De geschiedenis van Knepper de Bas, volksheld

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 3 februari 2008 op leefdaal.be.


IMG_9595

Het beeldje van Knepper de Bas (foto: Bert Bertels, 2010)

Wie hij was is niet erg duidelijk. De moeder van Heinke Wouters, die in 1864 was geboren, zou vaak hebben verteld van nonkel ‘Godske’, die de ware Knepper zou zijn geweest. Anderen spraken van Lammeke Godts, wat doet denken aan ene Guillam (Guillaume, Willem) Godts, uit een familie die sinds de late achttiende eeuw in Leefdaal woonde. Maar officiële papieren bevestigen deze veronderstelling niet. Een speurtocht in de registers van de burgerlijke stand en zelfs in de oude kerkelijke registers, leverde geen resultaat op. Geen Guillam Godts te vinden.[1]

Wat Knepper de Bas was is overduidelijk: een kleine, gebochelde man die floot als een vogel, in de bomen klom als een aap, olmen- en wilgenbladeren plukte als koeienvoer en op de basviool speelde als geen andere. Hij vrolijkte alle feesten op in de omgeving en raakte zo aan zijn schamel kostje. Hij was de volksheld, een ‘knepper’, wat in het dialect ‘volwassen kalf’ betekende, maar hier ‘kranige vent’. Alles wel beschouwd – bladeren plukken, spelen op de basviool en de armoede – leefde Knepper de Bas waarschijnlijk midden de negentiende eeuw.

knepper-de-bas-300x226-1

Het refrein van het Lied van Knepper de Bas, opgetekend rond 1970.

Wat ook vaststaat is dat Knepper de Bas woonde in de Coige – of ‘Kutse’, wie zal het zeggen? – het gehucht in het noordwesten van Leefdaal, nu ook van de gemeente Bertem. Coige lag lange tijd wat geïsoleerd van de andere woonkernen. Het was gegroeid rond het Coigehof. De pachters van het bedrijf waren de bazen van het gehucht. Alle andere bewoners waren eenvoudige, arme mensen die hard moesten werken voor hun dagelijks minikostje. Hun ontspanning bestond voornamelijk uit herbergbezoek. Er waren vele cafés in de Coige op het einde van de negentiende eeuw.

Het was de periode waarin overal gezelligheidsverenigingen zijn opgericht. Ook het kleine Coige wilde zijn ‘sociëteit’. Oprichters waren in 1890 Heinke Wouters en Jozef Vander Elst. Men besloot de vereniging ‘Knepper de Bas’ te noemen als herinnering aan de vroegere volksheld. Hij werd, in de vorm van een pleisteren beeld, de mascotte van de wijk.

De vereniging kende in de loop van zijn bestaan hoogten en laagten, maar hield stand. Na de wapenstilstand van 1918 werd het beeldje uit de kelder gehaald waar het was verzeild. Het werd bijzonder mooi versierd rondgereden in het gehucht. Het ware hoogtepunt kwam na de Tweede Wereldoorlog. Het oude beeldje was tijdens de oorlog gebroken. Hubert Weigantt – of was het Albert Van Meerbeeck? – schiep in 1947 een nieuw. Het werd gevierd met een groot feest. Tien muziekmaatschappijen uit de omgeving luisterden het op. Nooit was er zoveel volk, en zoveel lawaai, in de Coige. De tekst van een ‘Lied van Knepper de Bas’ werd rondgedeeld en een boogschuttersvereniging kreeg zijn naam.

Wijkkermissen werden ingericht op de tweede zondag van juli en oktober. Met het versierde beeldje van Knepper op een stootkar toerde men op die dagen rond van café naar café. In 1957 is het beeldje in stoet overgebracht van de herberg van Heinke Wouters, die sloot, naar die van Louis Van Herck bij ‘het Konijn’.

680815 foto Knepper en

Knepper in 1968

Het beeldje deed in 1968 een triomfantelijke intrede op de Vlaamse kermis in Leefdaal ter financiering van het Parochiaal Centrum. Zo leverde de oude volkskunstenaar nog een late gewaardeerde bijdrage aan het culturele leven van zijn parochie. In 1970 kreeg het beeld als dank hiervoor een nieuw zijden pak van juffrouw Lea Antognoli, de oprichtster van de seniorenbond van Leefdaal.

Maar, men kan het niet ontkennen, het werd langzaam wat stil rond Knepper. De boogschuttersvereniging werd ontbonden; het café van Louis Van Herck, het laatste in de Coige, sloot de deuren. Tot in 1970 F.C. Knepper als voetbalploeg startte. Men noemde het een caféploeg, maar zij kende succes. Vijf jaar later bouwde de wijk voor haar ploeg een kantine, de nieuwe thuis van Knepper, het beeld van de voetbalploeg. Zij deed tevens dienst als de toch wel noodzakelijke dorpsherberg.

In 1976 startte F.C. Knepper, als eerste van de streek, met een damesploeg. Het werd aanvankelijk een megasucces. De jongens speelden dat seizoen hun eerste competitiewedstrijd. In het seizoen 1981-1982 werden zij kampioen in de derde gewestelijke afdeling. De kantine kreeg een opknapbreuk in 1988. Zij bleef het middelpunt van het wijkleven. Helaas betekende 2005 het einde van de damesploeg: gelukkig niet van Knepper de Bas als volksheld.

(Willy Brumagne, met dank aan Julien Van Loock)

[1] In 2013 ontdekte Johan Morris dat een Guillaume Godts in Bertem werd gedoopt op 24 december 1703 als kind van Simeon Godts en Maria Dewit. Zie hierover: http://www.wreed-en-plezant.be/wrdprs/2013/03/knepper-de-bas/

Moderne schuttersverenigingen te Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


schutter1In de twintigste eeuw ontstonden schutters(sport)verenigingen die zich, vrijwel los van de oude gilden, toelegden op het prestatieschieten, dat wil zeggen het behalen van de best mogelijke resultaten bij het wipschieten. Zij hebben een grote invloed gehad op de technische ontwikkeling van de handboog tot een hoogwaardig precisie-instrument.

Al in 1904 bestond een schuttersvereniging te Leefdaal onder de naam Blankaertschutters. Hun wip stond op de wijk Blankaart in een weide van de familie De Keyn. Elk jaar organiseerden zij een teerfeest en voor hun financiering een concert. Een koor van een dertigtal gelegenheidszangers opende het feest met een lied geschreven en getoonzet door Louis Michiels.[1]

De geografische inplanting van het terrein en de identiteit van de gekende betrokken personen laten vermoeden dat het een vereniging was die aanleunde bij de Filharmonie. De Eerste Wereldoorlog betekende waarschijnlijk haar einde. De ijzeren wip werd rond 1924 verkocht.

In 1926 werd uiteindelijk een Onafhankelijke wipmaatschappij gesticht, onafhankelijk want bestaande uit supporters van de beide muziekverenigingen. Tot 1940 bleef het een zuiver plaatselijke sportvereniging, die niet aansloot bij enige nationale of gewestelijke bond.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de vereniging lid van de Nationale Bond der Wipschutters. Zij kende een grote bloei. Verschillende van haar leden behaalden prijzen op nationaal vlak.

Op dit ogenblik (2010) telt de maatschappij ongeveer zeventien leden, waarvan er een twaalftal deelnemen aan schutterswedstrijden. Zij beschikt over een eenvoudig clublokaal en twee staande metalen wippen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

[1] Het lied van de Blankaartschutters gaat als volgt:

Beste vrienden, Blankaartschutters,
het is vandaag ons groote feest
dat wij vieren al te gader
door zang en vreugd’ om het meest.
Laat onz’ stemmen blijde klinken
over dal, in veld en bosch,
laat de vreugde ons omringen
vandaag schieten w’er op los.

Refrein:
Wij zijn wippen, Blankaartschutters,
’t wipschieten is ons vermaak.
Als de pijl snort van de peze,
omhoog naar den ijz’ren staak,
ach, hoe popelt dan ons herte
als hij raakt den ijz’ren prang
en velt hij den hoogsten vogel
dan is het gejoel, gezang.
Want ons wipke en ons boogske
zijn zoo zeer van ons bemind
en ons pijlke en ons vogelke
zijn bei onzen besten vriend.

Zie de wip daar ginder pralen
hoog verheven in de lucht,
weerkaatst in de zonnestralen
gelijkend op een vogelvlucht.
Zie dien schonen, trotsen hooge
prijkend in den hoogsten top
en de kal’kes van terzijde
steken fier hun koppe op!

Zie daar komen vele mannen
met hun boog en pijl in d’hand
om den prijskamp te beginnen,
den hooge doen bijten in ’t zand.
Het commando wordt gegeven
Klits! Klets! Boem! Daar valt hij neer!
Nu is deze hand’ge schutter
op de aard een koning meer!

Zeek’ren zondag sprak een schutter
“‘k Ga eens schieten”, tot zijn vrouw,
“zeker is ’t dat ik den hooge
van zijn ijz’ren stengel houw!”
’s Avonds vroeg zijn vrouwtje seffens:
“Zeg, manlief, hebt gij nu iets?”
“Och, Fientje”, sprak hij gans beteuterd,
“‘k Schiet schoon, ‘k schiet goed doch … ik schiet niets.”

Nu voor ’t laatste, beste vrienden,
‘k schei er met m’n dichten uit.
‘k Hoop dat ’t ieder zal bevallen,
zoniet, zeg het dan maar luid.
Wilt gij een “Bravo” mij geven,
klap dan allen in de hand,
dan ben ik, met de Blankaartschutters,
zeer tevreden en plezant.

(bron: http://jefkes.be/wrdpr/?p=393)

Een openbare waterput in Vrebos

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 6 juli 2012 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Op 26 juni 2012 keurde de gemeenteraad van Bertem de voorwaarden goed voor de verkoop van het perceel ‘oude waterput’, groot acht (of tien) centiare, op de wijk Vrebos langs de Grensstraat in Vrebos – Leefdaal. De waterput was al lang dichtgegooid. Het perceeltje vormde een inham in de eigendom van Maurice Smets. De raad was unaniem akkoord met het voorstel. Op die wijze kon een begin worden gemaakt met de afwikkeling van de oude geschiedenis van de openbare waterputten van de gemeente Leefdaal. Men vindt ze uitvoerig beschreven in De Horen, het blad van de Heemkundige Kring van Tervuren en (toen nog) Leefdaal, 2001/1, p. 42-48.

Het dorpscentrum van Leefdaal ligt grotendeels in de Voervallei. Het levensnoodzakelijke water uit de ondergrond was er gemakkelijk bereikbaar. Erger was de toestand in de gehuchten Coige en Vrebos die elk rond een belangrijke hoeve op de noordelijke heuvelrug waren ontstaan. Drinkbaar water was alleen op grote diepte beschikbaar. Het slaan van een eigen put was voor de armere inwoners te duur.

In 1898 vroegen enkele inwoners van Coige aan het gemeentebestuur om een openbare waterput ten dienste van de hele bevolking. Het bestuur weigerde pertinent. Het bleef zoals gewoonlijk gekant tegen elke niet strikt verplichte uitgave. De afwijzing was weinig sociaal en getuigde evenmin van grote politieke flair. Het drinkwaterprobleem had op dat ogenblik de volle belangstelling van de hogere overheid. De arrondissementscommissaris pikte de negatieve stemming niet. Het gemeentebestuur bevestigde toch zijn beslissing. Het boog alleen onder de bedreiging van het aanstellen van een speciale commissaris die de gemeenteraad terzijde zou schuiven.

De toestemming was niet van harte. Het bestuur trachtte de zaak met alle middelen op de lange baan te schuiven. Het handelde alleen na boze brieven ‘van hogerhand’. De inwoners van Coige kregen uiteindelijk voldoening in 1901. Het dossier was hiermede niet opgelost. Ook de inwoners van Vrebos hadden in 1889 een openbare bornput gevraagd in een brief aan de Brabantse gouverneur. Hier bleek het probleem nog moeilijker. Het gehucht ligt nog een paar tientallen meter hoger dan Coige. De beste oplossing was een overeenkomst met de gemeente Everberg aan de overzijde van de Grensstraat. Genoeg om jarenlang te kibbelen over de verdeling van de kosten. Tot de buurgemeente uiteindelijk een eigen put liet slaan. De inwoners van Vrebos – Leefdaal werden de toestand beu. Zij kregen de volledige steun van de provinciegouverneur. Tenslotte kocht het gemeentebestuur het perceeltje grond waarvan hierboven sprake. De put kwam er in 1913 na een publieke aanbesteding.

Het verhaal is niet ten einde. Leefdaal onderhield zijn putten niet of weinig. Herstellingen werden met vertraging uitgevoerd. In 1920 vond Everberg het welletjes. De Leefdaalse pomp in Vrebos was stuk. De inwoners gingen voortdurend water halen bij de buren. Everberg vroeg daarom een tussenkomst in de kosten van zijn pomp. De gouverneur steunde de vraag. Meer zelf, hij eiste met kracht dat de Leefdaalse put dringend zou worden hersteld. Wat gebeurde. Het was niet de laatste herstelling.

De definitieve oplossing kwam na de Tweede Wereldoorlog. De Nationale Maatschappij van Waterleidingen begon met het oppompen van water in de Voervallei. Het niveau van de grondreserves daalde onrustwekkend. De particuliere putten gaven niet meer het gewenste debiet. De aanleg van openbare leidingen in de hele vallei werd onvermijdelijk. De gemeente Leefdaal kreeg ze in 1950-1954. De putten in Coige en Vrebos konden worden gedempt. Zij bevatten geen water meer, maar bleven een gevaar voor ongevallen. De laatste episode begon met de gemeenteraadsbeslissing van 26 juni 2012.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het klooster en het Parochiaal Centrum

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 26 januari 2011 op leefdaal.be.


De voorgeschiedenis

Pastorij, tuin en vijverHet terrein waarop het Parochiaal Centrum te Leefdaal is gebouwd behoorde eertijds tot de cure. De cure of cura pastoralis was het bezit en de inkomsten verbonden aan de pastoorsfunctie. Zij omvatte de woning van de parochiepriester, de pastorie. Het gebouw stond op een stuk grond tussen de huidige Dorpstraat in het zuiden, de Voer in het noorden en het wegeltje, dat eens naar Sint-Hubertus is genoemd, in het oosten. Het domein was ongeveer een bunder groot. Volgens de kadasteropmeting van 1834 was dat een hectare, veertien are en dertig centiare. De pastorie stond vrij dicht bij de Voer en was bijna volledig omringd door een gracht. Zij was grotendeels in steen gebouwd en vernieuwd in 1753-1761.

Een eerste afsplitsing van het terrein gebeurde op 11 november 1790, toen pastoor Joannes-Jacobus Thomas een dagwand, in 1834 als zevenentwintig are zestig centiare gemeten, voor negenennegentig jaar in erfpacht gaf aan de gezusters Van den Kerckhoven. Zij moesten het omringen met een muur en ‘een goede ende loffelyck huys ofte scole van steen ende in goede metselrye gedeckt met pannen of andersinds doen bouwen’. Van toen af kon men spreken van twee afzonderlijke delen van het terrein.

De opzet was een meisjesschool te openen. Dat was vooruitstrevend. Onder de vrouwen heerste het botste analfabetisme. De meesten konden zelfs hun naam niet schrijven. Normaal gebeurde een dergelijke stichting door de oprichting van een zustercongregatie, maar de tijd leende er zich niet toe. Keizer Jozef II had niet lang geleden talrijke ‘onnutte’ kloosters afgeschaft. Al had de Brabantse Omwenteling de klok teruggedraaid, dan nog had in Frankrijk pas een omwenteling plaatsgehad die nog harder zou optreden dan Jozef II.

Ruim anderhalve eeuw later, in 1948, was de toestand erg veranderd. Uit de groep vrouwen die gevormd was rond de gezusters Van den Kerckhoven was in 1839 de Congregatie van de Zusters van de Heilige Jozef ontstaan. Zij kende naast enkele moeilijke jaren gouden tijden met de stichting van een paar bijhuizen. Haar moederhuis was naar Strombeek-Bever verhuisd.

Het basisonderwijs voor meisjes had een grote expansie gekend. De congregatie runde te Leefdaal naast haar eigen kleuteronderwijs, de gemeentelijke ‘aangenomen’ school. Zij stond naast de Dorpstraat aan de oostelijke zijde van het oude domein; haar klooster meer naar het westen. Samen bezetten de twee gebouwen ruim eenentwintig are. De congregatie bezat bovendien aan de westzijde tot aan de Voer nog meer dan zesenvijftig are boomgaard, tuin en bos. Hier kwam later de gemeentelijke sportzaal, de nieuwe kleuterschool en een speelweide. De beste dagen van de congregatie van de Heilige Jozef waren voorbij. Zij verliet de gemeente in dat jaar 1948.

De pastorij van 1848 vlak voor de afbraak

De pastorie vlak voor de sloop in 1988

De oude cure was afgeschaft tijdens de Franse periode. Het parochiale beheer was in handen van een nieuwe instelling, de kerkfabriek. Zij bezat nog bijna zesendertig are in de noordwestelijke hoek van het vroegere domein. De oude pastorie was afgebroken en een nieuwe in 1848 gebouwd dichter bij de Dorpstraat. Na meer dan een eeuw was zij al grotendeels versleten. De oude ringgracht deed dienst als vijver in de pastorietuin. Op dit deel zal weldra het Parochiaal Centrum worden gebouwd.

Hoe het groeide

Geleidelijk groeide na de Tweede Wereldoorlog een grote nood aan vergaderlokalen voor de parochiale verenigingen. De volwassenen en de meisjes vergaderden gewoonlijk in de vochtige kelderverdieping van de parochie; de jongens in de oude watermolen bij het kasteel. De bibliotheek was gehuisvest in een zaaltje van het klooster, waar ook wat uitgebreider bijeenkomsten konden doorgaan. Door de aankomst van de zusters van de Heilige Vincentius a Paolo uit Opwijk, die de kloostergebouwen en het meisjesonderricht overnamen, kwam ook deze laatste locatie in gevaar. De nieuwe eigenaressen wilden inderdaad een rusthuis voor bejaarden openen.

Het initiatief voor de bouw van nieuwe vergaderzalen blijkt in 1954 te zijn uitgegaan van de plaatselijke afdeling van de KWB. Pastoor Tony Jacobs en alle parochiale verenigingen gingen onmiddellijk akkoord. De plaats van inplanting bleek geen probleem. De kerkfabriek was bereid de tuin van de pastorie ter beschikking te stellen.

De jonge architect Michiel Viérin, toen een parochiaan, tekende de plannen. Het gemeentebestuur verleende de bouwvergunning op 2 juni 1958 met de machtiging van het Bestuur van de Stedebouw van het Ministerie van Openbare Werken en van Wederopbouw. Vooraf had de Diocesane Commissie voor Monumenten op 8 januari 1958 haar visum verleend.

De bouw

De eerste vrijwilliger - onderpastoor Paul Kerremans

De eerste vrijwilliger: onderpastoor Paul Kerremans

De bouwplaats was niet zonder risico’s. De pastorievijver diende gedeeltelijk gedempt. Heel het bouwterrein was trouwens moerassig, zodat veel aandacht diende besteed aan de funderingswerken. Zij werden gedeeltelijk uitgevoerd door een gespecialiseerde firma, geholpen door talrijke vrijwilligers, kapelaan Kerremans op kop.

Het gebouw was voor velen een verrassing. Het was geen neogotische constructie die naar het verleden verwees; geen bombastische bakstenen stapelbouw; wel een heel functioneel, modernistisch gebouw bestaande uit strakke, balkvormige volumes. Het was het eerste dergelijk gebouw in de verre omgeving. Lange tijd later werd het nog altijd als eigentijds ervaren.

De gedeeltelijke skeletbouw was toentertijd revolutionair. Balken uit gewapend beton vormden de basis voor de vloeren en de opgaande muren. Stalen liggers moesten de platte, in feite licht hellende, daken ondersteunen. Het skelet werd opgevuld met betonnen vloeren, bakstenen muren of voorgevormde gevelplaten en aangepaste materialen voor de daken.

Velen bekeken de nieuwe bouwmethodes met groot argwaan. Een aantal beweerden dat zij nooit een voet in de zaal zouden zetten. Instorten zou ze, zelfs binnen het jaar. De nieuwe vloerbedekking kreeg evenmin onmiddellijk krediet. Toch houdt het werk van Italiaanse specialisten na vele decennia nog stand.

pc_voorgeschiedenis1Het nieuwe centrum omvatte vooraan een hall, een vergaderzaal met uitschuifbare wand en lokalen voor de bibliotheek, de voorraad, de bar en het sanitair. De feestzaal bood 280 zitplaatsen en een toneelplateau. Achteraan bevond zich een kleine hall, twee jeugdlokalen, een kleedkamer voor de toneelspelers met toegang tot het toneelplateau.

Volledig gelukkige afloop? Niet volledig. Vele mensen bleven met een wrang gevoel zitten. Tijdens de ruwbouw had een arbeidsongeval plaats met fatale afloop. Louis Stercks, een gekende dorpsfiguur, verloor het leven.

De financiering

Programma inhuldigingDe bouw van het Parochiaal Centrum kostte ongeveer anderhalf miljoen Belgische frank en, met inbegrip van de verwarmingstoestellen en alle indirecte kosten, bijna twee miljoen frank. Hierbij is geen rekening gehouden met het vrijwilligerswerk of met de facturen die pastoor Jacobs ‘vergat’ in te brengen. Terugberekening naar onze tijd (2006) is moeilijk, maar denk aan dezelfde bedragen in euro.

De kosten zijn betaald met de opbrengst van negentien Vlaamse kermissen (bijna een miljoen tweehonderdduizend frank), schenkingen en steungelden (ongeveer een half miljoen frank) en de exploitatiewinst van het centrum.

De economische bloei die het land kende in de zestiger jaren heeft de afbetaling vergemakkelijkt. De golden sixties zijn een begrip gebleven. Toch leverde het dorp, dank zij de samenwerking van alle verenigingen, Filharmonie en Fanfare inbegrepen, een fantastische inspanning in een tijd dat nog geen sprake was van enige overheidssteun.

De verdere geschiedenis

Schermafbeelding-2013-03-21-om-11.56.50-300x207

Onderpastoor Kerremans en de leiding van de jeugdbewegingen (KAJ, BJB, Chiro) kort na de inhuldiging van het Parochiaal Centrum (rechts), gekiekt in de voortuin van de pastorie (links)

De geschiedenis staat nooit stil. De zusters van Sint-Vincentius a Paola raakten op hun beurt in moeilijkheden. Zij verlieten de gemeente in 1967. In 1968 zag de lokale overheid zich verplicht hun plaatselijke patrimonium over te nemen. De school werd omgevormd tot een gemeentelijke instelling. Zij groeide uit tot een bloeiende gemengde school. De helft van het kloostergebouw was onbenut en werd op aandringen van de jeugdbewegingen de nieuwe thuis voor Chirojongens (zij verlieten de vochtige watermolen aan het kasteel), KAJ en KLJ. De Chiromeisjes bleven in de Parochiezaal tot ze in 1975 fuseerden met de Chirojongens.

De pastorie uit 1848 werd in 1988 afgebroken. De gemeente voegde de grond, ruim acht are, bij de schoolterreinen. Alleen het Parochiaal Centrum met het achterliggend terrein bleef eigendom van de kerkfabriek. De parochiale werken behielden het gebruiksrecht.

Veel problemen leverde de nabuurschap van gemeente en kerkfabriek, een paar minieme wrijvingen niet te na gesproken, nooit op. De samenwerking verliep bijna altijd perfect. Tijdens het schooljaar 1962-1963 kreeg zelfs een klas van het gemeenteonderwijs les in het Parochiaal Centrum.

De renovatie 2000-2006

Tijdens de laatste jaren van de twintigste eeuw verloor het Parochiaal Centrum wat glans al was al een en ander aangepast aan nieuwe noden. Bibliotheek en jeugd waren verhuisd naar het vroegere klooster. In de toneelzaal was een tweede bar ingericht. Een van de jeugdlokalen achteraan diende als weekkapel.

De gebouwen waren echter aan een grondige opknapbeurt toe. Het meubilair raakte versleten en oudmodisch.

pc1Een grondige renovatie begon in 2000 met de gedeeltelijke vernieuwing van de zaalbekleding. In 2002 startte een restauratie van het gebouw: de gevelplaten werden vervangen door gevelstenen, de glasramen door dallen, de houten deuren en ramen door nieuwe synthetische stof en voorzien van een dubbele beglazing. Een bijkomend berghok bleek noodzakelijk. Het sanitair blok kreeg een flinke beurt. Ondertussen werd het meubilair en materiaal vernieuwd: keukenmateriaal en –kasten (2001); tapinstallatie (2001); tafels (2005); stoelen (2006). Het centrum kent een nieuwe jeugd.

Beoordeling

Nog altijd vormt het centrum met de gemeentelijke basisschool, de kleuterschool, de sportzaal en de achterliggende parking en speelweide min of meer een geheel. Achter het centrum ligt een verharde strook tot bijna tegen de Voer. Zij werd vroeger gebruikt als volleybalterrein en nu als parking voor een vijfentwintigtal auto’s.

Velen hebben zich verdienstelijk gemaakt voor het Parochiaal Centrum. Hun namen opnoemen is moeilijk. Zij zijn veel en talrijk. Het gevaar is groot een flink aantal te vergeten. Er is nog een andere reden: het zou te pijnlijk zijn. Te velen zijn niet meer. Zij die gebleven zijn denken soms met veel weemoed aan de gouden tijd toen de dorpsgemeenschap samen het Parochiaal Centrum bouwde. Maar zij zijn eveneens blij dat nieuwe mensen zich met veel overgave inzetten om het weer tot volle bloei te brengen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De geschiedenis van de Leefdaalse schuttersgilden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Schuttersgilden bestaan al eeuwen in onze gewesten. Zij zijn ontstaan uit broederschappen, samenwerkingsverbanden om elkaar te helpen bij natuurrampen en ziekten, maar ook bij roof, plundering en brandstichting al dan niet door rondtrekkende legerbenden. Naast de bescherming van dorp en kerk kregen zij allengs de opluistering van de kerkelijke en wereldlijke feesten als taak. Een eerste spoor van een gilde te Leefdaal vindt men in 1627. Toen vergaderden de schepenen van het dorp in het schuttershuis.

In 1664 bracht een wellicht heropgerichte Sint-Sebastiaangilde een openbare hulde aan het Heilig Sacrament met de opvoering van een geestelijk spel. In 1668 bestond eveneens een jongmansgilde want de zoon van drossaard Willem Keyaerts, Jan-Baptist, die kwam te overlijden, was er de voorman van.

1668-overlijdensregister-kapitein-Keyaerts

Al in 1648 schreef pastoor De Metser trouwens dat ‘de jongmans van Leeffdaele een offererande brachten tot een nieuwen Tabernakel om boven t’hooge S. Sacrament te dragen in de processie’. Of deze ‘jongmans’ een echte gilde vormden is mogelijk maar niet volkomen zeker.

Betere bewijzen van het bestaan van de gilden zijn twee zilveren breuken die gelukkig bewaard bleven. Zij werden besteld bij zilversmid Laureys Wijnants uit Leuven, gestorven in 1676. De eerste breuk, met een afbeelding van Sebastiaan, hoorde destijds toe aan de mansgilde, dit is de gilde voor gehuwden, de tweede, met een Onze-Lieve-Vrouwbeeld, is vervaardigd tijdens de periode 1665-1670 en was eigendom van de jongmansgilde, de gilde van de vrijgezellen.

De toenmalige pastoor Willem De Metser (1646-1683) bleek erin geslaagd de gilden te integreren in zijn evangelisatieproject. Een paar van zijn opvolgers waren vooral de jongmansgilden minder gunstig gezind. Zij namen aanstoot aan de fuiven, zeg maar uitspattingen, die niet altijd vreemd zijn aan jeugdfeesten. In juni 1688 barstte de bom. Terwijl jongens en meisjes heimelijk samen speelden en dansten, een gruwel voor de weldenkenden in die dagen en daarbij verboden sinds 1687, trad pastoor Nicolaus Des Moulins (1684-1692) op. Hij was een harde, strenge herder. Het bleef niet bij vermaningen, zodanig dat de jongmansgilde in beroep ging bij de kerkelijke overheid. Het leidde tot een proces op het aartsbisdom tussen de pastoor en de jeugd van Leefdaal, leden van de gilde.

De achttiende eeuw begon slecht voor de gilden. Een stroom van verbodsbepalingen beperkte hun voorrechten en activiteiten. Philips V verbood in 1701 de jongmansgilden; Karel III sloot in 1711 een ontsnappingsmogelijkheid: vrijgezellen mochten niet meer aansluiten bij de gilden van de gehuwden. In hetzelfde jaar verbood het vicariaat van het aartsbisdom Mechelen het gaaischieten op de kerktorens. Het misbruik bleef evenwel bestaan. De Raad van Brabant vaardigde tenslotte een decreet uit dat de praktijk radicaal uitsloot.

Dat alles betekende niet het einde van de gilden, zelfs niet van de jongmansgilden. Lang niet alle pastoors waren tegen hen gekant. Integendeel, telkens als de bisschoppen in het Ancien Régime hervormingen trachtten door te voeren die tegen de bestaande gebruiken ingingen, stuitten zij op het lijdzame verzet van een deel van de parochieherders. Zij vreesden dat de uitvoering van de bisschoppelijke beslissingen hen van hun kudde zou vervreemden. Nog sterker was de weerstand van de plaatselijke machthebbers die in elke verandering van de hogere overheid een aanslag zagen op hun verworven rechten.

Wat er te Leefdaal gebeurde is niet echt duidelijk. Het wipschieten bleef, zoals overal in Brabant, gedurende de hele achttiende eeuw een favoriete vrijetijdsbesteding. In 1738 is nog een reglement van de Sint-Sebastiaansgilde opgesteld.

In 1783 ontbond keizer Jozef II alle gilden. De weerstand was algemeen. Het was een van de oorzaken van de Brabantse omwenteling. Jozef stierf in 1790. Zijn opvolgers Leopold II en Frans II milderden het beleid van hun voorganger. Maar het einde was nabij. Op 28 april 1798 schafte de Franse Republiek alle gilden af. Hun eigendommen dienden als nationaal goed verkocht. Alles wat kon verdwijnen verdween uiteraard onmiddellijk. De breuken van de Leefdaalse gilden bleven gespaard.

Later startten de gilden opnieuw in vele gemeenten. De jongmansgilde werd te Leefdaal heropgericht in 1839. Of er enig verband was met de muziekvereniging, de Philharmonique de Leefdael, die een jaar later ontstond, is een open vraag.

De mansgilde van Leefdael, Sint-Sebastiaan, werd heropgericht op 20 januari 1868. Wellicht werden alleen de geldende regels gepreciseerd, verfijnd en/of strenger gemaakt. De gilde bestond immers al tijdens de vorige jaren. Op een feestzitting op het gemeentehuis in 1906 werd immers een gildenbroeder gevierd met 41 jaar trouwe dienst.

Vermoedelijk zijn de gilden allengs in het vaarwater beland van de Philharmonie. Zij hadden immers nood aan muzikanten, die alleen de muziekvereniging kon leveren. Bovendien behoorden de leidende figuren van gilden en harmonie tot dezelfde stand: de burgerij.

In 1875 werd een nieuwe muziekvereniging opgericht, de Fanfare Sint-Lambertus, die een geduchte dorpspolitieke rivaal zou worden van de oude Philharmonie. Sindsdien staat deze laatste bekend als ‘nummer één’; de Fanfare als ‘nummer twee’. Het gekrakeel tussen beide was zo erg dat in 1902 zowel de mans- als de jongmansgilde splitsten.

Uit een besluit van de gemeenteraad van 1905 blijkt dat er in het dorp vier gilden bestonden: de mansgilden Sint-Paulus en Sint-Sebastiaan en de jongmansgilden Sint-Jan en Sint-Lambertus. Bovendien had de Philharmonie een ‘Mekes’-gilde opgericht. Niet meer de dorpsheren of de geestelijkheid maar de dorpspolitieke partijen hadden de gilden in hun greep.

De heiligennamen raakten vlug vergeten. Iedereen sprak van de Jefkes en de Pekes van nummer één en de Jefkes en Pekes van nummer twee. Ter verduidelijking: een ‘Jefke’ is zoals Sint-Jozef, niet gehuwd; een ‘Peke’ is in de volksmond een oud mannetje; een ‘Meke’ een oud vrouwtje.

De Philharmonie behield de oude vlaggen en de breuk van de oude Onze-Lieve-Vrouwgilde. De Sint-Sebastiaanbreuk werd meegenomen door iemand die zich beter thuis voelde bij de Fanfare. Om het verlies voor nummer één te compenseren schonk hun lokaalhouder, Alfons Van Esch, een andere breuk. Waar ze vandaan kwam is een raadsel.

J1 012

1939: heroprichting van de Pekes

Na de Eerste Wereldoorlog stierven de gilden voor gehuwden een stille dood. De jongmansgilden bloeiden daarentegen als nooit te voren. In 1939 vierde de jongmansgilde nummer één, grondig zoals het past, haar honderdste verjaardag. Ter dier gelegenheid kwam de verwante pekesgilde weer tot leven. Zoals vroeger gebruikelijk werd er ook opnieuw gevendeld.

Na de Tweede Wereldoorlog hernam de activiteit van de gilden, zij het op een laag pitje. Van de gebruikelijke drie feestdagen bij de koningsschieting bleef alleen de zondag over. In 1956 waren op de koningsschieting van de Jefkes van de nummer één er maar negen present. De sociaal-economische context was volledig veranderd. De overgang van een dorp van hoofdzakelijk zelfstandige landbouwers naar een meerderheid van pendelende werknemers ging snel. Werknemers zijn uiteraard gebonden aan een strenger werkschema dat rekening diende te houden met de regels van de sociale verzekering.

De rivaliteit tussen de beide muziekverenigingen heeft de gilden gered, al leden zij een statusverlies. Zij kenden een opflakkering rond 1980. Een aantal gestudeerden en niet-dorpsbewoners toonden belangstelling. Een Nederlander schoot zich zelfs koning van de Pekes van nummer één in 1983.

Later verslapte de belangstelling opnieuw enigszins en dienden de jongmansgilden meer en meer een beroep te doen op jonge deelnemers. Toch richtte de Fanfare Sint-Lambertus nog een gilde van gehuwden op die vreemd genoeg de naam ‘Mamers’ kreeg. ‘Mamer’ is een verbastering van het Franse ‘membre’, ‘lid’ (van de muziekvereniging). Bij de Philarmonie brachten ‘Mekes’, vrouwelijke vrouwengildeleden, vanaf 1979 opnieuw versterking.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Meer informatie: W. Brumagne, ‘Onze schuttersgilden. Deel 4: De Leefdaalse schuttersgilden’, De Horen, 26 (1999), nr. 4, 175-184.

Het domein van Guillaume Maes en de bouw van het gemeenschapshuis en de jeugdlokalen in Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 20 december 2011 op leefdaal.be.


Bertem_Dorpstraat_550_01011970_(2)

Het herenhuis als rijkswachtkazerne (bron: beeldbank Onroerend Erfgoed)

Zoals in Bertem staan in Leefdaal belangrijke werken op stapel in een samenwerkingsverband tussen de gemeente en een private partner. De meest omvangrijke gebeuren op een domein waarvan de vroegere eigenaars meestal een belangrijke rol speelden in de plaatselijke geschiedenis.

Volgens het oude kadaster ligt het terrein op het Smisblok. In de omgeving lag inderdaad vroeger een smidse. Een smid was een belangrijke man in het vroegere landbouwdorp.

Op deze grond bouwde Guillaume Maes, de pachter van Raffelberg in 1852, een herenhuis in klassieke Franse Lodewijk XVI-stijl (nu Dorpstraat 555). Hij was een van de vele pachters die rond die tijd, na gemaakt fortuin, de landbouw verlieten.

In 1860 ging het domein naar Charles Maes, die het in het volgende jaar overliet aan Ferdinand De Coster, arts uit Sint-Gillis-Brussel. Zijn schoonzoon Justin Tielemans nam het over in 1868. Hij was in Leefdaal geboren als zoon van Franz, eveneens een arts. Zoals zijn broer Louis studeerde hij af als dokter, maar oefende het beroep niet uit. Hij werd wijnhandelaar. Van 1867 tot 1895 was hij burgemeester van Leefdaal. Als liberaal stond hij tijdens de schoolstrijd 1879-1884 tegenover pastoor Silvercruys. Hij vertrok in 1898 met zijn familie naar Koekelberg.

Het domein raakte gesplitst. Op het oostelijke gedeelte bouwde Francis Tielemans een graanmolen met stoommachine, een ‘vuurmolen’ met een hoge schoorsteen. Het experiment mislukte. De schoorsteen verdween. Het molenhuis is nu de eigendom van de apothekers Frank De Moor en Els Lecluse (Dorpstraat 553). In de bijgebouwen zijn de overblijfselen van de oude graanmolen nog zichtbaar.

postkaart leefdaal 1

Het ‘huis van dokter Ectors’

Dokter Jean-Gustave Ectors kocht in 1899 het aanpalende herenhuis met het grootste deel van de tuin. Hij ook mengde zich, aanvankelijk met succes, in de dorpspolitiek. Hij verliet het dorp in 1910. Zijn dochter Gabrielle, die in Leefdaal was geboren, huwde met Paul Anciaux. Zij werden de ouders van de latere Leuvense liberale senator Etienne Anciaux.

Van 1910 tot 1919 bewoonde rustend luitenant-generaal Florentin Verheyden het herenhuis. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht zijn zoon Leon als commandant in het Belgische leger. Zijn gezin verbleef intussen bij zijn ouders in Leefdaal. Toen bekend werd dat de commandant aan de IJzer sneuvelde organiseerde men een herdenkingsdienst in de Sint-Lambertuskerk. De kerk bleek veel te klein voor de massa aanwezigen. Naast een sympathiebetuiging voor de familie bleek het om een stille demonstratie tegen de bezetter te gaan.

Leefdaal kreeg in 1911 een brigade van vijf rijkswachters die allen met hun gezin een onderkomen vonden in het oude herenhuis. Decennia lang bleven de rijkswachters goed geïntegreerd in het dorp. Na hun pensionering bleven velen van hen met hun gezin er wonen. Als gevolg van de recente politiehervorming verliet de brigade Leefdaal om deel uit te maken van de politiezone ‘Dijleland’, die voorlopig het gebouw behield. De gemeente Bertem kon het uiteindelijk verwerven.

Zo blijkt dat het vroegere domein van Guillaume Maes het toneel was van belangrijke episoden in de lokale geschiedenis: eerst als woonplaats van artsen en hoge militairen – in die tijden eerder zeldzaam in de plattelandsdorpen -, daarna als residentie van een rijkswachtbrigade die meestal voortreffelijk werk leverde. Hopelijk bewijzen het gemeenschapshuis en de jeugdlokalen, die achter het oude herenhuis zijn gepland, lange jaren goede diensten aan de dorpsgemeenschap.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De melkerij Emmerechts

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 26 januari 2011 op leefdaal.be.


De familie

De familie Emmerechts, een boerengeslacht, was afkomstig uit de streek ten westen van Mechelen. Rond 1700 vestigden zij zich in Hombeek, nu een deelgemeente van Mechelen. August (Gust) Emmerechts werd er geboren op 24 april 1868. Hij huwde op 26 oktober 1896 met Maria Huberta Desmedt uit Elewijt. Het echtpaar kreeg vijf kinderen: Marcel (meestal Cee genoemd), Alfons, Louis, Anna en Marguerite. De moeder stierf erg jong op 15 maart 1902.

Die vierendertigjarige Gust hertrouwde enkele maanden later, op 15 november 1902, in Leefdaal met zijn twintigjarige schoonzus Coleta (geboren 15 juni 1883), uit Elewijt, die bij hem in Leefdaal verbleef, waarschijnlijk om te zorgen voor de jonge kinderen van haar zuster.

Familiaal begon een ongeluksperiode voor Gust en zijn jonge vrouw. Hun zoon François, negentien dagen oud, stierf op 8 maart 1903. het volgende jaar verloor het echtpaar, op 11 april 1904, een tweeling – een jongen en een meisje – pas een dag oud. Op 6 februari 1905 stierf een nieuwe boreling onmiddellijk na de geboorte.

Het volgende kind, Frans Joris, zag het levenslicht op 8 augustus 1906. Het was het enige uit het huwelijk dat de volwassen leeftijd zou bereiken. Ten slotte verloor Gust op 27 augustus 1909 zijn tweede echtgenote, waarschijnlijk bij de geboorte van een nieuw levenloos zoontje.

Joanes Franciscus Emmerechts, vader van Gust, stierf op 4 januari 1915, bij zijn zoon in Leefdaal. Hij was al weduwnaar sinds 10 mei 1894. Gust stierf amper een paar jaar later op 27 maart 1918 in Neerijse.

Het bedrijf

melkerij-emmerechts1De tragiek van zijn gezinsleven belette August Emmerechts niet bloeiende bedrijven op te richten. Na zijn eerste huwelijk vestigde hij zich in Leefdaal. Op een terrein in de hoek gevormd door de Dorp- en de Korbeekstraat bouwde hij een fraaie woning, bijna een schoolvoorbeeld van de toenmalige burgerbouwtrant. Geglazuurde tegels verlevendigden de voorgevels met fraaie banden en beklemtoonden de ontslagbogen boven deuren en vensters. Een dubbele deur verleende toegang tot het café, want Gust wilde naast melkerijexploitant ook herbergier zijn. Het melkerijgedeelte bevond zich achteraan en strekte zich vooral uit langs de Korbeekstraat. Het was te bereiken langs een toegangsweg in de Dorpstraat links van de woning.

De melkerij produceerde uitsluitend boter die vooral in Leuven werd verkocht. De bewerking noemde men ‘boter uit de melk (room) pressen’. Gust Emmerechts kreeg de bijnaam ‘de pres’, die later overging naar de familie Vermylen. De afgeroomde melk werd met de buurtspoorweg naar de melkerij / kaasfabriek van Wezenbeek gevoerd. Het Leefdaalse bedrijf is waarschijnlijk een paar jaar na het overlijden van August stilgelegd.

De grootste verwezenlijking van August Emmerechts was de oprichting van een nieuwe melkerij in Neerijse. Langs zijn vriend, de stationschef van Vossem, kwam hij aan de weet dat er plannen bestonden voor het aanleggen van de buurtspoorweg Tervuren-Tienen en dat in Neerijse nog geen herberg, dus geen mogelijke wachtzaal, bestond bij de voorziene halte. Hij kocht een perceel grond in de onmiddellijke omgeving en bouwde er rond 1913 een huis met herberg en winkel. Het geheel leek sprekend op zijn eigendom in Leefdaal.

melkerij-emmerechts-neerijse1

Aan het station van Neerijse

August verhuisde niet onmiddellijk naar Neerijse. Hij zette zijn bedrijf in Leefdaal verder, maar overhaalde zijn broer François om ter plaatse een kolenhandel te beginnen. Zijn kinderen Marcel, Louis en Anne vertrokken naar Neerijse om het nieuwe melkerijbedrijf op te richten. Het werd een groot succes. De melkerij leverde in haar bloeiperiode kaas, yoghurt, boter en vooral melk tot in het Waalse Jumet, waar broer Louis een depot beheerde. Het stelde toen 22 werklui te werk. De zoon van Marcel, Gust zette het bedrijf verder. Hij was geen onbekende in ons dorp. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde hij in de voetbalploeg van Leefdaal. Het bedrijf in Neerijse stopte elke activiteit in 1970.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De reuzen Borre, Trien en Gust

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


DSCN5319De reuzen Borre en Trien zijn geboren in 1890 ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Filharmonie te Leefdaal. Zij stellen twee volkstypen voor, die een herberg openhielden in de Kleine Kerkstraat. Zij schiepen er sfeer met het zingen van liederen waarin alle grote feiten uit het dorpsleven, de moorden en de branden, werden bezongen.

Als Borre zong klommen de luisteraars op een stoel om in zijn wijdopen mond te kijken. Zij beweerden op die wijze de lever van de zanger te kunnen zien. Trien was een andere attractie. De dorpsjeugd vond het een genoegen haar te treiteren met de bewering dat ze geen hemd droeg. Zij schortte onmiddellijk haar rokken op om het kledingstuk te tonen.

Kortom, het was een plezante café bij Borre en Trien, waar iedereen graag kwam om veel te lachen. Met de kermis kwam er soms meer volk over de vloer dan in de eigenlijke danszalen.

Over het echtpaar deden overigens de dolste verhalen de ronde. Op een nacht had de enige koe van het paar zich losgerukt en was via de keuken in de slaapkamer terechtgekomen. Tot overmaat van ramp blies het beest ongewild de kaars uit die ijlings was ontstoken. Borre, de grote muil, verstijfde van schrik. Trien huilde luidkeels dat ‘lodder met zijn keet’, de beruchte boeman, in huis was. Toegesnelde buren konden de orde herstellen. Het is niet verboden te denken dat zij aan de basis van het onheil lagen.

Een koe was een noodzakelijk bezit voor een keuterboer. Zij leverde kalveren, melk, trekkracht en later vlees. Borre had het grootste respect voor zijn beest. Als hij er mee op straat verscheen ging hij voorop om het dier zijn bestemming te tonen.

J1 012Het was logisch dat een dergelijk echtpaar werd vereeuwigd in een reuzenpaar. Technisch gezien bestaan de reuzenpoppen uit een licht houten geraamte waarom het bordpapieren hoofd is vastgemaakt. De Borre-reus heeft, zoals de man zelf, grote oren, ‘lang genoeg om de vliegen van zijn gezicht te jagen’. Het houten geraamte is in 1939, ter gelegenheid van de honderdste verjaring van de jongmansgilde nummer een, vernieuwd door Jules Vander Hulst, ‘de Witte van den Duim’.

De kledij van het paar is tezelfdertijd aangepast door Petronilla Smets, ‘Nille van de Preiter’, en Maria-Ludovica Gijns, ‘Wis van den Bak’. Borre draagt een zwarte boerenklak en een blauwe kiel, zoals vroeger de veekooplieden. Rond de hals zit de onvermijdelijke zakdoek. Trien is een boerin uit de negentiende eeuw met een kanten muts, een geruite bloes en een zwart schort. Elke reuzenpop wordt door een enkele man gedragen, die de wereld alleen kan bekijken door een kleine opening.

In 1979, ter gelegenheid van de 140ste verjaardag van de heroprichting van de jongmansgilde, zijn de reuzenpoppen volledig vernieuwd. Louis Vander Hulst, ‘Wieke Duim’, bouwde de geraamten op uit stalen buizen. De koppen zijn het werk van Julia Forrez, echtgenote van Frans Lannoy, uit Bertem. Paula Puttemans, vrouw van Louis, naaide de klederen, die nauw aansluiten bij de vroegere. Toch is de outfit van vrouw Trien – hoe kan het ook anders – ietwat aangepast aan een meer recente reuzenmode. Door de nieuwe aanpak hebben de reuzen wat aan gewicht gewonnen. Zeg nu zelf, wie wint niet wat kilo’s bij met het verstrijken van de jaren?

printen1Een jaar later is eveneens uit (naast?) het echtpaar een reuzenkind geboren. Zijn naam is Gust, omdat eeuwig Jefke Albert ‘Gust’ Trappeniers in 1980 gevierd werd voor vijftig jaar actief lidmaatschap van de Jefkes nr. 1. Zijn gestel is natuurlijk hetzelfde als dat van zijn ouders. Zijn hoofd, dat nogal lijkt op dat van Franky, zoon van Louis en Paula, is nochtans flink met de tijd geëvolueerd. Julia Forrez maakte het uit polyester.

De reuzen Borre, Trien en Gust blijven het trouw bewaarde bezit van de Filharmonie en van de Jefkes nr. 1 die ze alleen bij bijzondere gelegenheden buitenhalen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

‘De bekering van Hubertus’ van Gaspar De Crayer

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Op-een-kier-...-3634Gaspar De Crayer (1584-1669) was een belangrijk Zuid-Nederlandse schilder, die te Brussel een plaats van aanzien bekleedde. Zijn productie was omvangrijk, vooral van religieuze stukken. Hij werkte met een groot aantal medewerkers en leerlingen, maar zijn doeken bleven altijd verzorgd van uitvoering.

Zowel inzake compositie als lichtbehandeling en coloriet was Rubens het grote voorbeeld van De Crayer.

Het schilderij van Leefdaal is aangekocht in 1662. Het nieuwe doek was naar de trant van de tijd hoog van formaat. Bij de levering van een nieuwe portiekaltaar in 1669 diende het aangepast.

Het schilderij kende een bewogen geschiedenis. Bij dreigend oorlogsgevaar bracht men het te Leuven in veiligheid. Het onderging talrijke restauraties.

In 1891 dacht de kerkfabriek het te verkopen om de vergroting van de parochiekerk te bekostigen. Het gemeentebestuur kelderde het project, niet uit kunstzin, maar omdat het vreesde mee te moeten opdraaien voor de kosten van de geplande werken.

Gaspar De Crayer heeft de klassieke voorstelling geschilderd van de verschijning van het kruisdragend hert aan Hubertus. De heilige knielt neer met de rechterhand voor de borst. Hij draagt een rode jas, een witte broek, laarzen en een zwaard. In de linkerhand houdt hij een muts met rode veren. Voor hem ligt zijn jachthoorn en staat een groep jachthonden afgebeeld. Achter hem verschijnt de kop van zijn schimmel. Links in de achtergrond verdwijnt een groep jagers met paard en honden.

De voorstelling stemt tot in de details overeen met een analoog doek uit de Sint-Jakobskerk te Leuven dat nu ophangt in de voorlopige kapel aldaar.

Het is bekend dat de legende van de Hubertusbekering is afgeleid van die van de Romeinse soldaat Eustachius en wellicht in oorsprong teruggaat op een voorchristelijk verhaal.

De Crayer was een voortreffelijk schilder, zij het geen geniaal grootmeester zoals Rubens. Het schilderij te Leefdaal bewijst het:

‘Niet de drift van de jacht en het plotse onderbreken hiervan worden beklemtoond; niet de onsteltenis van de jager, niet de wildheid van het woud… maar de pracht van de kledij, de sierlijkheid van het gebaar. Mooi … zijn de dieren, het hert, de honden en het paard; weelderig zijn … de kleuren: rood, goudgeel, zilverwit en bruingroen; warm als herfstkleuren, met een gedempte gloed, naglans van een zomerse felheid en intensiteit, die wij eerder bij Rubens aantreffen.’

‘De kunstenaar dist een mooi en stichtend verhaal op en het verhaal is mooi opgedist. De Crayer heeft ter dege bereikt wat hij wou: het gemoed strelen en door schoonheid behagen.’

(Jos De Maegd)

(Willy Brumagne, 1932-2013)

IMG_4983

‘De bekering van Hubertus’ tijdens een lezing door Willy Brumagne in 2010.

De jongmansgilden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


jefkes1Te Leefdaal bestaan twee gilden die uitsluitend vrijgezellen als leden tellen. Het zijn de enige in België. Zij kenden een belangwekkende geschiedenis.

De oudste is heropgericht in 1839. Een jaar daarna ontstond de oudste muziekvereniging van de streek, de Filharmonie. Beide verenigingen zijn zeker vanaf 1902 nauw met elkaar verbonden gebleven.

Gilde en muziekvereniging volgen in de negentiende eeuw een selectieve ledenpolitiek: het lidmaatschap was een voorrecht en de contributie hoog. Dat was samen met familieveten de oorzaak van de oprichting in 1875 van een nieuwe muziekvereniging, de Sint-Lambertusfanfare en in 1902 van een nieuwe jongmansgilde, beide bekend onder de naam ‘nummer twee’.

De rivaliteit tussen één en twee is, zelfs op het gebied van de gemeentepolitiek, altijd groot geweest. De wedijver heeft gelukkig tot gevolg gehad dat de beide gilden eertijds een grote bloei kenden en dat zij uiteindelijk zijn blijven bestaan. Tot de Tweede Wereldoorlog bestonden eveneens gilden voor gehuwden.

Het doel van de jongmansgilden is ontspanning te bezorgen aan hun leden. Hun voornaamste bezigheid is de jaarlijkse koningsschieting. In de vroege twintigste eeuw duurde het feest vier dagen.

breuk-190x300

Zilveren koningsbreuk

  • Op zaterdag bracht men de hoge wip in orde.
  • ’s Anderdaags, in de voormiddag, had de koningsschieting met de handboog plaats. In de namiddag bezocht men de bevriende herbergen en de dag eindigde op de dansvloer.
  • Op maandag werd een schutterswedstrijd gehouden met als prijzen typische rode zakdoeken.
  • Op dinsdag nam men afscheid van de wip met een grote rondedans. Dit afscheid belette niet dat de volgende dagen soms verder werd gevierd.

De geleidelijke overgang van een zuiver landbouwdorp naar een gemeente met veel pendelaars heeft tot gevolg gehad dat de jongmansgilden moesten inbinden. Nu bestaan nog alleen de feestelijkheden op de dag van de koningsschieting.

Na de hoogmis haalt men in stoet de koning, de gemeenteoverheid en de kasteelheer van Leefdaal af. Samen gaat men naar de schuttersweide tussen de kerk en het kasteel. De koningsvogel wordt secuur op de wip geplaatst. Dan volgen de begroetingen van de overheidspersonen en de begroeting van de wip door de ruiters en het vlaggenzwaaien. De eigenlijke schieting begint met drie ereschoten van de kasteelheer, van de overheidspersonen en van de koning. Laat de koning de kans voorbijgaan om zijn titel onmiddellijk te verlengen, dan treden alle kandidaten tegelijk in het strijdperk.

J1 010

De burgemeester en zijn gevolg worden afgehaald

Het koningsschot wordt op gejuich onthaald. De nieuwe koning krijgt plechtig de zilveren breuk omhangen en ontvangt de hulde van zijn gezellen. Hij wordt daarna stoetsgewijs naar huis gebracht. De koning die erin slaagt tweemaal zijn titel te hernieuwen promoveert tot keizer.

De basiskledij van de gildenbroeders is typisch negentiende-eeuws: witte pantalon, gewoon jasje en platte, ronde strooien hoed met band. De dignitarissen dragen een rode sjerp rond de lenden en een rode pluim op de hoed.

De kapitein opent de gildenstoet te paard met witte hoedband, pluim en sjerp en een symbolische boog op de rug, samen met de koerier die als taak heeft de aankomst van de stoet aan te kondigen. De bevriende muziekvereniging volgt en de gewone leden sluiten aan op twee rijen. Elke rij wordt voorafgegaan door een deurwachter met wandelstok, die de broeders de toegang tot de herbergen moet beletten.

Het geldt als een wijze maatregel dat het bier altijd buiten wordt opgediend.

boetmeester

De boetmeester

Vier dignitarissen sluiten de stoet: de schrijver, de kassier, de koning en de boetmeester met zwarte steek en kleine lederen tas. De gemeenteoverheid volgt samen met de kasteelheer en zijn familie. Zij gaan de helpers vooraf: de pijlrapers, die een grote, tenen hoed dragen; de knaap met witte voorschoot, en de vogeldrager, die de koningsgaai torst.

De waarheid gebiedt te zeggen dat de laatste jaren soms wordt afgeweken van de juiste regels. Er bestaan opnieuw gilden voor gehuwden, die de stoeten van de bevriende jongmansgilde volgen.

De jaarlijkse koningsschietingen van de jongmansgilden zijn gebeurtenissen van uitzonderlijk folkloristisch belang, geen modern gedoe om toeristen te lokken. Zij hebben plaats op de twee zondagen na 24 juni, maar… als u ze wenst bij te wonen, vraag dan te Leefdaal naar ‘de Jefkes’. Is Sint Jozef niet de patroon van de vrijgezellen?

(Willy Brumagne, 1932-2013)

printen1