Een beschrijving van Korbeek-Dijle uit 1875

In februari 1875 schreef Adolf Everaerts een kort artikel over Korbeek-Dijle, dat werd gepubliceerd in het Vlaamsch museum voor letterkunde, oudheid, geschiedenis, kunsten en wetenschappen. Van dit tijdschrift verscheen maar een jaargang, die slechts in enkele bibliotheken wordt bewaard. Daarom nemen we het artikel van Everaerts hier graag integraal over. De inhoud ervan blijft na 140 jaar nog altijd waardevol, omdat het om een uitgebreide beschrijving gaat van de kerk die in 1858 afbrandde.

St. Bartholomeus tot Corbeek-Dijle. - Afgebrand in 1858.

St. Bartholomeus tot Corbeek-Dijle. – Afgebrand in 1858.

Corbeek-Dijle

Wanneer men langs de Tervuursche, eertijds de oude-Brusselsche poort, Loven uitgaat, ziet men, op 500 meters afstand, de prachtige kerk van het klooster van Terbank, opgericht in 1197, vernield in 1796, en geheel herbouwd in 1872; men slaat links af, volgt den steenweg door Eegenhoven, waar de kapel van de H. Renaldina, gebouwd in 1781, en het nieuw lusthuis der Paters Jesuiten staan, en, vruchtbare landen doorsnijdende, komt men aan Corbeek-Dijle, 7 kilometers van de stad gelegen. Indien men door door dezelfde wegen niet zoekt terug te komen, trekt men nevens de kerk af, en men bevindt zich in de groote vetweiden, welke het dal van de Dijle uitmaken, en u leiden tot aan het kasteel van den hertog van Arenberg; en eindelijk, langs de schoone dreef, tot aan de Naamsche-poort. De verschillende uitzichten, de ontelbare kudden vee, de aangename geur der bloemen en de koelte, door de Dijle veroorzaakt, maken, dat deze zomerwandeling eene der bevalligste van onze omstreken is.

Corbeek-Dijle, Corbeek-over-Dijle, Corbeka ultra-Dyliam, ontleend van korte en beek, (er bestaat inderdaad eene beek, die na eenen korten waterloop zich in de Dijle verliest), waar men het woord Dijle bijvoegt om het van Corbeek-Loo te onderscheiden, is een schoon dorp van eene uitgestrektheid van 412 hektaren en eene bevolking van 800 zielen, van vruchtbare landen omringd en tegen de noordewinden door eenige gebergten beschermd.

De heerlijkheid Corbeek behoorde, in 1308, aan Jan van Waver, en werd vervolgens overgedragen aan Van Calstre, aan Pinnoc, aan Keersmakeers; in 1510 aan van den Tympel; in 1562 aan Jan Miles; in 1567 aan Olivier van de Tympel, Kalvinisten stadsvoogd van Brussel, van 1579 tot 1586; in 1596 aan Maximiliaan Scheijfe; in 1644 aan Carolus Streignart, heer van Huldenberg; opgericht in Baronij den 17 Augusti 1661, ten voordeele van Henricus Donglebert; in 1687, met de heerlijkheden van Steenberge en Valbeek door het edel geslacht Jacobs van Brussel aangekocht; en eindelijk aan de Crabeels en Goubau door vermaagschappingen vereenigd.

De kerk, die ongetwijfeld van de XIIe eeuw dagteekende, was eene kostbare verbeelding van de Romaansche bouwkunst. Zij was zeer onregelmatig ingericht en bestond uit een koor, eenen middelbeuk, eenen rechterzijbeuk, en, links, eene kapel, die de H. Maagd toegewijd was, en waar zich de eenige venster van die zijde in bevond; de rechterzijde had maar zeer kleine vensters. De lage en vierkantige toren, was, zoo als de kerk, in plaatselijken witten steen gebouwd; de deur bevond zich niet in het midden van den voorgevel om aan eene zijde plaats te hebben voor de doopvont te zetten. Het koor, dat alleen gewelfd was, en het hoogaltaar bevonden zich onder den toren om hunne richting naar het oosten te hebben. Achter het hoogaltaar zag men, ter linkerzijde, de puinen van eenen Gotisch-steenen-toren, die eertijds een prachtig tabernakel vormde. De laatste herstelling had plaats in 1739.

De kerk, den H. Bartholomeüs toegewijd, was eene bijkerk van Berthem, en is, door besluit van 11 juli 1842, tot hulpkerk verheven. Haar bijgevoegde bescherm-heilige, de H. Stephanus, bezonderlijk aanroepen tegen de veeziekten, had, aan het hoofd van den zijdebeuk, een uitmuntend altaar met een kostelijk beeldhouwwerk (retable), gevormd uit vijf kapelletjes in den Gotischen smaak van de XIVe eeuw gesneden en de aanhouding, de veroordeling, de steeniging, den dood, en de begrafenis van den martelaer voorstellende. Het beeld, dat het bekroont, is niet zoo oud en draagt tot opschrift het jaar 1629.

De Fransche Republiek beroofde de kerk van drie zware klokken; ook in den nacht, tusschen den 15n en 16n Januari 1849, werden er bij inbraak, eene zilveren remonstrantie, twee kelken, eene ciborie, eene antieke relikwiekas van den H. Stephanus, eene hostiedoos, eene relikwiekas van den H. Elisius, gestolen, en de H. Hostiën door de kerk verstrooid. De dieven, die de kerk een verlies van een kunstrijk belang toebrachten, bleven onbekend, alhoewel de relikwiekassen in eene gracht, boven Diest, weergevonden werden.

In September 1858, wierd de kerk bij toeval afgebrand; het altaarblad (retable) werd gered, maar vele andere zaken werden vernield; onder andere, de aloude grafsteen van Van der Eyken, onlangs tegen den muur opgericht, en geheel verbrijzeld gevonden.

Geen afbeeldsel van deze kerk vindende, heb ik, met de goedwillige hulp van den heer Cassaer, gewezen onderwijzer te Corbeek-Dijle, heden tot Stein-Ockerzeel, dezelve door aandenken geteekend.

De nieuwe kerk is in 1860 gebouwd.

Adolf Everaerts.

Loven, Februari 1875.

Brandbestrijding in Bertem tijdens de negentiende eeuw

Le Cataclysme à Louvain le 14 mai 1906 - Berthem

Tijdens de overstroming van 1906 werden verschillende boerderijen getroffen.
Soms hadden deze nog strooien daken, zoals deze postkaart toont.

Ook Bertem bleef in de negentiende eeuw niet gespaard van woningbranden. Brandgevaar bleek toen een groot probleem te zijn. In 1857 brandden te Bertem vier bij elkaar gelegen huizen af. Het waren de woningen van Petrus Volkaerts, Elisabeth Volkaerts, Antonius Verbiest en Petrus Vrebos. Drie van de vier woningen waren verzekerd tegen brand. De gemeente schonk een bedrag van 1200 frank aan de slachtoffers om opnieuw hun woningen op te bouwen.

Op 29 september 1859 nam de gemeenteraad een besluit zodat voortaan een bedekking in stro, biezen of planken verboden werd. Alleen de alleenstaande gebouwen die meer dan 40 meter verwijderd stonden van de andere mochten nog een bedekking in stro hebben. Op 30 juni 1860 volgde een gelijkaardig besluit maar dit maal met betrekking tot de schouwpijpen. Binnen de vier maanden moesten de schouwpijpen uit leem of hout verwijderd worden. Voortaan moesten de schouwpijpen uit steen of kareel bestaan.

In dezelfde periode liet de gemeente ook plannen maken voor de bewaring van de brandspuit. Het gebouw zou tevens dienstig zijn als lijkhuis en politiebureel. De gemeenteraad besluit in zitting van 24 juli 1860 voor dit doel de aankoop goed te keuren van het perceel sectie C, nr. 432, groot 2 are 28 ca in het centrum van de gemeente aan het kruispunt van de huidige Fr. Dottermansstraat met de Dorpstraat langsheen de Voer. Het perceel was eigendom van de weduwe Henri Vanderseypen. De koop werd gesloten voor de prijs van 228 frank. De akte werd verleden door notaris Dupon te Leuven op 13 november 1859.

Het geplande gebouw werd evenwel nooit gebouwd. In zelfde periode werd immers een besluit door de gemeenteraad genomen nl. op 12 november 1863 om een nieuw gemeentehuis met school te bouwen aan de “nieuwe steenweg” Tervuursesteenweg. Men besluit om de voornoemde functies in dit gemeentehuis onder te brengen.

Op 17 oktober 1871 besluit de gemeente een nieuwe kerk te bouwen omdat de bestaande Romaanse Sint-Pieterskerk te klein was geworden. Ook met de bouw van een nieuwe kerk aan de steenweg die zou worden ingeplant aan de overkant van het nieuwe gemeentehuis, bleef het bij plannen. Zo werd de monumentale Romaanse kerk Sint-Pieter gespaard van de sloophamer.

Op de plaats waar ooit plannen werden gemaakt om een nieuw gebouw voor lijkhuis, politiebureel en loods voor brandspuit op te richten, vinden we nu een telefooncel alsook een oude elektriciteitscentrale.

De bouw van een lijkhuis werd doorgevoerd ter gelegenheid van de vergroting van het kerkhof aan de Sint-Pieterskerk. Het was wachten tot 1910 alvorens met de bouw van het lijkhuis of dodenhuisje werd gestart en dit onder leiding van architect Joseph Loos uit Leuven.

Dit artikel is eerder verschenen als Chris Wouters, ‘Brandbestrijding in Bertem tijdens de 19de eeuw’, M. Ceunen en P. Veldeman red., Tegen brand gewapend. Twee eeuwen brandweer en brandbestrijding in Leuven (1807-2007), Leuven: Uitgeverij Peeters, 2007, 133.

Onuitgegeven bronnen

  • Bertem, Gemeentearchief, Notulen gemeenteraad.
  • Bertem, Gemeentearchief, Project de bâtiment devant servir pour morgue, salle de police et dépot de pompe à incendie à constuire sur le terrain communal à l’angle de la Voer et du chemin…, 4 december 1859.

Werken

  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, de parel van de Voervallei, Bertem: Uitgave Jos Erven, 1978.

(Chris Wouters – Erfgoedkamer)

Waarom er in Korbeek-Dijle geen oude Romaanse kerk staat

'S[ain]t Barthélemi à Corbeek-Dyle - Brulée en 1858. InCenDIVM eCCLesIa. Par Van Genip, Curé à Vieux-Heverlée.'

‘S[ain]t Barthélemi à Corbeek-Dyle – Brulée en 1858.
InCenDIVM eCCLesIae. Par Van Genip, Curé à Vieux-Heverlée.’

In de vierde nieuwsbrief van onze Erfgoedkamer (maart 2009) kon je een artikel lezen over de brandbestrijding in Bertem tijdens de negentiende eeuw. Ook Korbeek-Dijle kreeg in deze periode af te rekenen met brand. In de dorpskern stond tot die tijd de oude en erg vervallen Sint-Bartholomeüskerk. Zoals je op de bijgevoegde tekening van de hand van pastoor Van Genip van Oud-Heverlee kan zien, was ze gebouwd in primitieve romaanse stijl met een westertoren die dagtekende uit de negende of tiende eeuw. Een kerk van het maasromaanse type te vergelijken met de nog bestaande Sint-Veronakapel in Leefdaal en de Sint-Pietersbandenkerk in Bertem.

Op 27 september 1858 zagen de dorpsbewoners rook komen uit de kerk. De brand dreigde gedurende uren gans het bewoonde centrum van het dorp te verteren. Korbeek-Dijle bezat zelf geen bluspomp en er verliep een hele tijd vooraleer de pompen van Leuven en Bertem op de plaats van de ramp konden worden gebracht. Uiteindelijk kreeg men dankzij het heldhaftige optreden van enkele burgers, waaronder burgemeester Remy Prosper Honnorez en de pastoor van Bertem C. Stevens het vuur in de kerk onder controle en kon men de aanpalende huizen redden.

Van de aloude kerk bleven alleen de vier muren over en de onderbouw van de toren. De toren zelf was ingestort en de klokken waren gesmolten door de hitte. Van de kerkinboedel kon slechts weinig worden gered. De pastoor en de koster van Korbeek-Dijle waren afwezig op het moment dat de vreselijke brand om zich heen greep. Het duurde dan ook enige tijd alvorens men de sleutel van de kerk kon vinden en men in het inwendige door kon dringen. Het mag een wonder heetten dat het zestiende-eeuws retabel van Sint-Stefanus op dat moment in een atelier te Leuven ondergebracht was ter restauratie en zo aan de brand kon ontkomen. Kerk en meubilair waren nog maar sinds anderhalf jaar verzekerd voor 37 000 Bfr.

De oorzaak van de brand is nooit volledig achterhaald. Heel wat wilde geruchten deden de ronde. Zo werd verteld dat de vader van een meisje de kerk opzettelijk in brand zou gestoken hebben om te verhinderen dat zij er korte tijd later in het huwelijk zou treden met een door de vader ongewenste schoonzoon. In de kranten werd het vermoeden bericht dat ’s morgens, na de mis van 8 uur, een misdienaar ofwel de kaarsen slecht heeft gedoofd ofwel een vonk heeft laten vallen op het altaarkleed.

De afgebrande kerk van Korbeek-Dijle werd in 1860 vervangen door een nieuwe Sint-Bartholomeüskerk. De plannen waren van de hand van architect Alexander Van Arenbergh (Leuven, 1799 – 1877) op dat moment provinciaal architect voor het arrondissement Leuven. Het werd een sierlijke kerk, maar zonder een rijke versiering, in een neoromaanse bouwstijl.

Bibliografie

  • Sophie Dargent, Wandeling langs merkwaardige gebouwen in Korbeek-Dijle, eindwerk Toeristische Gids Regio Dijleland, 2006.
  • Cyriel Letellier, Een geschiedenis van Korbeek-Dijle, 2008.

(Sophie Dargent – Erfgoedkamer)

Het muurtabernakel in de Sint-Veronakapel

"De Ste Veronika Kapel"

“De Ste Veronika Kapel”

In vrijwel alle kerken is het tabernakel in de nasleep van het Concilie van Trente (1545-1563) op het hoofdaltaar komen te staan. Het altaartabernakel ontstond, omdat in Trente bepaald werd dat het Heilig Sacrament in een kastje op het altaar moest worden bewaard. In de Sint-Veronakapel staat op het altaar in travertinmarmer uit 1952 een altaartabernakel, beide ontworpen door Michiel Viérin. Uniek is dat in de Sint-Veronakapel nog een ouder laatgotisch muurtabernakel bewaard is gebleven, dat dateert van de periode 1491-1510. Het bleef wellicht in gebruik tegen het Tridijns besluit in, zoals op veel plaatsen in Duitsland, waar muurretabels nog eeuwenlang in gebruik bleven. In elk geval heeft gelukkig niemand het idee gekregen om het te verwijderen.

Al van bij het ontstaan van de Kerk werd brood dat geconsacreerd was tijdens de eucharistieviering, bewaard, o.m. om het te kunnen uitreiken aan zieken en stervenden. Omdat volgens de leer van de Kerk Christus aanwezig was in het geconsacreerde brood, werd de hostie bewaard in kostbare doosjes, aanvankelijk door de gelovigen of de priesters thuis en vanaf de 6e eeuw in de kerk. Sinds de 9e eeuw gebeurde dit bij voorkeur op het altaar in een ronde of veelzijdige metalen bus, de pyxis. Het vierde Lateraans Concilie van 1215 kondigde dan het dogma van de transsubstantiatie af: het brood en de wijn veranderden tijdens de consecratie wezenlijk in het lichaam en bloed van Christus. De hostie of het Heilig Sacrament werd daarom een voorwerp van verering en sommigen meenden dat het een wonderbare kracht bezat. Door de toenemende verering van het Heilig Sacrament, o.a. door de instelling van het Sacramentsfeest in 1264, werd de pyxis met een voetstuk vergroot tot een ciborie en/of monstrans. Bescherming tegen heiligschennis en diefstal drong zich op, ook van het kostbare vaatwerk waarin de hosties werden bewaard. Een nis in de muur die kon worden afgesloten met een slot, werd beschouwd als een veilige bewaarplaats. De gebruikelijke maar niet exclusieve plaats voor zo een muurnis was de noordelijke wand van het koor. Het is op die plaats dat het muurtabernakel in de Sint-Veronakapel zich bevindt.

Muurtabernakel Sint-Veronakapel, ca. 1500. Natuursteen, sporen van poly-chromie, overschilderd.

Muurtabernakel Sint-Veronakapel, ca. 1500.
Natuursteen, sporen van polychromie, overschilderd. (foto: Bert Bertels)

Het centrale vlak in het muurtabernakel is een rechthoekig houten deurtje met grendel en slot, waarachter het Heilig Sacrament werd bewaard. Een speciale verering van het Heilig Sacrament is er in de Sint-Veronakapel wellicht niet geweest, anders zou het deurtje zeker voorzien zijn geweest van een soort traliewerk waarlangs de gelovigen een bescheiden blik zouden hebben kunnen werpen op het Heilig Sacrament ter aanbidding. Waar er wel expliciete verering was, stond het tabernakel meestal op een voor de gelovigen meer bereikbare plaats, nl. in of tegen de oostelijke muur van de noordelijke kruis- of zijbeuk aan de kant van het koor. Toch drukt het muurretabel van de Sint-Veronakapel op zichzelf een zekere vorm van verering uit door het architecturaal en sculpturaal ornament.

De houten deur van het muurretabel is immers gevat in een natuurstenen reliëf dat opgebouwd is als een gotische siergevel, een soort kerkportaal. De deurstijl loopt uit in een kielboog met decoratieve tracering (maaswerk). De boog zelf is voorzien van versierende bladmotieven (hogels) en de boogspits eindigt in een kruisbloem (een stam die uitloopt in vier knoppen) afgedekt met een sierbol (pumeel). Achter deze kruisbloem bevindt zich over de volledige deurbreedte een bogenveld met links en rechts van de kruisbloem twee spitsbogen met tracering. Het centrale deel wordt bovenaan begrensd door een horizontaal profiel versierd met twee symmetrische bloemenranken met elk drie bloemen. Onder het deurtje bevindt zich een dorpelsteen die rust op een dwarsprofiel met bladrankmotief. Links en rechts ervan torsen twee engelfiguurtjes het geheel, dat gevat lijkt te zijn tussen twee zuilen, op hun schouders. Ze tonen elk een plakkaat waarop oorspronkelijk allicht tekst was aangebracht die uitnodigde tot eerbied en gebed. Ze dragen biddend het schrijn. De zuilen zijn vierkantig en staan op twee sokkels. Ze zien er eigenlijk eerder uit als een sokkel voor een renaissancesculptuur. Toch worden deze voetstukken elk bekroond met een gotische sculptuur onder een baldakijn versierd met hogels en kruisbloem. Boven deze baldakijnen zijn de randprofielen, die het bovenste dwarsprofiel dragen, uitgewerkt als pinakels – ook met hogels en kruisbloem – van een gotisch gebouw.

Kunnen de twee gotische sculpturen worden geïdentificeerd? De linker figuur is zonder twijfel een engel gezien zijn vleugels. Hij draagt een banderol of spreukband in zijn hand. De tekst is helaas niet meer leesbaar. De rechter sculptuur is een vrouwenfiguur. Een engel met een boodschap tegenover een vrouw: dit moet een voorstelling van de Annunciatie zijn. De engel Gabriel brengt Maria de boodschap dat ze de moeder van God zal worden. Het is geweten dat de menswording van Christus een geliefd thema was bij tabernakels, waarbij Gabriel en Maria zoals hier in de Sint-Veronakapel aan weerszijden van de nis werden afgebeeld, meestal gesculpteerd maar soms ook ernaast op de muur geschilderd. Zo wordt de incarnatie, de menswording van Christus als vrucht in de schoot van Maria, geplaatst naast de transsubstantiatie, de aanwezigheid van het lichaam van Christus in de geconsacreerde hostie.

Het muurtabernakel van de Sint-Veronakapel is nog altijd herkenbaar als een fraai laatgotisch ornament, maar het moet er ooit nog mooier hebben uitgezien. Op het gezicht van één van de twee engeltjes zijn er nog heel vage sporen van vergulding en bovenaan zijn ook nog sporen van de rode kleurvulling van de boogvelden te zien onder de grijze verflaag. Ooit was dit meesterwerkje gepolychromeerd. Wat is er nog (te) behouden van de oorspronkelijke polychromie daaronder? Op de linker sokkel bv. zijn de verflagen al weggehaald tot op de natuursteen. Een oordeelkundige restauratie dringt zich op, waarbij onderzocht wordt of de grijze verf kan verwijderd worden zonder de nog aanwezige polychromie mee te verwijderen.

(Jan Jansen – Erfgoedkamer)

Het domein van Guillaume De Becker in Leefdaal

“De Dorpstraat in 1935 met de huurwoningen die allen hun achterzijde op de ‘Messing’ hadden.”

“De Dorpstraat in 1935 met de huurwoningen die allen hun achterzijde op de ‘Messing’ hadden.”

Als inleiding

Het domein van Guillaume (Guilielmus) De Becker lag op de westelijke hoek van de Mezenstraat met de Dorpstraat. De laatste bewoner van het belangrijkste deel was Leon Michiels die op 14 februari 2011 overleed. Zijn erfgenamen maakten het over aan een bouwondernemer. Die zal er waarschijnlijk een appartementsgebouw optrekken. Niets buitengewoon misschien, tenzij een bijkomend signaal van de voortschrijdende verstedelijking van het dorp. Het ogenblik is wellicht gekomen om eventjes de rijke geschiedenis van de plek te bekijken. Zonder grondige studie moet het verhaal helaas onvolledig en ietwat hypothetisch blijven.

De voorgeschiedenis

Het deel van de huidige Dorpstraat tussen de kerk en het begin van de Blankaart is altijd belangrijk geweest in de plaatselijke geschiedenis. Het blijft zichtbaar in het straatbeeld met de zijn talrijke grote gebouwen. Bij de Mezenstraat stond volgens het cijnsboek van 1440 het huis van Hendrik Colvenere. Zijn familie behoorde tot de meest vooraanstaande van het dorp. Later vond men leden ervan in de kasteelomgeving als wijngaardeniers en exploitanten van steengroeven. De hoek Dorpstraat/Mezenstraat bleef altijd bewoond. De geschiedenis is erg complex. De opzoekingen vergen veel tijd en zullen zeker geen volledige uitgewerkte tijdslijn opleveren. Meestal is er sprake van een landbouwbedrijf en een smidse. Een smid was een belangrijke man in het vroegere landbouwdorp.

Het domein van Guillaume De Becker

In de kadastergegevens van Popp, opgesteld even na het midden van de negentiende eeuw, vind men een overzicht van de erfenis van Guillaume De Becker. Hij was in Vossem geboren en huwde met Thérèse Wittebols uit Leefdaal, waar het echtpaar zijn woonst vestigde. De man was schepen van de gemeente van 1837 tot bij zijn dood op 7 januari 1845. Hij was toen vijfenvijftig jaar oud. Zijn functie bewijst dat hij tot de top van de plaatselijke sociale hiërarchie behoorde.

Zijn erfenis omvatte, naast ruim 29 hectare landbouwgrond, een huis of beter een reeks gebouwen in een smalle rechthoekvorm langs de Dorpstraat op een terrein van 17 are 50 centiare. Het erf omvatte de huidige huizen met de pare nummers 546 tot en met 554. Daarbij hoorde een “hof” – een tuin – meer dan 25 are groot tussen de straat, waar nu de huizen met nummers 556, 558 en 560 zijn gebouwd, en de Voer.

Vermoedelijk wensten de eigenaars, zoals vele grootgrondbezitters in die tijd, hun landbouwbedrijf te staken. Zij verbouwden het zuidoostelijke gedeelte van hun hoeve tot een herberg met hotelfunctie, restaurant en feestzaal. De belangrijkheid van de nieuwbouw blijkt niet alleen uit de imposante opstand, maar ook uit de vergelijking van de plattegronden die voorkomen in de Atlas der Buurtwegen uit 1841 en het Popp-kadaster. Volgens een geloofwaardige overlevering werd hier de Filharmonie opgericht als een van de eerste moderne muziekverenigingen in de streek.

De familie Sevenants

Het domein van Guillaume De Becker verbrokkelde in de tweede helft van de negentiende eeuw. Rond 1900 woonden er verschillende gezinnen. Het voornaamste stuk, een hoekhuis met de herberg, was in handen van gareelmaker Ferdinand Sevenants. Zijn vader en grootvader waren eveneens bedrijvig als zadel- en gareelmakers. Zij woonden in wat nu de Kleine Kerkstraat noemt dicht bij de Dorpstraat waar nu het huis nummer vier staat.

Ferdinand was getrouwd met Josephine Van Meerbeek, winkelierster. Het echtpaar breidde hun bedrijf geleidelijk uit. Zij kregen twee knappe dochters: Pauline (°1881) en Dorine (°1884). De oudste huwde met de brouwer Firmin De Keyn, gedurende jaren waarschijnlijk de meest invloedrijke man uit het dorp. Het koppel woonde in een fraaie woning, nu Mezenstraat 4, op een deel van het oude domein. De jongste dochter huwde met Louis Michiels.

Het domein vanuit de lucht gezien, 2012. (Bing Maps)

Het domein vanuit de lucht gezien, 2012. (Bing Maps)

De familie Michiels

Louis Michiels werd geboren in Erps-Kwerps. Zijn vader was veldwachter. Het gezin telde vele kinderen. Het hoeft niet te verbazen dat zij erg jong moesten bijdragen in het gezinsinkomen. Louis verliet vlug de school, maar wist zich op te werken met avond- en zondagonderwijs. Zestien jaar oud nam hij dienst bij meesterschilder Vrebos in Kortenberg. Hij bracht het tot meesterknecht. In die functie moest hij in Leefdaal bij Sevenants een nieuwe feestzaal versieren. Hij leerde er de dochter Dorinne kennen met wie hij in 1908 huwde. Het jonge gezin kende weinig geluk. Dorinne stierf twee jaar later. Louis bleef bij zijn schoonouders wonen. Hij hertrouwde acht jaar later met Sylvie Grossen, waarmee hij drie kinderen kreeg: Marcel, Leon en Dorinne.

Toen Ferdinand Sevenants in 1916 stierf steunde het echtpaar verder de weduwe en namen daarna de zaken in handen. Zij bezaten naast een vrij belangrijk schildersbedrijf een winkel en een herberg. Zij slaagden erin bijna het volledige domein van Guillaume De Becker opnieuw in handen te krijgen. Na de dood van hun vader namen de zonen Marcel en Leon de zaken over. Na hen bleken de tijden veranderd. Geen enkele van de kleinkinderen zag de mogelijkheid de zaken verder te zetten. Leon Michiels heeft samen met zijn vrouw nog enkele tijd de winkel opengehouden. Hun erfenis zal wellicht de basis vormen van een volledig nieuwe levensgemeenschap.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Een korte geschiedenis van Leefdaal

De watermolen aan het kasteel van Leefdaal.

De watermolen aan het kasteel van Leefdaal.

Leefdaal zou etymoligisch afkomstig zijn van het keltische woord ‘labant’ of ‘lebent’ (stromende, voerende, mogelijk de oude naam van de Voer) en ‘dal’. De naam betekent dus waarschijnlijk gewoon ‘Voervallei’.

Op de Vroeienberg (‘berg van de Heer’) staat de oudste parochiekerk uit deze streek, de Sint-Veronakapel, ook Heilig-Kruiskapel genoemd, gebouwd omstreeks 900. Van dit oudste bouwwerk is slechts één muur bewaard, later volgden nog verschillende verbouwingen en uitbreidingen. In 1951 werd de kapel naar een meer oorspronkelijke staat hersteld, als stille getuige van een ver verleden.

Leefdaal zelf was in de vroege middeleeuwen in het bezit van de hertog van Brabant. Deze schonk in de dertiende eeuw het gebied aan één van zijn ambtenaren, die zo de titel ‘heer van Leefdaal’ aannam. Het eerste kasteel werd waarschijnlijk toen gebouwd, als bescherming van de handelsweg Brugge-Rijnland. Via erfenissen en huwelijken kwam de heerlijkheid in handen van de familie van Petershem en Merode. Deze laatste familie verkocht het goed in de zeventiende eeuw aan Philip Helman. Via zijn dochter kwam het dan bij de graven van Bergeyck terecht. Ondertussen was Leefdaal ook een baronnie geworden. De huidige bewoners van het kasteel, de graven de Liedekerke, stammen trouwens af van de graven van Bergeyck.

Bibliografie

  • Willy Brumagne, leefdaal.beGeschiedenis.
  • Omer Vandeputte (red.), Gids voor Vlaanderen, 2007.

Een korte geschiedenis van Bertem

Een zicht op Bertem, uit 1909.

Een zicht op Bertem, uit 1909.

Al in een oorkonde uit 1112 werd er melding gemaakt van “Berthem”. De oorsprong van deze naam is onduidelijk. Wel staat vast dat hij van Frankische origine is. Ofwel stond het voor ‘schitterende woning’ (berhta en heima) of voor ‘woning in de modder, moeras’ (heima en beire). De tweede verklaring zou dan slagen op de modderige gronden rond de Voer.

In de negende eeuw schonk Adelhard, kleinzoon van Karel Martel, enkele gronden aan de abdij van Corbie, toen hij daar als monnik binnentrad. Bertem was hier een deel van. De heren van Heverlee kregen de wereldlijke macht in handen, en noemden zich sinds 1322 ‘heren van Bertem’. Deze situatie bleef zo tot 1562. In dat jaar verkocht de abdij haar cijnsboek. Zo verkreeg de famile van Bertie haar rechten in Bertem. Dit cijnsboek werd in 1681 verkocht aan Thomas Stapleton, die verschillende belangrijke functies aan de universiteit van Leuven vervulde. Na zijn dood in 1697 verenigden de heren van Heverlee (de latere familie van Arenberg) hun rechten met die uit het cijnsboek van de abdij van Corbie.

In het begin de Franse overheersing werd Bertem een deel van de ‘municipalité de canton Tervuren’, een fusie waar ook Korbeek-Dijle en Leefdaal deel van uitmaakten. Na vier jaar reeds, toen Napoleon aan de macht kwam, werd er een eind gemaakt aan deze fusie. Bertem werd terug een aparte gemeente, wat het bleef tot 1977.

Bibliografie

  • Omer Vandeputte (red.), Gids voor Vlaanderen, 2007.
  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, de parel van de Voervallei, 1978.
  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, het teusserdorp bij de Romaanse kerk, 1980.
  • Jan Verbesselt, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw (deel XV), s.d.

Een korte geschiedenis van Korbeek-Dijle

Een uitnodiging voor een vergadering van 'Velo-Club Verbroedering' uit Korbeek-Dijle.

Een uitnodiging voor een vergadering van ‘Velo-Club Verbroedering’ uit Korbeek-Dijle.

Korbeek-Dijle stond in 1210 bekend als ‘Corbais’. Deze naam zou komen van het Germaanse ‘kurta’ (kort) en ‘baki’ (beek), oftewel ‘korte beek’. De toevoeging ‘-Dijle’ verwijst natuurlijk naar de ligging langs de Dijle.

Tijdens de middeleeuwen behoorde het huidige grondgebied Korbeek toe aan twee verschillende heerlijkheden. Pas in 1628 werden deze twee verenigd. Het geheel werd in 1661 verheven tot baronie, toegewezen aan de familie van Dongelberg. Korbeek werd op het einde van de zeventiende eeuw weer een heerlijkheid, en dit voor de rest van het Ancien Régime.

Bibliografie

De wapenschilden van de gemeente

Bertem wapenschild Bertem

  • Toegekend bij een Besluit van de Regent van 31 oktober 1946.
  • Een wapen van goud met schuinkruis van keel, afgeleid van het wapen van de heren van Heverlee.
  • Teruggevonden als schepenzegel in 1416 en 1422.

Korbeek-Dijlewapenschild Korbeek-Dijle

  • Toegekend bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1861.
  • Een wapen van zilver met uitgeschulpt schuinkruis van keel, vergezeld van twaalf blokjes, afgeleid van het wapen van de famile van Korbeek (met twaalf kruisjes in plaats van blokjes).

Leefdaalwapenschild Leefdaal

  • Toegekend bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1954.
  • Een wapen van goud met een vijfblad van keel, geknopt van lazuur.
  • Teruggevonden als schepenzegel in 1275 en 1344.

(Uit Max Servais, Wapenboek van de Provinciën en Gemeenten van België, pp. 868-869, 875 en 977-978)

Fusiegemeente Bertem
Na de fusie werd geprobeerd de drie wapenschilden te verzoenen tot een ontwerp. Er werd gekozen de volgende elementen te combineren:
afgekeurd wapenschild

  • Zilver: Korbeek-Dijle
  • Schuinkruis van keel: Bertem en Korbeek-Dijle
  • Uitgeschupt schuinkruis: Korbeek-Dijle
  • Vijfblad in keel: Leefdaal

Op de zitting van de gemeenteraad van 17 mei 1988 werd echter een ander ontwerp aangenomen, omdat deze combinatie beschouwd werd als een verminking van de afzonderlijke wapens. In dit nieuwe wapen werd geopteerd voor vier kwartieren. Het eerste kwartier verwijst naar Bertem, het tweede en derde naar de schilden van de families Crabeels en Jacobs, de laatste bezitter van de heerlijkheid Korbeek-Dijle, en het vierde naar Leefdaal. Dit betekent:

  • Het eerste kwartier: goud met schuinkruis van keel
  • Het tweede kwartier: lazuur met keper van goud vergezeld van drie peren van hetzelfde
  • Het derde kwartier: lazuur met drie schelpen van goud
  • Het vierde kwartier: goud met een vijfblad van keel geknopt van lazuur

En dit alles gevat in een accoladeschild.

Sint-Bernardus. De tumultueuze meidagen 1940

In het archief van de Zusters van Liefde in Gent bevindt zich een Franstalig verslag over de meidagen 1940 in Sint-Bernardus Bertem. De auteur is niet vermeld. Hierna volgt een samenvatting. Voor een goed begrip van de tekst: het klooster beheert in 1940 een meisjesschool, een rusthuis voor betalende “dames”, een afdeling voor hulpbehoevende zieke en gehandicapte vrouwen, meestal geplaatst door Commissies van Openbare Onderstand, en een landbouwbedrijf.

Het klooster in 1947.

Het klooster in 1947.

10 mei 1940. De Duitsers vallen België binnen. Iedereen ontwaakt door het luchtafweergeschut. De scholen sluiten hun deuren. Verschillende onderwijzeressen vertrekken naar huis. Iemand komt nog dezelfde avond terug uit Limburg. Haar thuis is vernietigd. Zij moet ergens anders een toevlucht zoeken. Rond vier uur verschijnen de eerste Britse militairen, zwaar vermoeid. In de nacht hoort men het luchtbombardement op Leuven.

11 mei. De laatste inwonende dames vertrekken. Op de steenweg verschijnen de eerste vluchtelingen uit het oosten. Rond tien uur ontploft een bom op Bertem. Drie huizen zijn vernield, drie mensen gekwetst. De Britten eisen de school op voor de inrichting van een veldhospitaal. Vluchtelingen komen weldra in groepen aan. Zij krijgen de feestzaal en de bibliotheek ter beschikking. Men hoort het rumoer van de strijd. In de nacht slapen enkele zusters in de kelders.

12 mei, Pinksteren. De ganse dag stromen vluchtelingen toe, burgers en militairen. Zij krijgen allen te eten. Onder hen de vice-rector van de Leuvense Universiteit en andere geestelijken. Velen onder hen, huisvrienden, vragen en krijgen onderdak in de grote lege kamers. De nacht blijft relatief kalm.

13 mei. Vele priesters dragen de mis op in de kapel. De Leuvense redemptoristen komen aan na een vreselijke nacht in de stad. Niemand denkt vooralsnog aan het verlaten van het klooster. Er worden zelfs geen voorbereidingen getroffen.

Nacht van 13 op 14 mei. Vijfenveertig zusters uit Aarschot komen te voet aan. Hun klooster brandt. Ze verblijven in de twee grote spreekkamers. Rond vier uur vertrekken ze. In dezelfde nacht komen de Zusters van Liefde uit de Leuvense Sint-Pieterskliniek aan met een aantal gekwetsten. De Britten uit de school leggen loopgraven aan en een grote schuilplaats in de velden.

14 mei. Rond acht uur komt het bevel de zwaar zieken naar de gelijkvloer te brengen en alles klaar te maken voor het vertrek. Een uur later begint een krachtig artilleriebombardement. Velen vluchten naar de kelders. De moedigsten zetten de voorbereidingen voor de evacuatie verder. Alle geconsacreerde hosties worden genuttigd. Rond elf uur zwijgt het geschut. Iedereen wil weg. Helaas, auto’s zijn onvindbaar; telefoon en telegraaf uitgeschakeld. Enkele zusters stellen voor te voet langs binnenwegen naar Brussel te vertrekken. Gevaarlijk misschien, maar het Britse bevel is formeel: “evacueren”. In Brussel kan het Rode Kruis geen hulp bieden. Goddank stelt het Ministerie van Gezondheid twee kleine auto’s ter beschikking. In Bertem bereidt men verder de evacuatie voor. De oude knecht vertrekt met het oude paard gespannen in de oude kar, gevuld met oude zusters en zieken, naar Oudergem. Twee zusters vertrekken te voet met tien jonge “assistenten”. Kelders en gelijkvloer blijven gevuld met zieken. In de school huizen nog de Britse soldaten. Velen onder hen slapen nu ook in de kloosterkelders.

15 mei. De laatste zieken die het nog aankunnen, vertrekken te voet. De twee kleine auto’s rijden zonder ophouden tussen Bertem en Oudergem. Vlug, vlug, want ieder die in het dorp achterblijft, riskeert gefusilleerd te worden. Moederoverste verlaat als laatste Bertem.

16 mei. De ontvangst in Oudergem valt erg mee. De dappere chauffeurs halen met hun wagentjes de kerkornamenten op.

17 mei. Brussel “open stad” geeft zich over. De weg terug naar Bertem is vrij.

18 mei. De knechten vertrekken te voet naar Bertem. Een keerde terug met het bericht dat de gebouwen in Bertem “er nog staan”. De hoeve vertoont weinig schade. De dieren zijn nog in leven, maar moeten worden verzorgd.

Het klooster omvatte ook een landbouwbedrijf. Deze postkaart geeft een blik op de veestapel.

Het klooster omvatte ook een landbouwbedrijf. Deze postkaart geeft een blik op de veestapel.

19 mei. Zusters en meiden vertrekken naar Bertem en vinden een puinhoop. Duitsers komen de koeien melken en helpen bij de verzorging van de dieren.

24 mei. Iedereen is opnieuw in Bertem. Een bom op de mesthoop heeft heel wat schade aangericht: twee daken en twee muurpanden zijn vernield, ruim honderd ruiten gesneuveld; de bakkerij is volledig verwoest.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)