteenweg nabij het huis van de weduwe Weygants-Van Herck – nu nummer 385 – kwam het gezelschap terecht in een bombardement door een formatie Duitse vliegtuigen. De oudste twee kinderen doken onder in de gracht naast de weg enigszins beschermd door hun fietsjes. De rest trachtte op uitnodiging van de bewoners aan de overzijde een schuilplaats te bereiken.

Fatale misrekening. Een bom trof het huis. Het moest later worden afgebroken. Verschillende hoevedieren verloren het leven. Het was een zware opdoffer voor een gezin dat het zeker niet breed had. Deze zorgen verbleekten toch voor het leed van het gezin Vandenbosch. Het meisje Alfonsine verloor het leven. Een bomscherf rukte een deel van haar hoofdje af.

De toestand was dramatisch. Britse militairen bleven aandringen op een snelle ontruiming. Een paar inwoners uit het dorp zetten zich ijlings in voor een voorlopige oplossing. De schrijnwerkers Alfred en René Stuyck timmerden vlug een primitieve lijkkist. Het kindje werd samen met het stoffelijke overschot van de eveneens doodgebombardeerde smid Alberic Huyberechts in dezelfde kuil op het kerkhof begraven. De familie Vandenbosch vervolgde troosteloos haar weg naar de familie in het Brusselse.

De afwikkeling

De slag aan de Dijle duurde amper een paar dagen. Toen moest het Britse expeditiekorps terugtrekken om een omsingeling te vermijden. Duitse pantsers waren doorgebroken in Sedan (Frankrijk). De vluchtelingen in het Brusselse konden na enkele dagen weer naar huis. Voor vader Vandenbosch in Frankrijk was dat niet het geval. Hij vernam de dood van zijn dochtertje pas bij zijn terugkeer enkele weken later.

Het kinderlijkje werd enkele dagen later stiekem opgegraven en bedekt met wat stro in een melkkar naar Heverlee overgebracht. Op 15 augustus 1940 om 8 uur had een herdenkingsmis plaats. Het doodsprentje getuigt van “onderwerping aan Godswil” geheel in overeenstemming met de heersende christelijke “gelatenheid”. Het verdriet van de familie was er niet minder om. Bijna zeventig jaar later kunnen broer en zusters Vandenbosch nog ontroerend vertellen over het meisje Alfonsine dat altijd negen jaar is gebleven.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Bierhandelaar Van Fraechem, ‘verdeler van het Sissenbier’

In 2009 sprak Paul Van Bruystegem met Willy Van Fraechem, die hem vertelde over de Bertemse cafés. Willy en zijn vader Victor Van Fraechem waren decennialang verdeler van het bier van brouwerij Leopold. In Bertem was dit het ‘sissenbier’.

De handel werd gesticht in 1936 door Victor Van Fraechem (genaamd Fictoor). Hij verdeelde het bekende bier ‘Three Stars’, welke later ongedoopt werd tot ‘Leopold’.

Zoals in elke gemeente ontstonden, na de onafhankelijkheid van België en vooral in het midden van de negentiende eeuw, in Bertem de plaatselijke politieke partijen. Het waren hier voornamelijk de ‘Liberalen’ en de ‘Sissen’.

Elke partij had natuurlijk zijn geprefereerde drankgelegenheden en pilsbier. De Liberaal dronk voornamelijk ‘Stella’ en de Katholieken of Sissen verkozen ‘Leopold’.

De Sissen vonden ‘Stella’ maar fluitjesbier met een slechte smaak waar je ziek van werd en hetzelfde dachten de Liberalen van de ‘Leopold’. Wat ze niet wisten was dat grapjassen soms Stella in Leopoldglazen deden en omgekeerd. Geen enkele van de plaatselijke partijleden merkte, tot groot jolijt, deze omwisseling als ze reeds verscheidene pintjes achter de kiezen hadden. Deze sporadische omwisselingen waren zeer waarschijnlijk de reden waarom ze na een vijftien à twintig pintjes en soms meer, de volgende dag een kater hadden.

In 1971 – met de komst van de BTW – nam Willy de handel van zijn zieke en bijna blinde vader Victor over.

Het beroep van bierhandelaar was zeer zwaar en ongezond. Het sleuren met tonnen en bakken bier belastte de rug uitermate. Bovendien moest, bij wijze van voorbeeld, dagelijks heel wat van het eigen bier worden gedronken. Het was namelijk de gewoonte te trakteren in elk café waar men langs kwam, om de klanten die toevallig aanwezig waren te plezieren en te wijzen op het feit dat ‘Leopold’ het beste bier was.

Als klant dronk je dan van het pas geleverde bier en hief je het gekregen glas met de woorden ‘santé Willy’.

De zondag na de hoogmis dronk men het aperitief door op de weg naar huis in verschillende drankgelegenheden pinten drinken.

Om thuis te geraken moest Willy dertien cafés voorbij. Als hij die allemaal bezocht, wat niet altijd gebeurde, werden minstens één à twee pintjes per bezoek gedronken. Dit betekende dat voor het zondagse middagmaal tot zes liter bier in de lege maag terechtkwam.

Met de kermis en op feestgelegenheden kon het aantal gedronken glazen bier per dag tot vijftig oplopen. Gelukkig bleven vele pinten half gevuld achter.

Slechts zelden werd men echt dronken; de macht der gewoonte zorgde er voor dat men slechts licht beschonken over kwam na het nuttigen van veel bier doch gespreid over een ganse dag.

Medisch gezien waren de gevolgen op latere leeftijd voor vele bierhandelaars en bierleveranciers zwaar. Ze verbleven veel in lokalen waar men buiten het bier, van sigaren en sigaretten genoot en konden, vooral in de winter wanneer de deuren en vensters goed gesloten bleven, mee genieten in het rumoer van de cafégeuren en volop de zware tabaksrook tot zich nemen.

Zo leden ze veel aan adervernauwing, lever en pancreas ziekten, maag-, darm-, hartkwalen en suikerziekte. Een lang leven viel hen maar zelden te beurt, maar wel een goed.

Willy had ondanks alles in de bloeitijd vele collega’s die hier met hun toenamen worden vernoemd:

  • Polle Van Meter: bieren ‘Op Ale’
  • Michiels: bieren ‘Wieze’
  • Charel Van Meerbeek: bieren ‘Perle Collier’
  • De Witten Deno: bieren ‘Sas’
  • Pië Van De Stijve: bieren ‘Stella’
  • Florent Trekker: fabrikant van limonade
  • Brouwerij Delvaux, met onder andere Blanche de Louvain

Willy en ervoor Fictoor leverden bier in volgende drankgelegenheden, ook opgesomd met hun toenaam:

  • Op de Dorpstraat van af de Dalem hadden we Spijtige Jef, Schijs, De Spits, Den Trul, De Smid, Creffier en Cheper.
  • Rond de Kerkstraat waren Kesse, Jeanne Mispeltaire, Klara Van Mathijs en Gaine Lismond van de partij.
  • Op het Gemeenteplein en de Schipstraat (Fr. Dottermansstraat) vonden we: Tinne Van Glas en Bere Moens.
  • Op de Tervuursesteenweg bediende hij Jul Konink, Jef Van Den Toyk (bij Vallerie), Timmermans, De Floes, Franske Vanderheyden, Que Deum (Jourand), Corre en Meuze.
  • Op de Oude Baan waren de klanten Shijs, Pië Bult, Tone Van De Laes en De Beus.
  • Op den Bertembos (aan de Augustijnenhoeve) waren Stakke, Sirou en Moeys zijn klanten.
Bertem Kruisweg.jpg

Dit café (op de hoek van de Dorpstraat en de Ferd. Vanlaerstraat) schonk Leopold, zoals de platen aan de gevel trots verkondigen.

Als men zijn dorst niet gelest kon krijgen was er de mogelijkheid om bij Fictoor of Willy thuis een bak bier te gaan halen. Het voordeel was daar dat men steeds hartelijk werd ontvangen en één of twee flesjes bier gratis te drinken kreeg.

Ten slotte kwam de biervrachtwagen ook thuis bier leveren voor het geval dat men niet tijdig in een café was geraakt of voor diegenen die ook nog bij het eten een smakelijk pilsje lusten.

In elk geval was bier drinken vroeger een sociaal gebeuren dat bij elke bezigheid plaatsvond. Onderzoek heeft uitgewezen dat bouwvakkers, in de jaren 1700 te Leuven, die van zonsopgang tot zonsondergang werkten dagelijks vijf tot zes liter bier dronken. Niet altijd goed bier, schreef men, er was ook een hoeveelheid fluitjes of slap bier bij.

Een burenbezoek kon niet zonder een flesje bier en elk goed voltooid werk zoals het einde van een ruwbouw eindigde met de ‘Maa’, dit is het plaatsen van een versierd stukje boom of op de nok van het dak, in een bierfestijn.

Willy en Fictoor hadden dus een beroep midden in het plezier en de ontspanning van de jaren 30 tot 90. Zij kenden alle inwoners, hun problemen, hun noden, hun goede kanten en wisten met een kwinkslag en een pintje bier de Bertemse inwoner zijn dagelijkse beslommeringen te laten relativeren.

(Paul Van Bruystegem in samenwerking met Willy Van Fraechem – Erfgoedkamer)

Een crypte in de kerk van Leefdaal. Begraafplaats van de families Helman en Jan van Brouchoven

Sint-Lambertuskerk

Onder het plaveisel van de Sint-Lambertuskerk schuilt een grote verrassing.

De familie Helman

De geschiedenis van Filip Helman, schepen van Antwerpen, is die van alle belangrijke kooplieden uit zijn tijd. Naast politieke ambities hadden zij de zorg een domein te verwerven dat hun familie tegen de hongersnood moest beschermen, en dan liefst een heerlijkheid om hun aanspraak op een adel-titel kracht bij te zetten. In de zeventiende eeuw waarin de vorsten en een aantal oude adellijke families bijna chronisch met geldgebrek worstelden bereikten vele nieuwe rijken hun doel. De vorst schonk hen, vooral om het te betalen patentrecht, een adeltitel.

Filip Helman kocht in 1660 de heerlijkheden Leefdaal en Vossem van Maximiliaan van Merode, markgraaf van Deinze, een paar van de domeinen die het geslacht in de loop van de eeuwen verzamelde. Helman bestemde zijn aanwinsten voor zijn dochters Maria Agnes (Leefdaal) en Anna Francisca (Vossem). Maria Agnes overleed jong. Daardoor kwamen beide dorpen in handen van haar zuster bij haar huwelijk op 20 december 1672 met Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck.

Jan van Brouchoven

Jan van Brouchoven

Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck, in parade-uniform, met pruik. De overlevering wil dat de Franse (zonne)koning Lodewijk XIV aan de basis lag van dit gebruik. De pruik bracht een oplossing voor zijn haarverlies. Alle heren van stand volgden de nieuwe mode.
Schilderij in het bezit van de familie de Bergeyck. Kopieën zijn te vinden op het departement van de Belgische eerste minister en op het kasteel van Leefdaal.

Jan van Brouchoven werd op 9 oktober 1644 in Antwerpen geboren uit een verhouding, later gereguleerd door een geheim huwelijk, van zijn vader Jan Baptist (1619-1681) met Helena Fourment, de weduwe van Pieter Paul Rubens. Jan Baptist stamde uit een Noord-Brabantse familie, die sinds de veertiende eeuw schepenen van ’s Hertogenbosch leverde. Zijn vader werd in 1620 verheven in de adel en verlengde zijn naam tot van Brouchoven van Bergeyck. Toen zijn stad in 1629 in de handen viel van de protestanten vluchtte hij naar het katholieke zuiden. Zijn zoon Jan Baptist zette de familietraditie verder als schepen van Antwerpen. Hij werkte zich verder op tot lid van belangrijke raden in de Spaanse Nederlanden en in Madrid.

Zijn zoon Jan (1644-1725) trad niet alleen in de voetsporen van zijn vader, maar overtrof hem. (De graaf van) Bergeyck zoals hij meestal werd genoemd was thesaurier-generaal -zeg maar minister- van Financiën (1668-1688) en algemeen surintendant van Financiën en minister van Oorlog (1701-1711). Hij was gedurende vele jaren de feitelijke stadhouder van onze (Spaanse) koning in de Zuidelijke Nederlanden, bekleed met heel veel rechten. Na zijn ontslag bleef hij een gevierde diplomaat. Hij wordt beschouwd als een van de allergrootste figuren uit de geschiedenis van onze landen.

Jan huwde op 20 december 1672 met Anna Francisca Helman, die barones van Leefdaal werd. Het echtpaar kreeg vier kinderen Filip-Jozef, Maria Agnes en Francisca, die jong stierven en Catharina-Ferdinanda, die later barones van Leefdaal zal worden. Anna Francisca Helman stierf op 23 maart 1682. Drie jaar later, op 3 mei 1685, hertrouwde Bergeyck met de rijke Maria Livina de Beer, geboren op 11 december 1656, weduwe van Geraard van Vlisteren, baron van Laarne. Samen kregen zij nog zes kinderen, waarbij Nikolaas, die later de baronie van Leefdaal ten geschenke kreeg van zijn ongehuwde halfzuster Catharina Ferdinanda.

De begraafplaats

Als begraafplaats van de families Helman en van Brouchoven werd een crypte gebouwd onder het hoogkoor van de Sint-Lambertuskerk van Leefdaal. Boven de grafkelder lag een grote witmarmeren steen met de inscriptie ‘Monumentum baronum de Leefdael’. Hij lag er nog in 1855, maar verdween bij een vernieuwing van de koorvloer. De crypte bestaat ongetwijfeld nog.

Wie werd er begraven? Jan van Brouchoven, de beroemde staatsman; zijn twee echtgenoten; zijn kinderen met Anna Francisca Helman, inbegrepen Catharina Ferdinanda, zijn schoonvader Filip Helman en diens broer Ferdinand; zijn schoondochter Maria Carolina de Vischer, echtgenote van zijn zoon Nikolaas en hun dochter Catharina. Mocht ooit het plaveisel van het koor worden verwijderd dan zal men voor verrassingen staan.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Het domein van Guillaume De Becker in Leefdaal

“De Dorpstraat in 1935 met de huurwoningen die allen hun achterzijde op de ‘Messing’ hadden.”

‘De Dorpstraat in 1935 met de huurwoningen die allen hun achterzijde op de “Messing” hadden.’

Als inleiding

Het domein van Guillaume (Guilielmus) De Becker lag op de westelijke hoek van de Mezenstraat met de Dorpstraat. De laatste bewoner van het belangrijkste deel was Leon Michiels die op 14 februari 2011 overleed. Zijn erfgenamen maakten het over aan een bouwondernemer. Die zal er waarschijnlijk een appartementsgebouw optrekken. Niets buitengewoon misschien, tenzij een bijkomend signaal van de voortschrijdende verstedelijking van het dorp. Het ogenblik is wellicht gekomen om eventjes de rijke geschiedenis van de plek te bekijken. Zonder grondige studie moet het verhaal helaas onvolledig en ietwat hypothetisch blijven.

De voorgeschiedenis

Het deel van de huidige Dorpstraat tussen de kerk en het begin van de Blankaart is altijd belangrijk geweest in de plaatselijke geschiedenis. Het blijft zichtbaar in het straatbeeld met de zijn talrijke grote gebouwen. Bij de Mezenstraat stond volgens het cijnsboek van 1440 het huis van Hendrik Colvenere. Zijn familie behoorde tot de meest vooraanstaande van het dorp. Later vond men leden ervan in de kasteelomgeving als wijngaardeniers en exploitanten van steengroeven. De hoek Dorpstraat/Mezenstraat bleef altijd bewoond. De geschiedenis is erg complex. De opzoekingen vergen veel tijd en zullen zeker geen volledige uitgewerkte tijdslijn opleveren. Meestal is er sprake van een landbouwbedrijf en een smidse. Een smid was een belangrijke man in het vroegere landbouwdorp.

Het domein van Guillaume De Becker

In de kadastergegevens van Popp, opgesteld even na het midden van de negentiende eeuw, vind men een overzicht van de erfenis van Guillaume De Becker. Hij was in Vossem geboren en huwde met Thérèse Wittebols uit Leefdaal, waar het echtpaar zijn woonst vestigde. De man was schepen van de gemeente van 1837 tot bij zijn dood op 7 januari 1845. Hij was toen vijfenvijftig jaar oud. Zijn functie bewijst dat hij tot de top van de plaatselijke sociale hiërarchie behoorde.

Zijn erfenis omvatte, naast ruim 29 hectare landbouwgrond, een huis of beter een reeks gebouwen in een smalle rechthoekvorm langs de Dorpstraat op een terrein van 17 are 50 centiare. Het erf omvatte de huidige huizen met de pare nummers 546 tot en met 554. Daarbij hoorde een ‘hof’ – een tuin – meer dan 25 are groot tussen de straat, waar nu de huizen met nummers 556, 558 en 560 zijn gebouwd, en de Voer.

Vermoedelijk wensten de eigenaars, zoals vele grootgrondbezitters in die tijd, hun landbouwbedrijf te staken. Zij verbouwden het zuidoostelijke gedeelte van hun hoeve tot een herberg met hotelfunctie, restaurant en feestzaal. De belangrijkheid van de nieuwbouw blijkt niet alleen uit de imposante opstand, maar ook uit de vergelijking van de plattegronden die voorkomen in de Atlas der Buurtwegen uit 1841 en het Popp-kadaster. Volgens een geloofwaardige overlevering werd hier de Filharmonie opgericht als een van de eerste moderne muziekverenigingen in de streek.

De familie Sevenants

Het domein van Guillaume De Becker verbrokkelde in de tweede helft van de negentiende eeuw. Rond 1900 woonden er verschillende gezinnen. Het voornaamste stuk, een hoekhuis met de herberg, was in handen van gareelmaker Ferdinand Sevenants. Zijn vader en grootvader waren eveneens bedrijvig als zadel- en gareelmakers. Zij woonden in wat nu de Kleine Kerkstraat noemt dicht bij de Dorpstraat waar nu het huis nummer vier staat.

Ferdinand was getrouwd met Josephine Van Meerbeek, winkelierster. Het echtpaar breidde hun bedrijf geleidelijk uit. Zij kregen twee knappe dochters: Pauline (°1881) en Dorine (°1884). De oudste huwde met de brouwer Firmin De Keyn, gedurende jaren waarschijnlijk de meest invloedrijke man uit het dorp. Het koppel woonde in een fraaie woning, nu Mezenstraat 4, op een deel van het oude domein. De jongste dochter huwde met Louis Michiels.

Het domein vanuit de lucht gezien, 2012. (Bing Maps)

Het domein vanuit de lucht gezien, 2012. (Bing Maps)

De familie Michiels

Louis Michiels werd geboren in Erps-Kwerps. Zijn vader was veldwachter. Het gezin telde vele kinderen. Het hoeft niet te verbazen dat zij erg jong moesten bijdragen in het gezinsinkomen. Louis verliet vlug de school, maar wist zich op te werken met avond- en zondagonderwijs. Zestien jaar oud nam hij dienst bij meesterschilder Vrebos in Kortenberg. Hij bracht het tot meesterknecht. In die functie moest hij in Leefdaal bij Sevenants een nieuwe feestzaal versieren. Hij leerde er de dochter Dorinne kennen met wie hij in 1908 huwde. Het jonge gezin kende weinig geluk. Dorinne stierf twee jaar later. Louis bleef bij zijn schoonouders wonen. Hij hertrouwde acht jaar later met Sylvie Grossen, waarmee hij drie kinderen kreeg: Marcel, Leon en Dorinne.

Toen Ferdinand Sevenants in 1916 stierf steunde het echtpaar verder de weduwe en namen daarna de zaken in handen. Zij bezaten naast een vrij belangrijk schildersbedrijf een winkel en een herberg. Zij slaagden erin bijna het volledige domein van Guillaume De Becker opnieuw in handen te krijgen. Na de dood van hun vader namen de zonen Marcel en Leon de zaken over. Na hen bleken de tijden veranderd. Geen enkele van de kleinkinderen zag de mogelijkheid de zaken verder te zetten. Leon Michiels heeft samen met zijn vrouw nog enkele tijd de winkel opengehouden. Hun erfenis zal wellicht de basis vormen van een volledig nieuwe levensgemeenschap.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)