De verdwenen hoeve ‘Olenaed’ in Bertem

krant

De werken worden aangevat, langs de net heropende steenweg. Rechts wordt ook het ‘sociaal huis’ opgetrokken. (foto genomen op 10 december 2011)

Op de hoek van de Tervuursesteenweg en de A.E. Verbiststraat plant een private groep ondernemingen de bouw van een belangrijk appartementsgebouw. Het is een resultaat van een publiek-privatesamenwerking (PPS) tussen de gemeente en de bouwondernemingen. De werken gebeuren op een grond die voorlopig nog gemeentelijke eigendom is. Later zal het geheel worden overgedragen aan de private partner. Deze tekst wil de geschiedenis van de grond in herinnering brengen. Hierop stond vanaf ongeveer 1830 een middelgrote hoeve, waarvan de bewoners een belangrijke rol speelden in de lokale politiek.

De bouwheer was Jan Baptist Neefs. Zijn doel was de exploitatie van een herberg langs de nieuwe weg Tervuren – Leuven, die aangelegd werd in 1826-1828. Deze baan moest worden betaald met tolheffingen op de gebruikers. Wellicht hoopte Neefs de toldienst te kunnen verzekeren of als relais voor postkoetsen te dienen. De gebouwen waren sober van opvatting. Het belette niet dat het hoofdgebouw evenwichtig en harmonieus was. Het verenigde de kenmerken van de traditionele stijl van onze gewesten met elementen van het Franse classicisme. Bovendien was het vrijwel volledig opgebouwd in baksteen wat eerder uitzonderlijk was in die tijd.

Het interieur kende aanvankelijk drie delen: de herberg met café, een grote zaal en het woongedeelte. De functie van de pronkkamer wisselde wel eens: logement waar men de gasten huisvestte, later gelagzaal en nog later pronksalon. De zaal diende ongetwijfeld voor allerlei bijeenkomsten, dansgelegenheden uiteraard, maar ook openbare verkopen en dergelijke. Het woongedeelte, huiskamer en wasplaats, was vrij klein, typisch voor de tijd van toen, die eigenlijk nog niet zolang tot het verleden behoort. In de loop van de jaren werd het interieur sterk verbouwd.

hoeve.jpg

Naast handelaars en dienstverleners waren de eigenaars ook landbouwers. De bedrijfsgebouwen werden geleidelijk uitgebreid. In de eindfase rond 1900 ontstond een gesloten vierkanthoeve. De vele activiteiten van de bewoners – herbergiers, soms jeneverstokers, winkeliers misschien – vormden een beletsel om het landbouwbedrijf meer dan middelgroot uit te bouwen. Zij hebben nooit meer dan vijf hectare bewerkt. Het bedrijf van de familie Neefs en haar opvolgers was efficiënt georganiseerd. Het stond open voor de nieuwere methodes die opgeld maakten in de negentiende eeuw. Op het erf werkte gedurende een zekere tijd een rosmolen.

domien-olenaed-louise-vrebos

Het echtpaar Olenaed-Vrebos

Het geheel kwam door erfopvolging in het bezit van Domien (Miene) Olenaed, die dertig jaar lang burgemeester van Bertem was. Hij stierf kinderloos in 1985. De erfenis ging gedeeltelijk naar de (vele) neven en nichten van zijn vooroverleden echtgenote Louise (Wis) Vrebos. In overeenstemming met de wens van de oud-burgemeester werd de hoeve met de bijgebouwen en de omliggende weiden overgelaten aan de gemeente Bertem. Zij liet de oude wat versleten constructies afbreken. Een deel van de grond hielp bij de oprichting van een nieuw gebouw voor de gemeentelijke basisschool. De rest bleef voorlopig een wat verwaarloosde parkeerplaats voor auto’s.

Deze bouwgeschiedenis is erg beknopt. Er is sprake van een middelgrote boerderij, die aanvankelijk gekenmerkt was door de aparte opstelling van een langschuur naast het hoofdgebouw. Zij groeide later uit tot een heuse vierkantshoeve. Het complex vertelde heel wat over de woon- en werkomstandigheden en de dagelijkse beslommeringen van een aantal personen en gezinnen die ooit een belangrijke rol speelden in Bertem.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Beknopte bibliografie

H. Vannoppen (1978), De geschiedenis van Bertem. De parel van de Voervallei, Bertem: uitgave Jos Erven.

W. Brumagne (1987), ‘Belangwekkende 19de-eeuwse herberg en boerderij te Bertem’, Meer Schoonheid, 1987/1, p. 13-19.

Verkoop van een pachthoeve in Bertem in 1785

berthi

De toegangspoort tot het hof van Berthi, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd vernield.

In het boek van Henri Vannoppen De geschiedenis van Bertem, het Teussersdorp bij de Romaanse kerk staat op bladzijde 14 een zin waarbij wat meer uitleg nodig blijkt: ‘Ook de Jezuïeten hadden een pachthof te Bertem, met Michiel Humblé als pachter in 1748. Dit pachthof werd openbaar verkocht in 1785 aan Hiëronymus Maes’. Welk pachthof?

De verzameling van de betreurde Marcel Michiels in Leefdaal bevat een exemplaar van de verkoopakte ‘voor een zeker pachthof bestaende in huys, schuer, stallen, hoff ende boomgaerd gelegen onder Bertem, regenoten de Baene van Loven op Leefdael [dit is de verdwenen Kerstraat waarvan de huidige Egenhovenstraat een overblijfsel is] het kerkhoff en de Straete naer de Voere [nu Groenendaal]’. Het geheel omvatte 31 tot 32 bunder land en was ‘vrij van tienden, maer belast aen de Camer van Uccle met eenen last van eenen Wilden Beer [een mannelijk zwijn], waer men betaelt sestien gulden s’jaers verschynenden den eerste october’. Pachters waren Hiëronimus Maes en zijn echtgenote Elisabeth Humblé. De pacht eindigde half maart 1785. Het leidt geen twijfel dat het ging om het pachthof van Berthi, dat nog altijd een landbouwbedrijf is (nu Groenendaal 13).

Op de eerste zitdag op 21 februari 1785 doken geen bieders op. Op 14 maart zette Hermanus Josephus De Bruyn, meesterbrouwer in Leuven, voorlopig in voor 25.200 gulden. Tijdens de definitieve verkoop op 31 maart bood een zekere Huygens tegen De Bruyn op. De eerste won. Boven de ingezette prijs van 25.200 gulden betaalde hij nog 2.714 gulden. Het bleek dat hij als stroman optrad voor pachter Maes en zijn echtgenote Elisabeth Humblé die de koop aanvaarden. Alexander Maes uit Leefdaal stelde zich borg voor de betaling. De transactie was een voorbeeld van de enorme verschuiving van onroerend bezit van de kerkelijke instellingen naar de burgerij, inclusief de belangrijke pachters, die plaatshad tijdens de regering van keizer Jozef II (1780-1790) en later tijdens de Franse overheersing (1795-1814).

Voor de geschiedenis van de Congregatie van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria – zeg maar Sint-Bernardus – zijn vooral de namen Michiel en Elisabeth Humblé belangrijk. Helaas is een familiegeschiedenis moeilijker op te sporen dan het reilen en zeilen van een religieuze instelling. Toch een sprongetje in de tijd: Jan Baptist Humblé, textielhandelaar in Gent, schonk in 1818 aan de congregatie een terrein en gebouwen in Bertem en beloofde nog meer steun. Het geschonken terrein lag vlak ten zuiden van het pachthof van Berthi, waar zich nu nog de gebouwen van Sint-Bernardus bevinden. Jan Baptist en zijn zuster Elisabeth waren de kinderen van Michiel en zijn vrouw Clara Nijs.

De band van Jan Baptist Humblé met de kopers van 1785 is waarschijnlijk, maar niet absoluut bewezen. De oplossing van het probleem lijkt een kluif voor de Erfgoedkamer. Een aanzet vindt men in de boeken van Henri Vannoppen en in Fundamenten in seniorenzorg van Greet De Neef en Rik Uytterhoeven. Is het belangrijk? Zeker voor de geschiedenis van Bertem, waarvan de kerk, het hof van Berthi en later de Zusters van Liefde kernstukken uitmaken. Bovendien zal de geschiedenis van de eens zo machtige pachterfamilies van Bertem en Leefdaal duidelijker worden.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Ons Leuven over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal

Tijdens de jaren 1920 werden verschillende lokale katholieke kranten opgericht. Zo bestond er Ons Tienen. Orgaan der katholieke partij van Tienen en omstreken en Ons Tervuren. Katholiek Vlaamsche weekblad voor Tervuren, Duisburg, Vossem, Everberg en omstreken. Toevallig konden we enkele nummers inkijken van nog een ander blad, Ons Leuven. Katholiek weekblad voor Leuven en omstreken. Deze krant verscheen voor het eerst in juli 1928, maar verwaterde al snel tot een politiek pamflet. Tijdens de eerste twee jaren van haar bestaan publiceerde ze allerhande artikeltjes over Bertem, Korbeek-Dijle en Leefdaal. We kozen er enkele uit.

krant.jpg

BERTHEM. – Vandalenstreek. – Vorige nacht, werd aan het bekend rijwielmakershuis E. Meeus, Alsemberg, alhier, de kostbare gummidarm, ter waarde van 400 fr., dienende op de naftavergaarbak voor auto’s, doorgesneden, waardoor een massa benzine verloren liep. Een streng onderzoek is ingesteld. (7 oktober 1928)

CORBEEK-DYLE. – Zooals door ons aangekondigd, werd Zondag het beeld van de H. Theresia van ’t Kindje Jezus, op luisterrijke wijze gewijd en ingehuldigd. Reeds van 1 ½ uur vormde zich een praalstoet in de Broekstraat, grensscheiding van Heverlee en Corbeek-Dyle. Vervolgens toog deze stoet, bestaande uit groepen, verkleede ruiters, padvinders, H. Hartbonden, Boerengilden, muziek- en andere maatschappijen, maagdekens en gekostumeerde groep, verbeeldende het lijden van O.L.H., enz., door het puik versierde dorp. Ook het groote beeld van de lieve heilige Theresia en een praalwagen, puik ingericht, waar de Heilige Theresia verbeeld werd door een lief, braaf meisje van de gemeente. De geestelijkheid sloot den stoet.

Overal had men om het meest geijverd en gewerkt om huizen en straten te versieren en te bevlaggen. Tientallen zegeboogen waren opgericht. Het volk was van alle kanten toegestroomd, daar het puik weder als weggeleid scheen voor dit feest.

Door Mgr Quinius Nols, Prelaat der abdij van Park (Heverlee), bijgestaan door eenige E.H. Kanunnikken derzelfde abdij, werd op een prachtig verhoog, de stoet in oogenschouw genomen. De Hoogw. Prelaat zegende het volk en inzonderheid de kleine kinderen. Z.H.W. volgde dan met mijter en staf, den stoet en ging vervolgens over, in de kerk, tot de wijding van het groote beeld van de H. Theresia. Lof volgde met sermoon, en de lieve kerk was stampvol. In een woord, het was meer dan een feestdag te Corbeek-Dyle – het was een Hoogdag – De brave bevolking haalt eer van de versiering. (21 oktober 1928)

krant

Reclame in het nummer van 22 juli 1928

LEEFDAEL.  – Wij maakten melding van de brutale aanranding op den eenzamen weg Berthem-Leefdael (gehucht Ste-Vroene) van het 16-jarig meisje B…, van Berthem, die ’s avonds alleen huiswaarts ging en benevens de kapel van Ste-Veronika, te Leefdael, op ’t onverwachts aangevallen werd door zekeren V…, van Leefdael, een slecht befaamde kerel. Daar de klacht niet onmiddellijk ingediend werd, kon het gerecht ook niet eerder ingrijpen. Gedurende het ingestelde onderzoek, waarbij tal van getuigen naar Leuven geroepen werden, bleken de feiten nogal bezwarend voor den dader, die dan ook ingerekend werd en gevankelijk te Leuven werd gevoerd Dinsdag morgen. Het is voor de bevolking aldaar als een ontlasting en die zaak wordt druk besproken. Het onderzoek duurt steeds voort. (21 oktober 1928)

LEEFDAEL. – Baankoers.  – Heden Zondag, 11 Oogst, zal alhier, door de club “De Snelle Wielrijders”, lokaal “Casino”, bij A. Van Esch, een baankoers voor alle onderbeginnelingen ingericht worden over een afstand van 50 km. goede wegen, 600 frank geldprijzen worden uitgeloofd. Inschrijvingen bij Van Esch, tot aan ’t vertrek der koers te 14 ½ uur. (T.) (11 augustus 1929)

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

De ‘ontdekking’ van het Sint-Stefanusretabel (1847)

In de Messager de Gand van 4 november 1847 lazen we een artikel over het Sint-Stefanusretabel uit de Sint-Bartholomeuskerk van Korbeek-Dijle:

M. Mathieu, directeur de l’Académie des beaux-arts de Louvain, vient de découvrir dans l’église de Corbeek-Dyle un monument de la plus haute importance pour l’histoire de l’art belge. C’est un retable composé de six panneaux qui, en se fermant, couvrent différentes niches contenant des sculptures en bois doré. Les sujets des douze tableaux (car les panneaux sont peints des deux côtés), ainsi que ceux des sculptures, représentent la légende de Saint-Etienne.

Ces différentes peintures datent de la fin du quatorzième siècle. Elles sont peintes en détrempe, et le dessin en est d’une si merveilleuse beauté que, pour trouver des figures d’évêques, aussi belles que celles qui y sont représentées, il faudrait sans exagération aucune, remonter jusqu’à la Dispute du Saint Sacrement, de Raphaël. M. Mathieu a pris le calque de plusieurs groupes; il se propose de l’envoyer incessamment au gouvernement avec un rapport complet sur la valeur artistique et historique de cette inappréciable découverte.

Het Sint-Stefanusretabel is jonger dan Lambert Mathieu dacht. Het werd in 1522 vervaardigd. Aan de woorden van bewondering durven we wel niet te twijfelen! Gelukkig bleef het kunstwerk bewaard, toen in 1858 de oude kerk van Korbeek-Dijle afbrandde.

retabel.png Disputa_del_Sacramento_(Rafael).jpg
Het Sint-Stefanusretabel uit Korbeek-Dijle, naast het Dispuut over het Heilige Sacrament van Rafaël. Volgens Lambert Mathieu zijn de twee kunstwerken vergelijkbaar in schoonheid.

Het Hof van Rooclooster in Vroeienberg

De hoeve van Rood Klooster in Sint-Verone[1]

De priorij van Rooclooster

Rooclooster ligt in Oudergem midden een sliert vijvers in de hoek gevormd door de Waversesteenweg en de Tervuursesteenweg. In het midden van de veertiende eeuw woonde hier een kluizenaar die weldra het gezelschap kreeg van gelijkgezinden. Hertogin Johanna van Brabant schonk hen een stuk grond. De kluizenaars bouwden er enkele huisjes en een kapel. Weldra volgden andere schenkingen van de hertogelijke aristocratie.

De kluis werd in 1373 aan Paulus toegewijd. De bewoners namen de regel van Augustinus aan. Zij werden ‘reguliere kanunniken van Sint-Augustinus’ en sloten aan bij het kapittel van Groenendaal. Groenendaal trad later toe tot het kapittel van Windesheim waarvan de spiritualiteit lange tijd een diepe invloed uitoefende op het religieuze, morele en intellectuele leven in onze streken. Rooclooster werd geen abdij, wel een priorij onder de leiding van een prior.

De eerste eeuwen van de priorij waren gekenmerkt door geloofsijver en materiële welstand. De Bourgondische hertogen (1406-1515) bevestigden de privilegies van de priorij, maar verdere giften bleven uit. Keizer Karel V en zijn Spaanse opvolgers (1515-1713) bleven de kloosterlingen beschermen, vooral tijdens de godsdienstoorlogen die een einde maakten aan de bloei. De periode van de Contrareformatie (1600-1670) bracht opnieuw welvaart.

Gezicht op de priorij van Rooclooster. L. De Vadder, ongedateerd, zeventiende eeuw.

Gezicht op de priorij van Rooclooster.
L. De Vadder, ongedateerd, zeventiende eeuw.[2]

De Oostenrijkse Nederlanden (1713-1796) betekenden het begin van de teleurgang van Rooclooster. De werkelijke of vermeende rijkdom van de religieuze gemeenschappen was hoe langer hoe meer een doorn in het oog van de machthebbers. In 1750 moest Rooclooster 4000 gulden bijdragen tot de wederopbouw van het Brusselse hertogelijke paleis dat door een brand was verwoest. De priorij kon het probleem oplossen door de verkoop van een aantal goederen.

Een verordening van keizerin Maria-Theresia van 16 september 1753 bevestigde het voorheen – al in de zestiende eeuw- aan de religieuze instellingen opgelegde verbod om zonder toelating goederen te verwerven. Kloosterbezittingen waren ‘van de dode hand’, werden nooit vererfd, wat erg nadelig was voor de vorstelijke financies. De monniken gebruikten hun gelden voortaan voor de gehele of gedeeltelijke vernieuwing van hun gebouwen.

Keizer Jozef II hief Rooclooster op 13 april 1784 als ‘onnuttig’. De kloosterlingen keerden terug naar ‘de wereld’; hun goederen werden in beslag genomen. De openbare verkoop was voorzien voor 1789. De Brabantse omwenteling herstelde nog eventjes de vroegere toestand. Achttien kanunniken hervatten in 1790 het gemeenschapsleven in vervallen en deels verwoeste gebouwen. Het bleven troebele tijden. Het moreel was laag. Spoedig begonnen de uittredingen. In 1794 trof een Franse militaire contributie Brussel. Het deel ten laste van Rooclooster bedroeg 25.000 Franse ponden.[3] Om hieraan te voldoen moesten ijlings, ver beneden hun waarde, gronden onder meer in Bertem en Leefdaal worden verkocht.

Op 13 augustus 1796 schafte de Franse bezetter de priorij definitief af. Gebouwen en landerijen vielen ten prooi van speculanten. De kerk brandde in 1834 volledig uit. Ten slotte verwierf de Belgische Staat in 1910 het vroegere kloosterdomein. De overblijvende gebouwen zijn sinds 1965 beschermd. In het vroegere priorkwartier zijn nu een kunstcentrum, een infocentrum voor Zoniënwoud en een café ondergebracht.

Het Hof van Rooclooster in Vroeienberg

Naast de hoeve bij de priorij verwierf Rooclooster in de vijftiende eeuw twee pachthoeven: ‘Ten Broeck’ in Sint-Genesius-Rode en een in Vroeienberg. De laatste lag aan de Bertemse noordelijke oever van de Voer vlak bij de grens met Leefdaal: ‘naest de Voer ten Ie, het Cuyperstraetken ten IIe en een cleyn straetken aen Cousmaecker block ten IIIe’. Op de huidige kaart van Bertem zou men de hoeve vinden aan de Molenstraat, tussen de vroegere molen van Sint-Verone en de Kuipersberg.

De eerste vermelding van het hof in Vroeienberg dateert uit 1421. Het bezat in 1437 in Bertem, Meerbeek en Leefdaal ongeveer 55 bunder[4] land, bos en weide en twee wijngaarden. De totale oppervlakte zou weinig veranderen tot bij het einde van het ancien régime. Het was een belangrijk bedrijf. Het leverde in 1437 de voorzitter van het Bertemse cijnshof. In 1504 ging dit presidentschap over naar de heer van Chièvres en van Heverlee. In 1526 behoorde het bedrijf formeel tot de eigendom van Rooclooster.

Rond 1600 bestond de hoeve uit drie afzonderlijke gebouwen opgesteld in U-vorm. In 1760 bleek ze uitgegroeid tot een volwaardige vierkanthoeve in vakwerk en met pannen gedekt. Een gebouwtje, wellicht het bakhuis, stond afgezonderd. De hoeve beschikte over een vijver.

Vroeienberg 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Vroeienberg in 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster. [5]

Pieter-Jozef Stroobant pachtte de hoeve in 1784 met ruim 55 bunder land, bos en weide. De jaarlijkse pachtprijs bedroeg 540 gulden plus allerlei leveringen en karwijen met een bijna even grote tegenwaarde. De gronden strekten zich uit onder Bertem en Leefdaal, en voor een minder belangrijk gedeelte, onder Meerbeek en Korbeek-Dijle. Het bosareaal was ongeveer zes bunder groot.

Om de Franse militaire contributie van 25.000 Franse ponden[6] te voldoen diende de priorij ijlings, ongeveer dertig procent onder de werkelijke waarde, een twaalftal percelen, ruim acht bunder, onder Bertem en Leefdaal te verkopen.[7]

Sint-Verone in 1759. Deel dat behoorde bij het hertogdom Aarschot  Het westen ligt bovenaan. Van oost naar west (op de kaart van onder naar boven) achtereenvolgens: de molen (“moulin”), drie gebouwen, het hof van Rooclooster (vierkantshoeve met afzonderlijk bakhuis en vijver), een belangrijk gebouw en de hoeve van Sint-Verone. De originele kaart is gekleurd wat toelaat de bouwmaterialen van de constructies te identificeren.

Sint-Verone in 1759. Deel dat behoorde bij het hertogdom Aarschot. Het westen ligt bovenaan. Van oost naar west (op de kaart van onder naar boven) achtereenvolgens: de molen (‘moulin’), drie gebouwen, het hof van Rooclooster (vierkantshoeve met afzonderlijk bakhuis en vijver), een belangrijk gebouw en de hoeve van Sint-Verone. De originele kaart is gekleurd wat toelaat de bouwmaterialen van de constructies te identificeren.[8]

De aftakeling

Na de definitieve opheffing in 1794 kwamen de goederen van de priorij in Bertem en Leefdaal in dertien zittingen onder de hamer. Het geheel bracht 38.387 frank op.

De bossen, ruim zes bunder, die in 1798 als eerste te gelde zijn gemaakt, haalden een prijs van 2025 frank. De koper was een Parijzenaar die klaarblijkelijk erg goed op de hoogte was van de lage prijzen die golden bij de massale verkopen van kerkelijke goederen.

De landbouwgrond, ruim 28 bunder, verdeeld over veertien percelen leverde ongeveer 27.000 frank op. Gemiddeld was dat zowat 950 frank per bunder. Tegenover de periode 1786 tot 1793 lag deze prijs bijna de helft lager.[9] Het aanbod van kerkelijke goederen, zelfs gespreid over verschillende jaren, bleef immens groot, terwijl het aantal kopers om ideologische en ook om financiële redenen beperkt bleef. Een ideale toestand voor rijke speculanten die de kans zagen enorme winsten te maken. De landbouwgrond van het vroegere Rooclooster in Bertem en Leefdaal kwam vooral in handen van burgerij uit Leuven, Brussel, Parijs en Tienen, in die volgorde van belangrijkheid. Een van de kopers was Jacques Marischal uit Brussel die ook de Sint-Medardushoeve in Bertem verwierf en ze vlug opnieuw met winst verkocht.[10]

Een paar plaatselijke medewerkers van de Fransen namen deel aan het feest: Jean-François Vander Elst, maire van Leefdaal van 1800 tot 1805, en Guillaume Vandertaelen, ‘officier de santé’ uit Tervuren. Louis Van Hoof en Henri Vrebosch, beiden uit Sint-Verone, kochten land dat zij al pachtten.

De meest aantrekkelijke transactie deed Louis-Joseph Landeloos uit Leuven die de hoevegebouwen en de omliggende gronden in 1800 verwierf voor 9.350 fr.: ‘een hoeve met koe- en paardenstal, schuur, en vijftien bunder grond’ (vertaling). Het verkoopsaffiche preciseerde: ‘huis, kamers, kelder, schuur, koe- en paardenstal, bergplaats, bakhuis en andere gebouwen. Opgetrokken in baksteen behalve de schuur en de bergplaats. De grond waarop de gebouwen zijn opgetrokken en een terrein dat in het zuiden paalt aan de Voer beslaan zowat een bunder’ (vrije vertaling).

De familie Landeloos bezat nog in 1910 goederen in Sint-Verone. De hoevegebouwen zijn van de aardbodem verdwenen. Niets is gebleven tenzij wat aantekeningen in stoffige folianten. Wanneer zij zijn afgebroken is onbekend. In de atlas van de buurtwegen uit het midden van de negentiende eeuw komen ze niet meer voor.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Bibliografie

W. Brumagne (2001), De Veronewijk en haar Kruiskapel. Bertem-Leefdaal, Nieuwkerken-Waas: Het Streekboek.

A. Maes (1980), ‘Deux siècles dan la vie de Rouge-Cloître 1780-1980’, Le Folklore Brabançon, juin 1980.

Idem (1983), Sur les traces des chanoines réguliers de Rouge-Cloître, Brussel, 1983: Créadif.

Idem (1987), ‘De priorij van Rood Klooster’, Het Zoniënwoud. Kunst en geschiedenis van oorsprong tot 18de eeuw (Europalia 87 Österreich), Brussel: Royale belge, p. 213-215.

Idem (1992), Rouge-Cloître. Son domaine foncier, ses revenus, ses charges, Brussel: Ed. du Cercle (met de identificatie van alle oorspronkelijke documenten, die niet expliciet in deze tekst zijn vermeld).

J.F. Van der Auwera (1972), Simpele waerheyd. Kroniek van Roklooster (1777 – 1809), uitgegeven door A. Maes, Pittem: Veys.

Noten

[1] ‘Rooclooster’ is de oude naam van de priorij waarvan sprake in deze tekst. Nu schrijft men meestal ‘Rood klooster’. ‘Rood’ zou volgens de legende verwijzen naar de rode kleur van de primitieve gebouwen. Veel waarschijnlijker verwijst: ‘Rood’, ‘Rode’ of ‘Roo’ naar een ontboste, gerooide plek in het bos. In het Brabantse dialect als ‘rooi’ uitgesproken. De oude benaming ‘Rooclooster’ is consequent gebruikt. ‘Vroeienberg’ is de oorspronkelijke naam van de huidige Veronewijk. De naamverschuiving is uitgelegd in Brumagne (2001), p. 14. De naam ‘Vroeienberg’ is gebruikt tot hij volledig verdween uit de onderliggende documenten.

[2] Maes (1987), p. 217.

[3] Het Franse pond tournois was 0,5444 gulden Brabants waard. Enig inzicht in de huidige waarde geeft het toenmalige dagloon van een volwassen mannelijke arbeider: een halve gulden per dag.

[4] De omzetting van ‘bunder’ in moderne landmaten is onmogelijk zonder aanvullende inlichtingen over het gebruikte systeem (bijvoorbeeld Brusselse of Leuvense maat). Bovendien is de oppervlakte van de landerijen niet altijd precies aangeduid in de akten. Men mag aanvaarden dat een bunder in Bertem en Leefdaal ietwat groter was dan een hectare.

[5] B. Minnen (1993), Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595 – 1612). Kadasters en gezichten, Brussel: Gemeentekrediet van België, plaat 81, p. 264.

[6] Een Franse frank was 0,4725 gulden Brabants waard . Zie ook noot 3.

[7] Algemeen Rijksarchief, Kerkelijk archief Brabant, nummer 16.264. Zie ook noot 9.

[8] E. Van Ermen ed. (1998), De wandkaarten van het hertogdom Aarschot 1759-1775, opgesteld in opdracht van de hertog van Arenberg, Brussel: Algemeen Rijksarchief, deel Heverlee 2 (partim). Zie ook Brumagne (2001), p. 27-29.

[9] De vergelijking is gemaakt met de verkopen die 1786 tot 1793 in Leefdaal . Bron: Algemeen Rijksarchief, Heerlijkheden, nummer 1055: akten van willige rechtspraak, 1786-1793.

[10] S. Van Lani (1999), Abdij van ’t Park. Pachthoeven en landbouwdomein, Heverlee: Vrienden van de abdij van ’t Park.

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal

Geplande werken

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal is betrokken bij de belangrijke werken die doorgaan in samenwerking tussen de gemeente Bertem en een private partner. Volgens de folder die het gemeentebestuur verspreidde zal “de private partner een tiental nieuwe appartementen bouwen in, naast en achter het oude gemeentehuis. Dit zal gebeuren met veel respect voor het oude gebouw; alle gevels blijven behouden en het gebouw wordt verbouwd. Voor de bewoners worden ondergrondse parkeerplaatsen voorzien. De bouwwerken beginnen pas na de verhuis van het OCMW naar het sociaal huis (in Bertem) en na de ingebruikname van het gemeenschapshuis (achter het oude rijkswachtgebouw)”. De oude schoollokalen achter het vroegere gemeentehuis verdwijnen.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

Een school

De oorspronkelijke bestemming van de site was een nieuwe gemeenteschool. De oude bij de kerk was volkomen ongeschikt geworden. Het gemeentebestuur, enkele rijke pachters, bleek lange tijd niet bereid hieraan te verhelpen. Het vond het blijkbaar onnodig veel geld te besteden voor het onderwijs van de (arme) kinderen. Zij moesten zo spoedig mogelijk aan het werk om de schamele gezinsinkomens wat op te krikken. Het gemeentebestuur weigerde dan ook pertinent een degelijke school te bouwen, ook als het wettelijk een verplichting werd, met als excuus “geen geld”. De liberalen die in 1857 nationaal aan de macht waren gekomen zagen het anders. Zij mikten op arbeiders met een basisopleiding voor de opkomende industrie.

Dus greep de provinciegouverneur in. Op zijn vraag ondertekende de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 juni 1964 een koninklijk besluit dat de gemeente Leefdaal verplichtte een nieuwe school te bouwen en subsidies beloofde. Het gemeentebestuur reageerde met langzame spoed. Het onteigende op 22 mei 1866 een bouwterrein van 18 are 70 centiare en betaalde hiervoor de som van 1.496 frank. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 30 oktober1866 benoemde de regering de nipt verkozen liberaal Justin Tielemans tot burgemeester. Hij was een grote voorstander van het overheidsonderwijs en heeft zich zeker ingespannen om de bouw van de nieuwe school te bevorderen. Louis Van Arenbergh, de provinciale bouwmeester voor het arrondissement Leuven, werd de architect. De totale kostprijs bedroeg met de meubilering ruim 32.000 frank. Het lijkt nu een peulschil, maar een mannelijke landarbeider verdiende toen ongeveer een frank voor een lange werkdag; vrouwen en kinderen nog veel minder. De bouw was vrijwel afgewerkt in juli 1869.

Het gemeentebestuur kreeg een financiële dobber te verwerken. Al verleende de Staat en de provincie ruime subsidies toch moest de gemeente een lening van 8.000 frank aangaan die hoofdelijk en solidair gewaarborgd was door de burgemeester en de twee schepenen. De belastingen verhoogden. Op 13 oktober 1868 werd beslist zestien opcentiemen op de grond- en personenbelasting te heffen. De belasting bleef jarenlang bestaan en werd later verzwaard.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Gemeentehuis en onderwijzerswoning

Het meest in het oog springende deel van de nieuwe bouw bleken niet de schoollokalen te zijn, maar een gemeentehuis met woongelegenheid voor het schoolhoofd. Het had het statige voorkomen van een rijke-burgerswoning, de droom van elke rechtgeaarde welgestelde. Alles was bedoeld om de uitstraling van de gemeentelijke overheid te beklemtonen met aan de buitenzijde een pronkgevel versierd met zandsteen en een trap met het begin van een bordes. Binnen kwam een mooie statietrap en een grote raadszaal, die vooral diende voor huwelijkensluitingen en andere plechtigheden. Het hoge, symmetrische gebouw maakte grote indruk midden de lage dorpswoningen. Aan de behoeften van de administratie was minder gedacht. Geen zorg; er bestond nauwelijks enige administratie. Verborgen achter het hoge gebouw stonden twee klaslokalen. Rare jongens in Leefdaal? Toch niet. In het ganse land staan vele tientallen dergelijke pronkerige gemeentehuizen annex schoolgebouwen. De regering bevorderde stilzwijgend de bouw.

Het was niet te verwonderen dat het grote gebouw in de loop van de jaren vele nevenfuncties vervulde. De schoolhoofden of in het midden van de vorige eeuw de gemeentesecretaris, bewoonden de westelijke vleugel. Andere lokalen deden lange tijd dienst als dodenhuisje, als medisch kabinet voor de gezondheidsonderzoeken van de schooljeugd en, erg tegen de zin van de schoolinspectie, als leslokaal. Dat bleek nodig omdat het eigenlijke schoolgebouw vlug te klein bleek. Een uitbreiding met twee klaslokalen kwam pas in de late jaren twintig van de vorige eeuw.

Vanaf de tweede wereldoorlog zijn de meeste vertrekken van het hoofdgebouw geleidelijk in gebruik genomen voor gemeentelijke functies. Sinds de fusie van 1976 huisvest het gebouw de diensten van het OCMW van de nieuwe gemeente Bertem. Ondanks verschillende restauraties bevindt vooral het westelijke gedeelte zich in een ellendige staat. Na de samenvoeging van de beide gemeentescholen vonden de muziekmaatschappijen en een paar andere plaatselijke verenigingen een toevlucht in de vroegere schoollokalen.

Epiloog

In het vroegere gemeentehuis en in de schoollokalen heeft zich heel wat dorpsgeschiedenis afgespeeld, blijde gebeurtenissen, zoals huwelijken, en tragische, zoals de mislukte aanslag op de oorlogsburgemeester in 1944. De grote kelders hebben in hetzelfde jaar als voorlopige gevangenis gediend voor Duitse krijgsgevangenen en opgepakte “collaborateurs”. Na de fusie bleven de gebouwen voor vele inwoners symbolen van de vroegere zelfstandigheid van het dorp. Op 12 december 2002 had een informatievergadering plaats over de toekomst van het hele complex. Het schepencollege leek te opteren voor afbraak en nieuwbouw. De meeste toehoorders hadden het er moeilijk mee. De muziekmaatschappijen vreesden voor ruimtegebrek. De huidige oplossing vindt men bij het begin van deze tekst.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Meer informatie: W. Brumagne, “Leefdaal 1867-1868, De gemeente bouwt een school met afhankelijkheden”, De Horen, driemaandelijks ledenblad Koninklijke Heemkundige Kring Sint-Hubertus (Tervuren-Leefdaal), 2004/4, p. 160-167 en 2005/1, p. 31-32.

De Gasthuishoeve in Bertem

Fragment uit de Atlas der Buurtwegen (1841), met centraal de Gasthuishoeve.

Fragment uit de Atlas der Buurtwegen (1841), met centraal de Gasthuishoeve.

Een nieuwe verkaveling in de Sint-Franciscusberg tussen de woningen nrs. 6 en 12 wordt ontsloten door een nieuwe weg die doodlopend is. De gemeenteraad van Bertem nam onlangs het besluit om deze nieuwe straat Gasthuishof te noemen. Op het einde van deze nieuwe straat, waar een pleintje is voorzien om het keren van het autoverkeer mogelijk te maken, stond tot omstreeks 1975 de graanschuur, ook tiendenschuur genoemd, van de Gasthuishoeve. Deze hoeve was immers tot aan de Franse revolutie eigendom van het Groot Gasthuis van Leuven, ook gekend als Sint-Elisabethgasthuis, Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, Sint-Pietersgasthuis en augustinessenklooster.

Het Groot Gasthuis van Leuven was gelegen rechts en links van een Dijle-arm ten zuiden van de kruising met de huidige Brusselsestraat. Links van de huidige kliniek Sint-Pieter langsheen de Brusselsestraat treffen we nog een aantal restanten van het eigenlijke hospitaal, de ziekenhuis-kapel en het kloosterpand. De delen van het kloosterpand ten westen van de Dijle-arm werden afgebroken in de loop van de negentiende en twintigste eeuw om plaats te maken voor nieuwe ziekenhuisgebouwen.

Het gasthuis van Leuven werd gesticht omstreeks 1090-1095, vermoedelijk op een terrein nabij de latere Sint-Jacobskerk. In 1222 verhuisde de instelling naar haar huidige locatie op het ’s Hertogeneiland, het hertogelijk domein binnen de eerste stadsomwalling, waar in 1228 ook het dominicanenklooster werd gesticht. Wellicht waren in 1222 de nieuwe hospitaalgebouwen grotendeels voltooid. Tevens had de bisschop van Luik toestemming gegeven tot het bouwen van een hospitaalkapel, die een eerste maal in 1261 werd vermeld. Het hospitaal werd aanvankelijk bediend door broeders en zusters, vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw enkel door zusters, zonder een vaste kloosterregel. Van de dertiende-eeuwse gebouwen is enkel de zogenaamde Romaanse poort over-gebleven.

Zicht op het bewaard gebleven poortgebouw in de Brusselsestraat, dat toegang geeft tot een gekasseide binnenkoer waarrond de hoeve-gebouwen in L-vorm zijn gelegen

Zicht op het bewaard gebleven poortgebouw in de Brusselsestraat, dat toegang geeft tot een gekasseide binnenkoer waarrond de hoeve-gebouwen in L-vorm zijn gelegen (foto: Chris Wouters)

De huidige kloosterkapel is gebouwd aan het begin van de zestiende eeuw. Men vond er nog muurrestanten van de verdwenen kapel uit de dertiende eeuw. Het hospitaal werd door brand geteisterd in 1363 en kende vervolgens een periode van materieel verval. Nikolaas Hellens (overleden in 1505), ook professor aan de Leuvense universiteit, vatte in 1479 de reorganisatie van het hospitaal aan. De financiën werden gesaneerd en aan het hospitaal werd een gemeenschap verbonden van zusters die de regel van Sint-Augustinus naleefden. Mede dankzij schenkingen werden tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw de gebouwen vernieuwd met onder meer een nieuwe kapel en kloosterpand. Er brak opnieuw brand uit in 1632 en 1718. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd het klooster verbouwd.

De statuten vóór 1480 van het gasthuis van Leuven zijn onvindbaar. Daarom werd een vergelijking gemaakt tussen de statuten van de gasthuizen van Antwerpen, Mechelen en Vilvoorde, respectievelijk in 1233, 1230 en 1251 gegeven. In deze drie hospitalen lag het bestuur in handen van een meester of meesteresse, bijgestaan door een priester en door de beheerders der tijdelijke goederen. Kapittel-, refter- en slaapzaalvoorschriften lijken in alle drie sterk op elkaar. In de slaapzaal en refter mag slechts om zeer ernstige redenen gesproken worden. Aan de kloosterlingen is het verboden om in afzondering een gesprek te
voeren met mannen en om zich zonder toelating in de stad te begeven of buiten het klooster de maaltijd te gebruiken. De zieke moet eerst zijn geweten in orde brengen alvorens hij materiële zorgen kan krijgen. De verzorging van zijn ziel heeft dus voorrang op de lichamelijke verzorging. In Mechelen en Vilvoorde heeft het hospitaal het voorrecht op de goederen van de zieke indien die overlijdt. In Antwerpen ook tenzij de afgestorvene een testament heeft opgemaakt. In Leuven idem tot 1428. Na die datum kon Leuven alleen nog aanspraak maken op de roerende goederen wanneer de afgestorvene kinderen had. Bij kinderloze zieken bleef het recht op het ganse bezit gehandhaafd.

Door zijn lange geschiedenis, het recht op de goederen van de afgestorvene en de vele schenkingen bezat het Groot Gasthuis van Leuven een uitgebreid patrimonium aan onroerende goederen in een wijde omgeving van Leuven. De verdwenen hoeve in Bertem is op een bepaald ogenblik in bezit gekomen van het Groot Gasthuis. De wijze van verwerving door het Groot Gasthuis van de hoeve in Bertem die later de Gasthuishoeve wordt genoemd en de periode waarin dit gebeurde, kan momenteel niet achterhaald worden. Dit vereist bijkomend archiefonderzoek. In ieder geval behoorde het in 1496 reeds tot het patrimonium van het Groot Gasthuis zoals blijkt uit het ‘denombrement’ (bevolkingsstatistiek) uit die tijd en waarbij het vermeld werd met: ‘het winhof van den zieken gasthuys van Loevene’.

In 1660 was Willem Stroobants pachter van het Gasthuishof. In 1774 was het pachthof verhuurd aan Rumoldus Stroobants en aan zijn echtgenote Ludovica Van Hamme voor een termijn van negen jaar, mits een jaarlijkse pachtprijs van 100 gulden en de jaarlijkse levering van 100 halsters tarwe, 100 halsters wintergerst, 100 halsters haver, vier karweien alsook het onderhouden van het pachthof. Bovendien moet de pachter alle cijnsen en erfpachten betalen. De hoeve – op dat ogenblik gekend onder de naam ‘Het Hof te Waeteren’ – bestond toen uit een huis (‘huysinge’), schuren, stallingen, hof, boomgaard, land en weide, samen groot 38 bunderen, 1 dagmaal en 56 roeden, oftewel ongeveer 39 hectaren. Op 24 januari 1793 werd de pacht opnieuw voor de duur van 9 jaar vernieuwd aan dezelfde pachter. De akte werd verleden voor notaris Bisschop te Leuven.

Een gedeelte van de Gasthuishoeve, afgebroken in 1968 (zicht vanaf de Sint-Franciscusberg)

Een gedeelte van de Gasthuishoeve, afgebroken in 1968 (zicht vanaf de Sint-Franciscusberg)
(coll. René Mertens)

Aan het einde van het ancien régime kwam de eigendom en het beheer van het gasthuis en al zijn goederen in handen van het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen van Leuven. De verschillende wetten van het jaar V (1796) tijdens de Franse republiek legden de basis voor de organisatie van de openbare onderstand die tot in 1925 de armenzorg bij ons zou bepalen. Onder de controle van de gemeente, die de centrale spil van de openbare liefdadigheid werd, kwamen twee overheidsorganismen tot stand. Het Bureel van Weldadigheid kreeg als opdracht de armoede te lenigen door het verstrekken van adequate hulp. De Burgerlijke Godshuizen werden belast met alle vormen van institutionele zorgenverlening: vondelingen- en weeshuizen, bejaardentehuizen, hospitalen en kraaminrichtingen en krankzinnigengestichten.

Tijdens de negentiende eeuw werd door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen de hoeve opnieuw voor een duur van negen jaar verpacht, eventueel verlengbaar met een zelfde duur. Op 19 juni 1871 werd het pachthof, met een omvang van 35 ha 5 are 16 ca, verdeeld in 43 stukken, te weten: 37 onder Bertem, een onder Korbeek-Dijle en vijf onder Heverlee, verpacht voor een duur van negen jaar te beginnen op 30 november 1872 om te eindigen op 30 november 1881 aan Ectors Michaël Isidore voor de som van 4500 fr. Op 19 mei 1881 werd bij proces-verbaal de staat der gebouwen en de uit te voeren werken met kostenraming opgemaakt, ter gelegenheid van het vernieuwen van de pacht ondertekend door de afgaande pachter zijnde voornoemde Ectors en de aankomende pachter Joannes Dewals. Het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen kwam tussen voor 690,90 fr. Het aandeel van de (afgaande?) pachter bedroeg 379,29 fr.

Zicht op de zuidgevel van de graanschuur (afgebroken in 1975)

Zicht op de zuidgevel van de graanschuur (afgebroken in 1975)
(coll. Lizette Putseys)

Op 29 november 1899 werd een nieuwe staat van bevinding opgemaakt, met het oog op het overdragen van de pacht van de afgaande pachter (Vanderelst Clara, weduwe van J.B. Dewals) aan de nieuwe huurder zijnde Guillaume Ronsmans. Het ziet er naar uit dat de nieuwe pachter aan het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen moest verzocht hebben om het pachthof te verkopen ook omdat het in verval is en hijzelf opziet om de kosten als huurder te dragen. Op 10 januari 1900 werd door de burgemeester van Bertem een proces-verbaal van commodo et incommodo opgesteld m.b.t. de verkoop van het pachthof dat op dat ogenblik bestaat uit de percelen nrs. 174 b,175, 176 a en 179 a voor een totale oppervlakte van 70 are 47 ca. Op 12 juni 1900 werd de waarde van het pachthof op 6500 fr geschat. In datzelfde jaar werd het pachthof verkocht voor de som van 6500 fr.

Het complex bestond op dat ogenblik uit een gesloten vierkanthoeve met binnenkoer. De toegang was verzekerd vanuit de Sint-Franciscusberg. Het oorspronkelijke woonhuis was ingeplant aan de noordkant van het hoevecomplex. In het oosten van de binnenkoer bevond zich de robuuste schuur met in de zuidgevel een grote inrijpoort – asymmetrisch ingeplant – afgeboord met een rondboog in natuursteen. Een gedenksteen met jaartal waarvan de datum niet meer kan achterhaald worden, herinnerde aan het feit dat de schuur was gebouwd in de achttiende eeuw. Een poort in de noordgevel van de schuur gaf uit op een toegangsweg naar de Tervuursesteenweg. Aan de zuidkant vond men de stallingen die parallel gelegen waren aan de voorliggende Sint-Franciscusberg. In de eerste helft van de twintigste eeuw werden deze stallingen opgedeeld en verbouwd tot enkele kleine woningen. Ook de oorspronkelijke woning werd verkaveld en opgedeeld in drie aparte woningen. De oorspronkelijke stallingen werden afgebroken in 1968 om plaats te maken voor een nieuwe woning. De schuur werd afgebroken omstreeks 1975. Het woonhuis, dat is opgedeeld in drie woningen, is het enige dat nog rest van de eens zo robuuste hoeve.

(Chris Wouters – Erfgoedkamer)

Een crypte in de kerk van Leefdaal. Begraafplaats van de families Helman en Jan van Brouchoven

Sint-Lambertuskerk

Onder het plaveisel van de Sint-Lambertuskerk schuilt een grote verrassing.

De familie Helman

De geschiedenis van Filip Helman, schepen van Antwerpen, is die van alle belangrijke kooplieden uit zijn tijd. Naast politieke ambities hadden zij de zorg een domein te verwerven dat hun familie tegen de hongersnood moest beschermen, en dan liefst een heerlijkheid om hun aanspraak op een adel-titel kracht bij te zetten. In de zeventiende eeuw waarin de vorsten en een aantal oude adellijke families bijna chronisch met geldgebrek worstelden bereikten vele nieuwe rijken hun doel. De vorst schonk hen, vooral om het te betalen patentrecht, een adeltitel.

Filip Helman kocht in 1660 de heerlijkheden Leefdaal en Vossem van Maximiliaan van Merode, markgraaf van Deinze, een paar van de domeinen die het geslacht in de loop van de eeuwen verzamelde. Helman bestemde zijn aanwinsten voor zijn dochters Maria Agnes (Leefdaal) en Anna Francisca (Vossem). Maria Agnes overleed jong. Daardoor kwamen beide dorpen in handen van haar zuster bij haar huwelijk op 20 december 1672 met Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck.

Jan van Brouchoven

Jan van Brouchoven

Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck, in parade-uniform, met pruik. De overlevering wil dat de Franse (zonne)koning Lodewijk XIV aan de basis lag van dit gebruik. De pruik bracht een oplossing voor zijn haarverlies. Alle heren van stand volgden de nieuwe mode.
Schilderij in het bezit van de familie de Bergeyck. Kopieën zijn te vinden op het departement van de Belgische eerste minister en op het kasteel van Leefdaal.

Jan van Brouchoven werd op 9 oktober 1644 in Antwerpen geboren uit een verhouding, later gereguleerd door een geheim huwelijk, van zijn vader Jan Baptist (1619-1681) met Helena Fourment, de weduwe van Pieter Paul Rubens. Jan Baptist stamde uit een Noord-Brabantse familie, die sinds de veertiende eeuw schepenen van ’s Hertogenbosch leverde. Zijn vader werd in 1620 verheven in de adel en verlengde zijn naam tot van Brouchoven van Bergeyck. Toen zijn stad in 1629 in de handen viel van de protestanten vluchtte hij naar het katholieke zuiden. Zijn zoon Jan Baptist zette de familietraditie verder als schepen van Antwerpen. Hij werkte zich verder op tot lid van belangrijke raden in de Spaanse Nederlanden en in Madrid.

Zijn zoon Jan (1644-1725) trad niet alleen in de voetsporen van zijn vader, maar overtrof hem. (De graaf van) Bergeyck zoals hij meestal werd genoemd was thesaurier-generaal -zeg maar minister- van Financiën (1668-1688) en algemeen surintendant van Financiën en minister van Oorlog (1701-1711). Hij was gedurende vele jaren de feitelijke stadhouder van onze (Spaanse) koning in de Zuidelijke Nederlanden, bekleed met heel veel rechten. Na zijn ontslag bleef hij een gevierde diplomaat. Hij wordt beschouwd als een van de allergrootste figuren uit de geschiedenis van onze landen.

Jan huwde op 20 december 1672 met Anna Francisca Helman, die barones van Leefdaal werd. Het echtpaar kreeg vier kinderen Filip-Jozef, Maria Agnes en Francisca, die jong stierven en Catharina-Ferdinanda, die later barones van Leefdaal zal worden. Anna Francisca Helman stierf op 23 maart 1682. Drie jaar later, op 3 mei 1685, hertrouwde Bergeyck met de rijke Maria Livina de Beer, geboren op 11 december 1656, weduwe van Geraard van Vlisteren, baron van Laarne. Samen kregen zij nog zes kinderen, waarbij Nikolaas, die later de baronie van Leefdaal ten geschenke kreeg van zijn ongehuwde halfzuster Catharina Ferdinanda.

De begraafplaats

Als begraafplaats van de families Helman en van Brouchoven werd een crypte gebouwd onder het hoogkoor van de Sint-Lambertuskerk van Leefdaal. Boven de grafkelder lag een grote witmarmeren steen met de inscriptie ‘Monumentum baronum de Leefdael’. Hij lag er nog in 1855, maar verdween bij een vernieuwing van de koorvloer. De crypte bestaat ongetwijfeld nog.

Wie werd er begraven? Jan van Brouchoven, de beroemde staatsman; zijn twee echtgenoten; zijn kinderen met Anna Francisca Helman, inbegrepen Catharina Ferdinanda, zijn schoonvader Filip Helman en diens broer Ferdinand; zijn schoondochter Maria Carolina de Vischer, echtgenote van zijn zoon Nikolaas en hun dochter Catharina. Mocht ooit het plaveisel van het koor worden verwijderd dan zal men voor verrassingen staan.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Een beschrijving van Korbeek-Dijle uit 1875

In februari 1875 schreef Adolf Everaerts een kort artikel over Korbeek-Dijle, dat werd gepubliceerd in het Vlaamsch museum voor letterkunde, oudheid, geschiedenis, kunsten en wetenschappen. Van dit tijdschrift verscheen maar een jaargang, die slechts in enkele bibliotheken wordt bewaard. Daarom nemen we het artikel van Everaerts hier graag integraal over. De inhoud ervan blijft na 140 jaar nog altijd waardevol, omdat het om een uitgebreide beschrijving gaat van de kerk die in 1858 afbrandde.

St. Bartholomeus tot Corbeek-Dijle. - Afgebrand in 1858.

St. Bartholomeus tot Corbeek-Dijle. – Afgebrand in 1858.

Corbeek-Dijle

Wanneer men langs de Tervuursche, eertijds de oude-Brusselsche poort, Loven uitgaat, ziet men, op 500 meters afstand, de prachtige kerk van het klooster van Terbank, opgericht in 1197, vernield in 1796, en geheel herbouwd in 1872; men slaat links af, volgt den steenweg door Eegenhoven, waar de kapel van de H. Renaldina, gebouwd in 1781, en het nieuw lusthuis der Paters Jesuiten staan, en, vruchtbare landen doorsnijdende, komt men aan Corbeek-Dijle, 7 kilometers van de stad gelegen. Indien men door door dezelfde wegen niet zoekt terug te komen, trekt men nevens de kerk af, en men bevindt zich in de groote vetweiden, welke het dal van de Dijle uitmaken, en u leiden tot aan het kasteel van den hertog van Arenberg; en eindelijk, langs de schoone dreef, tot aan de Naamsche-poort. De verschillende uitzichten, de ontelbare kudden vee, de aangename geur der bloemen en de koelte, door de Dijle veroorzaakt, maken, dat deze zomerwandeling eene der bevalligste van onze omstreken is.

Corbeek-Dijle, Corbeek-over-Dijle, Corbeka ultra-Dyliam, ontleend van korte en beek, (er bestaat inderdaad eene beek, die na eenen korten waterloop zich in de Dijle verliest), waar men het woord Dijle bijvoegt om het van Corbeek-Loo te onderscheiden, is een schoon dorp van eene uitgestrektheid van 412 hektaren en eene bevolking van 800 zielen, van vruchtbare landen omringd en tegen de noordewinden door eenige gebergten beschermd.

De heerlijkheid Corbeek behoorde, in 1308, aan Jan van Waver, en werd vervolgens overgedragen aan Van Calstre, aan Pinnoc, aan Keersmakeers; in 1510 aan van den Tympel; in 1562 aan Jan Miles; in 1567 aan Olivier van de Tympel, Kalvinisten stadsvoogd van Brussel, van 1579 tot 1586; in 1596 aan Maximiliaan Scheijfe; in 1644 aan Carolus Streignart, heer van Huldenberg; opgericht in Baronij den 17 Augusti 1661, ten voordeele van Henricus Donglebert; in 1687, met de heerlijkheden van Steenberge en Valbeek door het edel geslacht Jacobs van Brussel aangekocht; en eindelijk aan de Crabeels en Goubau door vermaagschappingen vereenigd.

De kerk, die ongetwijfeld van de XIIe eeuw dagteekende, was eene kostbare verbeelding van de Romaansche bouwkunst. Zij was zeer onregelmatig ingericht en bestond uit een koor, eenen middelbeuk, eenen rechterzijbeuk, en, links, eene kapel, die de H. Maagd toegewijd was, en waar zich de eenige venster van die zijde in bevond; de rechterzijde had maar zeer kleine vensters. De lage en vierkantige toren, was, zoo als de kerk, in plaatselijken witten steen gebouwd; de deur bevond zich niet in het midden van den voorgevel om aan eene zijde plaats te hebben voor de doopvont te zetten. Het koor, dat alleen gewelfd was, en het hoogaltaar bevonden zich onder den toren om hunne richting naar het oosten te hebben. Achter het hoogaltaar zag men, ter linkerzijde, de puinen van eenen Gotisch-steenen-toren, die eertijds een prachtig tabernakel vormde. De laatste herstelling had plaats in 1739.

De kerk, den H. Bartholomeüs toegewijd, was eene bijkerk van Berthem, en is, door besluit van 11 juli 1842, tot hulpkerk verheven. Haar bijgevoegde bescherm-heilige, de H. Stephanus, bezonderlijk aanroepen tegen de veeziekten, had, aan het hoofd van den zijdebeuk, een uitmuntend altaar met een kostelijk beeldhouwwerk (retable), gevormd uit vijf kapelletjes in den Gotischen smaak van de XIVe eeuw gesneden en de aanhouding, de veroordeling, de steeniging, den dood, en de begrafenis van den martelaer voorstellende. Het beeld, dat het bekroont, is niet zoo oud en draagt tot opschrift het jaar 1629.

De Fransche Republiek beroofde de kerk van drie zware klokken; ook in den nacht, tusschen den 15n en 16n Januari 1849, werden er bij inbraak, eene zilveren remonstrantie, twee kelken, eene ciborie, eene antieke relikwiekas van den H. Stephanus, eene hostiedoos, eene relikwiekas van den H. Elisius, gestolen, en de H. Hostiën door de kerk verstrooid. De dieven, die de kerk een verlies van een kunstrijk belang toebrachten, bleven onbekend, alhoewel de relikwiekassen in eene gracht, boven Diest, weergevonden werden.

In September 1858, wierd de kerk bij toeval afgebrand; het altaarblad (retable) werd gered, maar vele andere zaken werden vernield; onder andere, de aloude grafsteen van Van der Eyken, onlangs tegen den muur opgericht, en geheel verbrijzeld gevonden.

Geen afbeeldsel van deze kerk vindende, heb ik, met de goedwillige hulp van den heer Cassaer, gewezen onderwijzer te Corbeek-Dijle, heden tot Stein-Ockerzeel, dezelve door aandenken geteekend.

De nieuwe kerk is in 1860 gebouwd.

Adolf Everaerts.

Loven, Februari 1875.

Brandbestrijding in Bertem tijdens de negentiende eeuw

Le Cataclysme à Louvain le 14 mai 1906 - Berthem

Tijdens de overstroming van 1906 werden verschillende boerderijen getroffen.
Soms hadden deze nog strooien daken, zoals deze postkaart toont.

Ook Bertem bleef in de negentiende eeuw niet gespaard van woningbranden. Brandgevaar bleek toen een groot probleem te zijn. In 1857 brandden te Bertem vier bij elkaar gelegen huizen af. Het waren de woningen van Petrus Volkaerts, Elisabeth Volkaerts, Antonius Verbiest en Petrus Vrebos. Drie van de vier woningen waren verzekerd tegen brand. De gemeente schonk een bedrag van 1200 frank aan de slachtoffers om opnieuw hun woningen op te bouwen.

Op 29 september 1859 nam de gemeenteraad een besluit zodat voortaan een bedekking in stro, biezen of planken verboden werd. Alleen de alleenstaande gebouwen die meer dan 40 meter verwijderd stonden van de andere mochten nog een bedekking in stro hebben. Op 30 juni 1860 volgde een gelijkaardig besluit maar dit maal met betrekking tot de schouwpijpen. Binnen de vier maanden moesten de schouwpijpen uit leem of hout verwijderd worden. Voortaan moesten de schouwpijpen uit steen of kareel bestaan.

In dezelfde periode liet de gemeente ook plannen maken voor de bewaring van de brandspuit. Het gebouw zou tevens dienstig zijn als lijkhuis en politiebureel. De gemeenteraad besluit in zitting van 24 juli 1860 voor dit doel de aankoop goed te keuren van het perceel sectie C, nr. 432, groot 2 are 28 ca in het centrum van de gemeente aan het kruispunt van de huidige Fr. Dottermansstraat met de Dorpstraat langsheen de Voer. Het perceel was eigendom van de weduwe Henri Vanderseypen. De koop werd gesloten voor de prijs van 228 frank. De akte werd verleden door notaris Dupon te Leuven op 13 november 1859.

Het geplande gebouw werd evenwel nooit gebouwd. In zelfde periode werd immers een besluit door de gemeenteraad genomen nl. op 12 november 1863 om een nieuw gemeentehuis met school te bouwen aan de “nieuwe steenweg” Tervuursesteenweg. Men besluit om de voornoemde functies in dit gemeentehuis onder te brengen.

Op 17 oktober 1871 besluit de gemeente een nieuwe kerk te bouwen omdat de bestaande Romaanse Sint-Pieterskerk te klein was geworden. Ook met de bouw van een nieuwe kerk aan de steenweg die zou worden ingeplant aan de overkant van het nieuwe gemeentehuis, bleef het bij plannen. Zo werd de monumentale Romaanse kerk Sint-Pieter gespaard van de sloophamer.

Op de plaats waar ooit plannen werden gemaakt om een nieuw gebouw voor lijkhuis, politiebureel en loods voor brandspuit op te richten, vinden we nu een telefooncel alsook een oude elektriciteitscentrale.

De bouw van een lijkhuis werd doorgevoerd ter gelegenheid van de vergroting van het kerkhof aan de Sint-Pieterskerk. Het was wachten tot 1910 alvorens met de bouw van het lijkhuis of dodenhuisje werd gestart en dit onder leiding van architect Joseph Loos uit Leuven.

Dit artikel is eerder verschenen als Chris Wouters, ‘Brandbestrijding in Bertem tijdens de 19de eeuw’, M. Ceunen en P. Veldeman red., Tegen brand gewapend. Twee eeuwen brandweer en brandbestrijding in Leuven (1807-2007), Leuven: Uitgeverij Peeters, 2007, 133.

Onuitgegeven bronnen

  • Bertem, Gemeentearchief, Notulen gemeenteraad.
  • Bertem, Gemeentearchief, Project de bâtiment devant servir pour morgue, salle de police et dépot de pompe à incendie à constuire sur le terrain communal à l’angle de la Voer et du chemin…, 4 december 1859.

Werken

  • Henri Vannoppen, De geschiedenis van Bertem, de parel van de Voervallei, Bertem: Uitgave Jos Erven, 1978.

(Chris Wouters – Erfgoedkamer)