De oprichting van de Chiro in Bertem

chiro.jpg

Zeventig jaar geleden werd de Bertemse Chiro-afdeling opgericht. Een van de eerste leden was Cecilia Francine Putseys (Bertem, 1926). Ria Verjauw, haar oudste dochter, tekende in oktober 2015 haar herinneringen aan de jeugdbeweging op. Wij publiceren deze maar al te graag, aangevuld met enkele eindnoten:

Ik was 18 jaar in 1944 en was lid van de BJB in Bertem, de Boerinnen Jeugd Bond (in 1965 werd dit KLJ, Katholieke Landelijke Jeugd). Martha Verboomen was toen leidster van de BJB. Maar toen ze 21 jaar was, ging ze trouwen. Hierdoor moest een nieuwe leidster gezocht worden. De toenmalige pastoor Van Gestel [1] vroeg mij om tot bij hem te komen. Hij vroeg me om leidster te worden bij de BJB. Een voorwaarde om leidster te worden was dat de vader bij de Boerenbond moest aangesloten zijn. Hierdoor kwam alleen ik als mogelijke kandidaat in aanmerking.

Elke maand moesten wij met de groep meisjes naar het lof gaan in de kerk en daar zingen. Er werd veel plezier gemaakt onder de meisjes, ook tijdens het lof.

De BJB bestond alleen uit meisjes. Voor de jongens was er het Davidsfonds. Tijdens de vakanties was Louis Putseys (mijn broer die voor priester studeerde) één van de leiders en Jules Ronsmans van Sint-Verona ook. Een van de activiteiten van het Davidsfonds toen was toneel spelen. Met houten bakken werd een podium gemaakt, op de bakken lagen houten schragen. Dat zorgde soms voor grappige toestanden als er schraag niet goed vast lag.

Na de oorlog van 40-45 kwam de Chiro fel op en werd heel populair. Alle meisjes van de Bertemse BJB sloten zich aan bij de Chiro. Dat was in 1946. Onderpastoor Claes (afkomstig van Mol) [2] was de oprichter van de Chiro in Bertem. Hij zette zich in voor de Bertemse jeugd.

In 1946 werd ik vaandelleidster bij de Chiro. Ik had de leiding over een vaandel, zo werd een groep genoemd. Dit heb ik twee jaar gedaan tot ik een lief tegenkwam, mijn toekomstige echtgenoot Jean Verjauw. Toen had ik geen zin meer om mij met de Chiro nog bezig te houden.

Marieke (de nicht van Denise Mees) die woonde op de Egenhovenstraat in het oud kostershuis heeft ook een rol gespeeld bij de oprichting van de Chiro in Bertem.

Tijdens de oorlog had Marieke samen met haar broer en zus in een concentratiekamp in Duitsland gezeten. Zij behoorden tot de ‘Witten’ en werden verraden door de ‘Zwarten’ van de Oude Baan, waarna ze werden opgepakt door de Duitsers en werden weggevoerd. De oudste zus van Marieke heeft in het concentratiekamp een belofte gedaan. Als ze levend zou terugkeren, dan zou ze in het klooster intreden. Dat is ook gebeurd. Marieke, haar broer en zus hebben het concentratiekamp overleefd en zijn op het einde van de oorlog bevrijd en teruggekeerd.

Onderpastoor Claes heeft ook in het concentratiekamp gezeten. [3] Ook hij is bevrijd en terug gekomen op het einde van de oorlog. Hij was ook ‘ne Witte’, er werd gezegd dat hij berichten smokkelde naar Brussel. Ook hij werd verraden en opgepakt door de Duitsers.

Na de oorlog vroeg onderpastoor Claes aan Marieke om leidster te worden bij de Chiro, ze was akkoord.

In 1946 waren er nog geen Chiro-uniformen. Ik maakte zelf mijn uniform: een zwarte rok, een witte bloes en een gele das. De mutsen werden gemaakt door Julia Laurent (volksnaam: Boem). Ze woonde in de Dorpstraat, op de plaats waar de Paardenstraat op uitkomt. Daar stond een boerderij. Maar die boerderij werd gebombardeerd tijdens de oorlog en was totaal vernield.

In de nasleep van de oorlog was er armoede onder de mensen en dus geen geld om op kamp te gaan met de Chiro. Maar we amuseerden ons toch, vooral door kwajongensstreken uit te halen, zoals ‘belletjetrek’.

We hadden ook wachtwoorden, bijvoorbeeld: hoger – op / klein – dapper.

De onderpastoor was veel aanwezig tijdens de activiteiten, ook om meisjes terecht te wijzen als ze iets mispeuterd hadden. Ook gingen we dikwijls in het bos spelen.

006-1965-chiromeisjes-bertem

Bertemse Chiromeisjes voor het Patronaat, een foto uit 1965 (foto Jef Vanderwegen)

Ons eerste Chirolokaal was in de meisjesschool. [4] Dit was alleen voor de meisjes. De jongens hadden hun lokaal in het Patronaat. [5] Het Patronaat was toen kleiner dan nu, het was maar de helft van het gebouw. Het gebouw was van de kerkfabriek. Later werd een stuk bijgebouwd tot de huidige grootte.

Bij de Chiro mochten ook kleintjes aansluiten vanaf zes jaar. Dat was anders als bij de BJB.

In Korbeek-Dijle werd ook een Chiro gesticht in die tijd. We hadden contact met die groep en verzusterden. Soms werd er gefietst naar het Zoet Water. Ik had een fiets, die kwam van Essene tegen Aalst. Die fiets had de ganse oorlog onder het stro gestoken, want de Duitsers sloegen alle fietsen aan. Mijn broer Louis was zeven jaar onderpastoor in Essene en schonk die fiets aan mij, zijn jongste zus. [6]

Als we naar het Zoet Water fietsten met de Chiro dan maakten we afspraken, want niet iedereen had een fiets. Wie geen fiets had mocht eerder vertrekken te voet. Halfweg hielden zij halt en de fietsers gaven dan hun fiets aan de meisjes te voet. Zo losten we mekaar af.

De grond voor het Chirokapelletje op de hoek van de Groenendaal en de Dorpstraat werd geschonken door de familie Van Hamme. De Burchtgravin Maria is de patrones van Chiro. Zij werd in het kapelletje gezet. Het was de plaats van gebed en de opening van de activiteiten elke zondag.

Ik denk dat het kapelletje 65 jaar geleden gebouwd werd. Toen de Witte Wijk er kwam moest het kapelletje afgebroken worden. [7] De gronden van de familie Van Hamme werden verkaveld. Het kapelletje had er moeten blijven staan, vind ik.

chiro.jpg

Noten
[1] Jozef Maria Willem Van Gestel (Turnhout, 1878 – Wijnegem, 1956) was pastoor van Bertem van 1928 tot 1946.
[2] Alfons August Claes was onderpastoor in Bertem van 1938 tot 1948.
[3] Onderpastoor Claes was van september 1939 tot mei 1940 priester-brancardier in het Belgisch leger. Van 6 april 1944 tot mei 1945 verbleef hij als politiek gevangene in de Duitse concentratiekampen van Breendonk, Buchenwald en Dachau.
[4] De ‘meisjesschool’ was de vrije school van de Zusters van Liefde in de Egenhovenstraat, die nu ‘De Waaier’ heet.
[5] Parochiezaal ‘Ons Huis’ in de Vossenstraat.
[6] Louis Putseys (Bertem, 1917 – Kalfort, 1987) was tot 1951 onderpastoor te Essene, tot hij in Puurs werd aangesteld.
[7] In de tweede helft van de jaren zestig werd de wijk ‘Varenberg’ (de Witte Wijk) door de N.V. Expansie gebouwd.

Advertenties

De ‘ontdekking’ van het Sint-Stefanusretabel (1847)

In de Messager de Gand van 4 november 1847 lazen we een artikel over het Sint-Stefanusretabel uit de Sint-Bartholomeuskerk van Korbeek-Dijle:

M. Mathieu, directeur de l’Académie des beaux-arts de Louvain, vient de découvrir dans l’église de Corbeek-Dyle un monument de la plus haute importance pour l’histoire de l’art belge. C’est un retable composé de six panneaux qui, en se fermant, couvrent différentes niches contenant des sculptures en bois doré. Les sujets des douze tableaux (car les panneaux sont peints des deux côtés), ainsi que ceux des sculptures, représentent la légende de Saint-Etienne.

Ces différentes peintures datent de la fin du quatorzième siècle. Elles sont peintes en détrempe, et le dessin en est d’une si merveilleuse beauté que, pour trouver des figures d’évêques, aussi belles que celles qui y sont représentées, il faudrait sans exagération aucune, remonter jusqu’à la Dispute du Saint Sacrement, de Raphaël. M. Mathieu a pris le calque de plusieurs groupes; il se propose de l’envoyer incessamment au gouvernement avec un rapport complet sur la valeur artistique et historique de cette inappréciable découverte.

Het Sint-Stefanusretabel is jonger dan Lambert Mathieu dacht. Het werd in 1522 vervaardigd. Aan de woorden van bewondering durven we wel niet te twijfelen! Gelukkig bleef het kunstwerk bewaard, toen in 1858 de oude kerk van Korbeek-Dijle afbrandde.

retabel.png Disputa_del_Sacramento_(Rafael).jpg
Het Sint-Stefanusretabel uit Korbeek-Dijle, naast het Dispuut over het Heilige Sacrament van Rafaël. Volgens Lambert Mathieu zijn de twee kunstwerken vergelijkbaar in schoonheid.

Het levensverhaal van Jeanne Verbiest (1912-2015)

01 XXX.jpg

Jeanne Verbiest

Op 22 april 2015 overleed Jeanne Verbiest. Ze werd maar liefst 103 jaar oud. Rudi Ronsmans schreef daarom het levensverhaal van zijn grootmoeder neer.

Jeanne Verbiest werd geboren op 23 februari 1912. Enkele weken later verging het prestigieuze schip ‘the Titanic’.

Ook het leven van Jeanne zou niet van rampen gespaard blijven.

In Jeannes jeugdjaren waren er overal nog gezellige kermissen met spiegeltenten en dorpscafés. Jef, haar man, speelde bij de fanfare ‘De Vrijheidszonen’ een aardig stukje saxofoon. Tijdens zo’n kermisoptreden in café ‘De Floes’ hoorde Jeanne de lokroep van Jefs instrument. Zoals in alle sprookjes kwam van het ene het andere. Ze lieten er geen gras over groeien en stapten, ondanks hun jonge leeftijd, in het huwelijksbootje en kochten een dochter Simonne. Terwijl Jef vroeger zorgde voor het dagelijkse brood had Jeanne de handen vol met het huishouden en hun opgroeiende dochter. Jeanne ging ook buitenshuis werken als poetsvrouw in Brussel. Ze kweekte ook veel groenten in hun tuin. (Zelfs toen Jef een hersenbloeding kreeg en rolstoelpatiënt werd, zijn ze samen vreugde en leed blijven delen.)

Simonne, hun dochter, werd groot en vond Jos, de liefde van haar leven. Ze trouwden en gaven een huwelijksfeest met verkleedpartij, met muziek, dans en drank tot in de vroege uurtjes. Hun huwelijk werd gezegend met twee jongens, Marc en Rudi, die hun bompa graag tot zijn kookpunt dreven. Ambiance verzekerd. Met hun kleinkinderen hebben Jeanne en Jef veel tijd aan zee doorgebracht. In de weekends maakten ze met hen uitstapjes naar Scherpenheuvel, Namen en Durbuy en smulden van lekkere taarten van ‘Louis en Jeanne den bekker’ voor de picknick onderweg. Dit was een onvergetelijke tijd.

Marc en Rudi werden groot en vonden elk hun geluk. Marc gaf Jeanne en Jef een achterkleinzoontje, Andy. Wat waren ze blij en trots met zo’n achterkleinkind. De jaren gingen voorbij en altijd en nog steeds bleef Jeanne bezorgd om Andy en dat hij het goed had en gelukkig was met Steven.

Rudi en Viviane trouwden en gingen rond Mechelen wonen. Ze kwamen geregeld in Bertem langs, om gezellig bij te praten en samen te zijn met de familie.

Het grootste plezier van Jeanne was grote hoeveelheden zelfgemaakt stoofvlees, zelfgemaakte spaghettisaus, zelfgemaakte groenten en dit in plastieken doosjes mee te geven aan haar jonge volkje en dit tot op haar oude dag.

De leuze van Jeanne en Jef was: voor hun kinderen, klein- en achter-kleinkinderen het beste, voor hen was het minste goed genoeg.

0015-xxx

Jeanne Verbiest en Jef Loockx

Donkere wolken doorkruisten hun leven. Het afscheid van haar dochter Simonne zou nooit verwerkt worden.

Het grootste deel van hun leven hebben Jeanne en Jef aan de Tervuursesteenweg rechtover het gemeentehuis gewoond.

In 2004 zijn Jeanne en Jef na enkele omzwervingen tussen het ziekenhuis en het rusthuis Vogelzang in het Woon- en Zorgcentrum Sint-Bernardus in Bertem ingetrokken.

In 2005 hebben ze daar hun 75ste huwelijksjubileum gevierd. Dit was een dag uit duizend dromen. Helaas, datzelfde jaar is Jef overleden. Ondanks alles hebben ze zorg gehad voor elkaar, ieder op hun eigen manier. Dat hebben ze in hun huwelijksleven wel geleerd van elkaar, om voor elkaar te zorgen.

Alsof alles nog niet genoeg was geweest, moest het oude moedertje enkele maanden later nog eens afscheid nemen van haar geliefde schoonzoon, Jos, de rots in de branding.

Jeanne zou nooit meer dezelfde zijn …

Toch probeerde ze nog te genieten van de bezoekjes van Marc en Eddy, Rudi en Viviane en Andy en Steven, en af en toe eens van een elixirke, dat mocht van de dokteres. Zo had Jeanne het toch nog op Kuipersveld jaren naar haar zin.

22-xxx

Jeanne Verbiest en haar familie, op haar honderdste verjaardag

Jaren gingen en jaren kwamen en op het einde scheen ze in haar lot te berusten.

Op 22 april 2015 is Jeanne van ons heengegaan.

Wat de Titanic betreft: roestpegels zijn een natuurlijke versie van het recyclagesysteem. Met andere woorden: de natuur breekt zelf langzaam de Titanic af om het schip te laten oplossen in de omgeving. De levensduur wordt nog geschat tussen de twintig en vijftig jaar.

(Rudi Ronsmans)

Jul, het paard van de Vier Heemskinderen

IVHK_paard.jpgAan het begin van de jaren zeventig bruiste het dorpsleven in Bertem. Er werden veel activiteiten georganiseerd, waaronder allerlei optochten. Naar Amerikaans model kregen de fanfares majorettes en trommelkorpsen.

Ook de fanfare van de Vier Heemskinderen richtte op 1 april 1971 een trommelkorps voor meisjes op en bouwde rond die tijd een reuzenpaard. Het paard was een kopie van het Dendermondse Ros Beiaard.

De kop en de schilderwerken waren van de hand van Gaston Van De Molen, meesterschilder. Het geraamte werd gebouwd in de werkplaats ‘Van Eycken’ te Bertem, onder toezicht van meestersmid Julien Van Eycken.

IVHK_4Heemskinderen.jpgVictor Bertels, toenmalig schatbewaarder van de Vier Heemskinderen, was destijds postmeester in Overijse. Hij zorgde ervoor dat het Bertemse Ros Beiaard kon deelnomen aan de druivenstoet in augustus 1971 en gaf zo een extra impuls aan bovenvermelde activiteiten.

Het paard werd plechtig met champagne gedoopt, toespraak van toenmalig burgemeester en voorzitter van de fanfare, met serenade incluis. Julien Van Eycken werd peter waardoor ‘Jul’ de naam werd van het paard.

De eerste maal was het paard te zien in de stoet van de voetbalkampioenen in Bertem op 27 juni 1971. Verder was Jul te bewonderen:

  • Op 29 augustus 1971 in de druivenstoet te Overijse
  • Hetzelfde jaar in de stoet van de jaartallen ter gelegenheid van Leuven-kermis
  • Op 27 augustus 1972 in de druivenstoet te Overijse

IVHK_tractor.jpgTien jaar later waren deze activiteiten langzaam uitgedoofd als gevolg van de hoge kosten. Jul verdween in een stofferige en donkere hoek van de schuur die toebehoort aan Dominiek Grauwels, op de Egenhovenstraat te Bertem.

Onder impuls van Paul Van Bruystegem en met medewerking van de Erfgoedkamer en de fanfare van de Vier Heemskinderen is het paard op de Erfgoeddag van 25 april 2010 op 39-jarige leeftijd terug herrezen in zijn oorspronkelijke vorm en kan het hopelijk als erfgoed worden bewaard.

Technische gegevens:
Naam: ‘Jul’
Peter: Julien Van Eycken
Bouwjaar: 1971

Hoogte: 3,21 meter
Breedte: 1,3 meter
Lengte romp: 3,5 meter
Totale lengte: 4,5 meter
Schofthoogte: 2 meter

(Paul Van Bruystegem – Erfgoedkamer)

IMG_5156.JPG

‘Jul’ in april 2010, tijdens Erfgoeddag. Naast hem staat ‘Wannes’, de reus van Koninklijke Fanfare De Vrijheidszonen.

Het Hof van Rooclooster in Vroeienberg

De hoeve van Rood Klooster in Sint-Verone[1]

De priorij van Rooclooster

Rooclooster ligt in Oudergem midden een sliert vijvers in de hoek gevormd door de Waversesteenweg en de Tervuursesteenweg. In het midden van de veertiende eeuw woonde hier een kluizenaar die weldra het gezelschap kreeg van gelijkgezinden. Hertogin Johanna van Brabant schonk hen een stuk grond. De kluizenaars bouwden er enkele huisjes en een kapel. Weldra volgden andere schenkingen van de hertogelijke aristocratie.

De kluis werd in 1373 aan Paulus toegewijd. De bewoners namen de regel van Augustinus aan. Zij werden ‘reguliere kanunniken van Sint-Augustinus’ en sloten aan bij het kapittel van Groenendaal. Groenendaal trad later toe tot het kapittel van Windesheim waarvan de spiritualiteit lange tijd een diepe invloed uitoefende op het religieuze, morele en intellectuele leven in onze streken. Rooclooster werd geen abdij, wel een priorij onder de leiding van een prior.

De eerste eeuwen van de priorij waren gekenmerkt door geloofsijver en materiële welstand. De Bourgondische hertogen (1406-1515) bevestigden de privilegies van de priorij, maar verdere giften bleven uit. Keizer Karel V en zijn Spaanse opvolgers (1515-1713) bleven de kloosterlingen beschermen, vooral tijdens de godsdienstoorlogen die een einde maakten aan de bloei. De periode van de Contrareformatie (1600-1670) bracht opnieuw welvaart.

Gezicht op de priorij van Rooclooster. L. De Vadder, ongedateerd, zeventiende eeuw.

Gezicht op de priorij van Rooclooster.
L. De Vadder, ongedateerd, zeventiende eeuw.[2]

De Oostenrijkse Nederlanden (1713-1796) betekenden het begin van de teleurgang van Rooclooster. De werkelijke of vermeende rijkdom van de religieuze gemeenschappen was hoe langer hoe meer een doorn in het oog van de machthebbers. In 1750 moest Rooclooster 4000 gulden bijdragen tot de wederopbouw van het Brusselse hertogelijke paleis dat door een brand was verwoest. De priorij kon het probleem oplossen door de verkoop van een aantal goederen.

Een verordening van keizerin Maria-Theresia van 16 september 1753 bevestigde het voorheen – al in de zestiende eeuw- aan de religieuze instellingen opgelegde verbod om zonder toelating goederen te verwerven. Kloosterbezittingen waren ‘van de dode hand’, werden nooit vererfd, wat erg nadelig was voor de vorstelijke financies. De monniken gebruikten hun gelden voortaan voor de gehele of gedeeltelijke vernieuwing van hun gebouwen.

Keizer Jozef II hief Rooclooster op 13 april 1784 als ‘onnuttig’. De kloosterlingen keerden terug naar ‘de wereld’; hun goederen werden in beslag genomen. De openbare verkoop was voorzien voor 1789. De Brabantse omwenteling herstelde nog eventjes de vroegere toestand. Achttien kanunniken hervatten in 1790 het gemeenschapsleven in vervallen en deels verwoeste gebouwen. Het bleven troebele tijden. Het moreel was laag. Spoedig begonnen de uittredingen. In 1794 trof een Franse militaire contributie Brussel. Het deel ten laste van Rooclooster bedroeg 25.000 Franse ponden.[3] Om hieraan te voldoen moesten ijlings, ver beneden hun waarde, gronden onder meer in Bertem en Leefdaal worden verkocht.

Op 13 augustus 1796 schafte de Franse bezetter de priorij definitief af. Gebouwen en landerijen vielen ten prooi van speculanten. De kerk brandde in 1834 volledig uit. Ten slotte verwierf de Belgische Staat in 1910 het vroegere kloosterdomein. De overblijvende gebouwen zijn sinds 1965 beschermd. In het vroegere priorkwartier zijn nu een kunstcentrum, een infocentrum voor Zoniënwoud en een café ondergebracht.

Het Hof van Rooclooster in Vroeienberg

Naast de hoeve bij de priorij verwierf Rooclooster in de vijftiende eeuw twee pachthoeven: ‘Ten Broeck’ in Sint-Genesius-Rode en een in Vroeienberg. De laatste lag aan de Bertemse noordelijke oever van de Voer vlak bij de grens met Leefdaal: ‘naest de Voer ten Ie, het Cuyperstraetken ten IIe en een cleyn straetken aen Cousmaecker block ten IIIe’. Op de huidige kaart van Bertem zou men de hoeve vinden aan de Molenstraat, tussen de vroegere molen van Sint-Verone en de Kuipersberg.

De eerste vermelding van het hof in Vroeienberg dateert uit 1421. Het bezat in 1437 in Bertem, Meerbeek en Leefdaal ongeveer 55 bunder[4] land, bos en weide en twee wijngaarden. De totale oppervlakte zou weinig veranderen tot bij het einde van het ancien régime. Het was een belangrijk bedrijf. Het leverde in 1437 de voorzitter van het Bertemse cijnshof. In 1504 ging dit presidentschap over naar de heer van Chièvres en van Heverlee. In 1526 behoorde het bedrijf formeel tot de eigendom van Rooclooster.

Rond 1600 bestond de hoeve uit drie afzonderlijke gebouwen opgesteld in U-vorm. In 1760 bleek ze uitgegroeid tot een volwaardige vierkanthoeve in vakwerk en met pannen gedekt. Een gebouwtje, wellicht het bakhuis, stond afgezonderd. De hoeve beschikte over een vijver.

Vroeienberg 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Vroeienberg in 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster. [5]

Pieter-Jozef Stroobant pachtte de hoeve in 1784 met ruim 55 bunder land, bos en weide. De jaarlijkse pachtprijs bedroeg 540 gulden plus allerlei leveringen en karwijen met een bijna even grote tegenwaarde. De gronden strekten zich uit onder Bertem en Leefdaal, en voor een minder belangrijk gedeelte, onder Meerbeek en Korbeek-Dijle. Het bosareaal was ongeveer zes bunder groot.

Om de Franse militaire contributie van 25.000 Franse ponden[6] te voldoen diende de priorij ijlings, ongeveer dertig procent onder de werkelijke waarde, een twaalftal percelen, ruim acht bunder, onder Bertem en Leefdaal te verkopen.[7]

Sint-Verone in 1759. Deel dat behoorde bij het hertogdom Aarschot  Het westen ligt bovenaan. Van oost naar west (op de kaart van onder naar boven) achtereenvolgens: de molen (“moulin”), drie gebouwen, het hof van Rooclooster (vierkantshoeve met afzonderlijk bakhuis en vijver), een belangrijk gebouw en de hoeve van Sint-Verone. De originele kaart is gekleurd wat toelaat de bouwmaterialen van de constructies te identificeren.

Sint-Verone in 1759. Deel dat behoorde bij het hertogdom Aarschot. Het westen ligt bovenaan. Van oost naar west (op de kaart van onder naar boven) achtereenvolgens: de molen (‘moulin’), drie gebouwen, het hof van Rooclooster (vierkantshoeve met afzonderlijk bakhuis en vijver), een belangrijk gebouw en de hoeve van Sint-Verone. De originele kaart is gekleurd wat toelaat de bouwmaterialen van de constructies te identificeren.[8]

De aftakeling

Na de definitieve opheffing in 1794 kwamen de goederen van de priorij in Bertem en Leefdaal in dertien zittingen onder de hamer. Het geheel bracht 38.387 frank op.

De bossen, ruim zes bunder, die in 1798 als eerste te gelde zijn gemaakt, haalden een prijs van 2025 frank. De koper was een Parijzenaar die klaarblijkelijk erg goed op de hoogte was van de lage prijzen die golden bij de massale verkopen van kerkelijke goederen.

De landbouwgrond, ruim 28 bunder, verdeeld over veertien percelen leverde ongeveer 27.000 frank op. Gemiddeld was dat zowat 950 frank per bunder. Tegenover de periode 1786 tot 1793 lag deze prijs bijna de helft lager.[9] Het aanbod van kerkelijke goederen, zelfs gespreid over verschillende jaren, bleef immens groot, terwijl het aantal kopers om ideologische en ook om financiële redenen beperkt bleef. Een ideale toestand voor rijke speculanten die de kans zagen enorme winsten te maken. De landbouwgrond van het vroegere Rooclooster in Bertem en Leefdaal kwam vooral in handen van burgerij uit Leuven, Brussel, Parijs en Tienen, in die volgorde van belangrijkheid. Een van de kopers was Jacques Marischal uit Brussel die ook de Sint-Medardushoeve in Bertem verwierf en ze vlug opnieuw met winst verkocht.[10]

Een paar plaatselijke medewerkers van de Fransen namen deel aan het feest: Jean-François Vander Elst, maire van Leefdaal van 1800 tot 1805, en Guillaume Vandertaelen, ‘officier de santé’ uit Tervuren. Louis Van Hoof en Henri Vrebosch, beiden uit Sint-Verone, kochten land dat zij al pachtten.

De meest aantrekkelijke transactie deed Louis-Joseph Landeloos uit Leuven die de hoevegebouwen en de omliggende gronden in 1800 verwierf voor 9.350 fr.: ‘een hoeve met koe- en paardenstal, schuur, en vijftien bunder grond’ (vertaling). Het verkoopsaffiche preciseerde: ‘huis, kamers, kelder, schuur, koe- en paardenstal, bergplaats, bakhuis en andere gebouwen. Opgetrokken in baksteen behalve de schuur en de bergplaats. De grond waarop de gebouwen zijn opgetrokken en een terrein dat in het zuiden paalt aan de Voer beslaan zowat een bunder’ (vrije vertaling).

De familie Landeloos bezat nog in 1910 goederen in Sint-Verone. De hoevegebouwen zijn van de aardbodem verdwenen. Niets is gebleven tenzij wat aantekeningen in stoffige folianten. Wanneer zij zijn afgebroken is onbekend. In de atlas van de buurtwegen uit het midden van de negentiende eeuw komen ze niet meer voor.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Bibliografie

W. Brumagne (2001), De Veronewijk en haar Kruiskapel. Bertem-Leefdaal, Nieuwkerken-Waas: Het Streekboek.

A. Maes (1980), ‘Deux siècles dan la vie de Rouge-Cloître 1780-1980’, Le Folklore Brabançon, juin 1980.

Idem (1983), Sur les traces des chanoines réguliers de Rouge-Cloître, Brussel, 1983: Créadif.

Idem (1987), ‘De priorij van Rood Klooster’, Het Zoniënwoud. Kunst en geschiedenis van oorsprong tot 18de eeuw (Europalia 87 Österreich), Brussel: Royale belge, p. 213-215.

Idem (1992), Rouge-Cloître. Son domaine foncier, ses revenus, ses charges, Brussel: Ed. du Cercle (met de identificatie van alle oorspronkelijke documenten, die niet expliciet in deze tekst zijn vermeld).

J.F. Van der Auwera (1972), Simpele waerheyd. Kroniek van Roklooster (1777 – 1809), uitgegeven door A. Maes, Pittem: Veys.

Noten

[1] ‘Rooclooster’ is de oude naam van de priorij waarvan sprake in deze tekst. Nu schrijft men meestal ‘Rood klooster’. ‘Rood’ zou volgens de legende verwijzen naar de rode kleur van de primitieve gebouwen. Veel waarschijnlijker verwijst: ‘Rood’, ‘Rode’ of ‘Roo’ naar een ontboste, gerooide plek in het bos. In het Brabantse dialect als ‘rooi’ uitgesproken. De oude benaming ‘Rooclooster’ is consequent gebruikt. ‘Vroeienberg’ is de oorspronkelijke naam van de huidige Veronewijk. De naamverschuiving is uitgelegd in Brumagne (2001), p. 14. De naam ‘Vroeienberg’ is gebruikt tot hij volledig verdween uit de onderliggende documenten.

[2] Maes (1987), p. 217.

[3] Het Franse pond tournois was 0,5444 gulden Brabants waard. Enig inzicht in de huidige waarde geeft het toenmalige dagloon van een volwassen mannelijke arbeider: een halve gulden per dag.

[4] De omzetting van ‘bunder’ in moderne landmaten is onmogelijk zonder aanvullende inlichtingen over het gebruikte systeem (bijvoorbeeld Brusselse of Leuvense maat). Bovendien is de oppervlakte van de landerijen niet altijd precies aangeduid in de akten. Men mag aanvaarden dat een bunder in Bertem en Leefdaal ietwat groter was dan een hectare.

[5] B. Minnen (1993), Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595 – 1612). Kadasters en gezichten, Brussel: Gemeentekrediet van België, plaat 81, p. 264.

[6] Een Franse frank was 0,4725 gulden Brabants waard . Zie ook noot 3.

[7] Algemeen Rijksarchief, Kerkelijk archief Brabant, nummer 16.264. Zie ook noot 9.

[8] E. Van Ermen ed. (1998), De wandkaarten van het hertogdom Aarschot 1759-1775, opgesteld in opdracht van de hertog van Arenberg, Brussel: Algemeen Rijksarchief, deel Heverlee 2 (partim). Zie ook Brumagne (2001), p. 27-29.

[9] De vergelijking is gemaakt met de verkopen die 1786 tot 1793 in Leefdaal . Bron: Algemeen Rijksarchief, Heerlijkheden, nummer 1055: akten van willige rechtspraak, 1786-1793.

[10] S. Van Lani (1999), Abdij van ’t Park. Pachthoeven en landbouwdomein, Heverlee: Vrienden van de abdij van ’t Park.

Het klooster van Bertem op zoek naar ‘ondersteuning’

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

Romanie Vandenbussche en Louis Gilliodts-van Severen, na 1906. (overgenomen uit VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts, 41.)

In het stadsarchief van Brugge wordt het Fonds Gilliodts bewaard. Deze nalatenschap van Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915), Brugs stadsarchivaris van 1868 tot aan zijn dood, omvat een zeer uiteenlopende inhoud. Gilliodts verzamelde archiefstukken, zodat deze in het fonds terug te vinden zijn. Er zijn ook zijn wetenschappelijke notities die hij maakte tijdens zijn opzoekingen in archieven. Het is evenwel ook zijn familiearchief, met onder meer zijn correspondentie. Ook enkele brieven gericht aan zijn tweede echtgenote, Romanie Vandenbussche (1873-1926), zijn hier verrassend genoeg terug te vinden.[1]

Een van die laatste brieven biedt onverwacht een kijk op Bertem in 1920. Hoe kan dit? Romanie Vandenbussche werkte eerst als dienstmeid, maar haar huwelijk met Gilliodts maakte haar een begoede dame. Haar echtgenoot was altijd zeer mild en liefdadig geweest. Hoewel zijn erfenis haar niet volledig te beurt viel, was de weduwe na Gilliodts’ overlijden in 1915 ongetwijfeld nog altijd welgesteld. Men kon dan ook maar wensen dat ze zich even gul zou tonen als Gilliodts.

Een zuster uit Bertem hoopte daarom in 1920 dat Romanie Vandenbussche ondersteuning zou willen geven aan haar klooster. De briefschrijfster was Emerence Marie Spriet, op 13 juli 1871 geboren in Wingene. Daar was eerst haar vader en dan haar broer Edmond en zus Marie een pachter van Gilliodts geweest, zodat ze zelf had kunnen kennismaken met de goedhartigheid van de Brugse familie. Emerence had er voor gekozen in te treden bij de Zusters van Liefde, waar ze als kloosternaam Zuster Basile nam. Op 27 februari 1900 verhuisde Zuster Basile vanuit het Gentse moederhuis naar het Bertems klooster. Daar werkte ze in de school en hielp ze in het huishouden.[2]

De brief die Zuster Basile naar Romanie Vandenbussche schreef is interessant genoeg om hier grotendeels uit te geven. Enkele stukken zijn weggelaten, zij bevatten namelijk niets anders dan lovende woorden voor de ontvangster.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

Een zicht op het klooster, ca. 1930.

A[d] M[ajorem] D[ei] G[loriam]

Zeer geachte Mevrouw.

Ik heb het geluk en de eer U onze eerbiedigste en rechtzinnigste gevoelens aan te bieden. Degene die U schrijft is misschien U onbekend maar Gij, achtbare Mevrouw, zijt mij niet vreemd. O neen, ik ken U door uwe milddadigheid, door uwe overgroote liefde voor armen en noodlijdenden, door uw groot en edelmoedig hert, om alle goede werken en nuttige inrichtingen te ondersteunen. […] Wat moet Gij gelukkig zijn, achtbare Mevrouw, zooveel gelukkigen te kunnen maken, want het meeste geluk is voor mij anderen gelukkig te maken. Ik ben Emerence Spriet, Zuster Basile, zuster van liefde te Berthem. Ik herinner mij zoo gaarne met veel vreugde de hooggeachte Mijnheer Gilliodts die vader zaliger zoo genegen was. Wij houden alle achting voor den achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Gilliodts zaliger, die de liefdadigheid in den volsten zin oefende.[3]

Ik neem de eerbiedige vrijheid U te verzoeken ons ook uwe ondersteuning te willen verleenen voor ene volksbibliotheek die wij ingericht hebben voor de inwoners van ons dorp, maar vooral voor de jonge meisjes die tegenwoordig zoo blootgesteld zijn aan al dat werelds is.[4] Wij willen, door goede en aantrekkelijke boeken in de huizen gaan preken om dien stroom van bederf tegen te houden en daarom, achtbare Mevrouw, kom ik uwe milddadigheid afsmeeken om ons te ondersteunen. Boeken en kas zijn tegenwoordig zeer duur. Wij gebruiken ook alle middelen om de kinderen zoolang mogelijk in de patronage te houden en te vermaken door aangename spelen, nuttige voordrachten, belooningen enz. Het is nog al lastig niet kunnen uitvoeren, wat men zou willen uitwerken uit liefde tot God en tot heil der zielen onzer tweehonderd kinderen die veel te kampen en te strijden hebben tegen het kwaad.

[…]

Berthem is een klein dorp, niet ver van Leuven gelegen. De beschaving en de godsdienst laat er veel te wenschen, daarom willen wij al onze krachten inspannen en met dubbelen moed werken, om den godsdienst en de eerbaarheid te doen bloeien en van de Berthemsche jeugd christelijke en vrome dochters te maken, en verstandige huismoeders en dat alles uit zuivere liefde tot God die ons gekozen heeft om zijn apostelwerk voort te zetten.

Ik schrijf dezen brief met veel vreugde, omdat ik de zoete hoop koestere ook de goedheid en de milddadigheid van U, geachte Mevrouw, te mogen genieten, ook nog omdat ik in den geest tot Brugge ben, waar wij zooveel vreugde genoten bij den zeer achtbaren Heer Gilliodts en de goede Mejuffer Marie, zaliger, want ’t is dank aan onze goede en duurbare Juffrouw Marie dat ik zuster van liefde ben en zoo gelukkig dat ik mij onder de gelukkigste der menschen tel.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

De hoofdingang van het klooster, ca. 1947. ‘Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen,’ schreef zuster Basile.

Wij zijn zeven en twintig zusters, verzorgen veel oude menschen en zieke kinderen. Wij hebben eene school die wel bevolkt is en onze brave kinderen komen geerne ter school. Mocht ik eens de deuren openen om de achtbare en goede Mevrouw Gilliodts een plezierreisje in ons klooster te doen.

Gewaardig, zeer goede en achtbare Mevrouw de verzekering van onzen diepen eerbied en de hulde van onzen dank te aanveerden.

Uwe toegenegene in Jezus-Christus

Zuster Marie Basile

Berthem, 17 Juni, 1920.[5]

Of Romanie Vandenbussche enige steun verschafte aan het klooster, is mij onbekend. Een bezoek aan Bertem zal ze wel nooit gebracht hebben. En Zuster Basile? Die verliet op 22 oktober 1928 het klooster in Bertem. Haar bestemming was het mijnhospitaal in Leut, daar gevestigd in het voormalige kasteel van Vilain XIIII.

(Timo Van Havere – Erfgoedkamer)

[1] Cfr. A. VANDEWALLE red., 100 jaar Gilliodts. Academische zitting en tentoonstelling ter herdenking van de voormalige stadsarchivaris Louis Gilliodts-van Severen (1827-1915). Catalogus, Brugge, 1980.

[2] Bediening der Zusters, 1900, afgebeeld in G. DE NEEF en R. UYTTERHOEVEN, Fundamenten in seniorenzorg. 175 jaar Zusters van Liefde van Jezus en Maria te Bertem, Bertem, [1993], 31.

[3] Het gaat hier om Louis Gilliodts-van Severen en Marie Gilliodts (1859-1904), zijn dochter uit zijn eerste huwelijk. Marie Gilliodts bleef ongehuwd en wijdde haar leven aan weldadigheid en godvruchtige werken.

[4] In 1904 was een bibliotheek opgericht in de meisjesschool bij het klooster. In 1930 besloot de gemeenteraad er 0,25 frank per inwoner subsidie aan te geven. De bibliotheek werd toen ook voor tien jaar door de gemeente aangenomen. (H. VANNOPPEN, De geschiedenis van Bertem. De parel van de Voervallei, Bertem, 1978, 373.)

[5] BRUGGE, Stedelijk archief Brugge, Fonds Gilliodts, briefwisseling, nr. 105: brief van E.M. Spriet aan mevr. Gilliodts [= R. Vandenbussche], 17 juni 1920.

Het verhaal van het meisje Alfonsine

vandenbossche

Alfonsine (rechts op de foto) naast haar oudere zus Isabelle

Het meisje Alfonsine en haar familie

Alfonsine Vandenbosch werd geboren op 20 maart 1931. Zij woonde in mei 1940 bij het begin van de vijandelijkheden in België met haar ouders Jules en Marie Arsène Demares, een broertje en twee zusjes in Heverlee. Zij had pas samen met haar oudere zus haar plechtige communie gedaan. Normaal was dat een paar jaar te vroeg. Het aartsbisdom had toch de toelating gegeven om het feest samen met haar zus te vieren. Kostenbesparing natuurlijk want het grote gezin kon de centen gebruiken. Vader Jules was cipier in de Leuvense gevangenis. Begin mei kreeg hij de opdracht gevangenen te vergezellen die per trein naar Frankrijk werden gebracht.

Het drama

Op 14 mei 1940, in het vooruitzicht van een zware veldslag aan de Dijle, beval de overheid Leuven en omliggende gemeenten volledig te ontruimen. Moeder Vandenbosch zag zich verplicht met haar kroost en haar ouders met de fiets – en te voet – te vertrekken naar familie in het Brusselse. Om de kleintjes te paaien gingen de communiekleedjes mee als bagage.

In Leefdaal op de Tervuursesteenweg nabij het huis van de weduwe Weygants-Van Herck – nu nummer 385 – kwam het gezelschap terecht in een bombardement door een formatie Duitse vliegtuigen. De oudste twee kinderen doken onder in de gracht naast de weg enigszins beschermd door hun fietsjes. De rest trachtte op uitnodiging van de bewoners aan de overzijde een schuilplaats te bereiken.

Fatale misrekening. Een bom trof het huis. Het moest later worden afgebroken. Verschillende hoevedieren verloren het leven. Het was een zware opdoffer voor een gezin dat het zeker niet breed had. Deze zorgen verbleekten toch voor het leed van het gezin Vandenbosch. Het meisje Alfonsine verloor het leven. Een bomscherf rukte een deel van haar hoofdje af.

De toestand was dramatisch. Britse militairen bleven aandringen op een snelle ontruiming. Een paar inwoners uit het dorp zetten zich ijlings in voor een voorlopige oplossing. De schrijnwerkers Alfred en René Stuyck timmerden vlug een primitieve lijkkist. Het kindje werd samen met het stoffelijke overschot van de eveneens doodgebombardeerde smid Alberic Huyberechts in dezelfde kuil op het kerkhof begraven. De familie Vandenbosch vervolgde troosteloos haar weg naar de familie in het Brusselse.

De afwikkeling

De slag aan de Dijle duurde amper een paar dagen. Toen moest het Britse expeditiekorps terugtrekken om een omsingeling te vermijden. Duitse pantsers waren doorgebroken in Sedan (Frankrijk). De vluchtelingen in het Brusselse konden na enkele dagen weer naar huis. Voor vader Vandenbosch in Frankrijk was dat niet het geval. Hij vernam de dood van zijn dochtertje pas bij zijn terugkeer enkele weken later.

Het kinderlijkje werd enkele dagen later stiekem opgegraven en bedekt met wat stro in een melkkar naar Heverlee overgebracht. Op 15 augustus 1940 om 8 uur had een herdenkingsmis plaats. Het doodsprentje getuigt van “onderwerping aan Godswil” geheel in overeenstemming met de heersende christelijke “gelatenheid”. Het verdriet van de familie was er niet minder om. Bijna zeventig jaar later kunnen broer en zusters Vandenbosch nog ontroerend vertellen over het meisje Alfonsine dat altijd negen jaar is gebleven.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Bierhandelaar Van Fraechem, ‘verdeler van het Sissenbier’

In 2009 sprak Paul Van Bruystegem met Willy Van Fraechem, die hem vertelde over de Bertemse cafés. Willy en zijn vader Victor Van Fraechem waren decennialang verdeler van het bier van brouwerij Leopold. In Bertem was dit het ‘sissenbier’.

De handel werd gesticht in 1936 door Victor Van Fraechem (genaamd Fictoor). Hij verdeelde het bekende bier ‘Three Stars’, welke later ongedoopt werd tot ‘Leopold’.

Zoals in elke gemeente ontstonden, na de onafhankelijkheid van België en vooral in het midden van de negentiende eeuw, in Bertem de plaatselijke politieke partijen. Het waren hier voornamelijk de ‘Liberalen’ en de ‘Sissen’.

Elke partij had natuurlijk zijn geprefereerde drankgelegenheden en pilsbier. De Liberaal dronk voornamelijk ‘Stella’ en de Katholieken of Sissen verkozen ‘Leopold’.

De Sissen vonden ‘Stella’ maar fluitjesbier met een slechte smaak waar je ziek van werd en hetzelfde dachten de Liberalen van de ‘Leopold’. Wat ze niet wisten was dat grapjassen soms Stella in Leopoldglazen deden en omgekeerd. Geen enkele van de plaatselijke partijleden merkte, tot groot jolijt, deze omwisseling als ze reeds verscheidene pintjes achter de kiezen hadden. Deze sporadische omwisselingen waren zeer waarschijnlijk de reden waarom ze na een vijftien à twintig pintjes en soms meer, de volgende dag een kater hadden.

In 1971 – met de komst van de BTW – nam Willy de handel van zijn zieke en bijna blinde vader Victor over.

Het beroep van bierhandelaar was zeer zwaar en ongezond. Het sleuren met tonnen en bakken bier belastte de rug uitermate. Bovendien moest, bij wijze van voorbeeld, dagelijks heel wat van het eigen bier worden gedronken. Het was namelijk de gewoonte te trakteren in elk café waar men langs kwam, om de klanten die toevallig aanwezig waren te plezieren en te wijzen op het feit dat ‘Leopold’ het beste bier was.

Als klant dronk je dan van het pas geleverde bier en hief je het gekregen glas met de woorden ‘santé Willy’.

De zondag na de hoogmis dronk men het aperitief door op de weg naar huis in verschillende drankgelegenheden pinten drinken.

Om thuis te geraken moest Willy dertien cafés voorbij. Als hij die allemaal bezocht, wat niet altijd gebeurde, werden minstens één à twee pintjes per bezoek gedronken. Dit betekende dat voor het zondagse middagmaal tot zes liter bier in de lege maag terechtkwam.

Met de kermis en op feestgelegenheden kon het aantal gedronken glazen bier per dag tot vijftig oplopen. Gelukkig bleven vele pinten half gevuld achter.

Slechts zelden werd men echt dronken; de macht der gewoonte zorgde er voor dat men slechts licht beschonken over kwam na het nuttigen van veel bier doch gespreid over een ganse dag.

Medisch gezien waren de gevolgen op latere leeftijd voor vele bierhandelaars en bierleveranciers zwaar. Ze verbleven veel in lokalen waar men buiten het bier, van sigaren en sigaretten genoot en konden, vooral in de winter wanneer de deuren en vensters goed gesloten bleven, mee genieten in het rumoer van de cafégeuren en volop de zware tabaksrook tot zich nemen.

Zo leden ze veel aan adervernauwing, lever en pancreas ziekten, maag-, darm-, hartkwalen en suikerziekte. Een lang leven viel hen maar zelden te beurt, maar wel een goed.

Willy had ondanks alles in de bloeitijd vele collega’s die hier met hun toenamen worden vernoemd:

  • Polle Van Meter: bieren ‘Op Ale’
  • Michiels: bieren ‘Wieze’
  • Charel Van Meerbeek: bieren ‘Perle Collier’
  • De Witten Deno: bieren ‘Sas’
  • Pië Van De Stijve: bieren ‘Stella’
  • Florent Trekker: fabrikant van limonade
  • Brouwerij Delvaux, met onder andere Blanche de Louvain

Willy en ervoor Fictoor leverden bier in volgende drankgelegenheden, ook opgesomd met hun toenaam:

  • Op de Dorpstraat van af de Dalem hadden we Spijtige Jef, Schijs, De Spits, Den Trul, De Smid, Creffier en Cheper.
  • Rond de Kerkstraat waren Kesse, Jeanne Mispeltaire, Klara Van Mathijs en Gaine Lismond van de partij.
  • Op het Gemeenteplein en de Schipstraat (Fr. Dottermansstraat) vonden we: Tinne Van Glas en Bere Moens.
  • Op de Tervuursesteenweg bediende hij Jul Konink, Jef Van Den Toyk (bij Vallerie), Timmermans, De Floes, Franske Vanderheyden, Que Deum (Jourand), Corre en Meuze.
  • Op de Oude Baan waren de klanten Shijs, Pië Bult, Tone Van De Laes en De Beus.
  • Op den Bertembos (aan de Augustijnenhoeve) waren Stakke, Sirou en Moeys zijn klanten.
Bertem Kruisweg.jpg

Dit café (op de hoek van de Dorpstraat en de Ferd. Vanlaerstraat) schonk Leopold, zoals de platen aan de gevel trots verkondigen.

Als men zijn dorst niet gelest kon krijgen was er de mogelijkheid om bij Fictoor of Willy thuis een bak bier te gaan halen. Het voordeel was daar dat men steeds hartelijk werd ontvangen en één of twee flesjes bier gratis te drinken kreeg.

Ten slotte kwam de biervrachtwagen ook thuis bier leveren voor het geval dat men niet tijdig in een café was geraakt of voor diegenen die ook nog bij het eten een smakelijk pilsje lusten.

In elk geval was bier drinken vroeger een sociaal gebeuren dat bij elke bezigheid plaatsvond. Onderzoek heeft uitgewezen dat bouwvakkers, in de jaren 1700 te Leuven, die van zonsopgang tot zonsondergang werkten dagelijks vijf tot zes liter bier dronken. Niet altijd goed bier, schreef men, er was ook een hoeveelheid fluitjes of slap bier bij.

Een burenbezoek kon niet zonder een flesje bier en elk goed voltooid werk zoals het einde van een ruwbouw eindigde met de ‘Maa’, dit is het plaatsen van een versierd stukje boom of op de nok van het dak, in een bierfestijn.

Willy en Fictoor hadden dus een beroep midden in het plezier en de ontspanning van de jaren 30 tot 90. Zij kenden alle inwoners, hun problemen, hun noden, hun goede kanten en wisten met een kwinkslag en een pintje bier de Bertemse inwoner zijn dagelijkse beslommeringen te laten relativeren.

(Paul Van Bruystegem in samenwerking met Willy Van Fraechem – Erfgoedkamer)

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal

Geplande werken

De site van het vroegere gemeentehuis van Leefdaal is betrokken bij de belangrijke werken die doorgaan in samenwerking tussen de gemeente Bertem en een private partner. Volgens de folder die het gemeentebestuur verspreidde zal “de private partner een tiental nieuwe appartementen bouwen in, naast en achter het oude gemeentehuis. Dit zal gebeuren met veel respect voor het oude gebouw; alle gevels blijven behouden en het gebouw wordt verbouwd. Voor de bewoners worden ondergrondse parkeerplaatsen voorzien. De bouwwerken beginnen pas na de verhuis van het OCMW naar het sociaal huis (in Bertem) en na de ingebruikname van het gemeenschapshuis (achter het oude rijkswachtgebouw)”. De oude schoollokalen achter het vroegere gemeentehuis verdwijnen.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

De schoollokalen achter het gemeentehuis, 2011.

Een school

De oorspronkelijke bestemming van de site was een nieuwe gemeenteschool. De oude bij de kerk was volkomen ongeschikt geworden. Het gemeentebestuur, enkele rijke pachters, bleek lange tijd niet bereid hieraan te verhelpen. Het vond het blijkbaar onnodig veel geld te besteden voor het onderwijs van de (arme) kinderen. Zij moesten zo spoedig mogelijk aan het werk om de schamele gezinsinkomens wat op te krikken. Het gemeentebestuur weigerde dan ook pertinent een degelijke school te bouwen, ook als het wettelijk een verplichting werd, met als excuus “geen geld”. De liberalen die in 1857 nationaal aan de macht waren gekomen zagen het anders. Zij mikten op arbeiders met een basisopleiding voor de opkomende industrie.

Dus greep de provinciegouverneur in. Op zijn vraag ondertekende de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 juni 1964 een koninklijk besluit dat de gemeente Leefdaal verplichtte een nieuwe school te bouwen en subsidies beloofde. Het gemeentebestuur reageerde met langzame spoed. Het onteigende op 22 mei 1866 een bouwterrein van 18 are 70 centiare en betaalde hiervoor de som van 1.496 frank. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 30 oktober1866 benoemde de regering de nipt verkozen liberaal Justin Tielemans tot burgemeester. Hij was een grote voorstander van het overheidsonderwijs en heeft zich zeker ingespannen om de bouw van de nieuwe school te bevorderen. Louis Van Arenbergh, de provinciale bouwmeester voor het arrondissement Leuven, werd de architect. De totale kostprijs bedroeg met de meubilering ruim 32.000 frank. Het lijkt nu een peulschil, maar een mannelijke landarbeider verdiende toen ongeveer een frank voor een lange werkdag; vrouwen en kinderen nog veel minder. De bouw was vrijwel afgewerkt in juli 1869.

Het gemeentebestuur kreeg een financiële dobber te verwerken. Al verleende de Staat en de provincie ruime subsidies toch moest de gemeente een lening van 8.000 frank aangaan die hoofdelijk en solidair gewaarborgd was door de burgemeester en de twee schepenen. De belastingen verhoogden. Op 13 oktober 1868 werd beslist zestien opcentiemen op de grond- en personenbelasting te heffen. De belasting bleef jarenlang bestaan en werd later verzwaard.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Een postkaart van het gemeentehuis, uit het begin van de 20ste eeuw.

Gemeentehuis en onderwijzerswoning

Het meest in het oog springende deel van de nieuwe bouw bleken niet de schoollokalen te zijn, maar een gemeentehuis met woongelegenheid voor het schoolhoofd. Het had het statige voorkomen van een rijke-burgerswoning, de droom van elke rechtgeaarde welgestelde. Alles was bedoeld om de uitstraling van de gemeentelijke overheid te beklemtonen met aan de buitenzijde een pronkgevel versierd met zandsteen en een trap met het begin van een bordes. Binnen kwam een mooie statietrap en een grote raadszaal, die vooral diende voor huwelijkensluitingen en andere plechtigheden. Het hoge, symmetrische gebouw maakte grote indruk midden de lage dorpswoningen. Aan de behoeften van de administratie was minder gedacht. Geen zorg; er bestond nauwelijks enige administratie. Verborgen achter het hoge gebouw stonden twee klaslokalen. Rare jongens in Leefdaal? Toch niet. In het ganse land staan vele tientallen dergelijke pronkerige gemeentehuizen annex schoolgebouwen. De regering bevorderde stilzwijgend de bouw.

Het was niet te verwonderen dat het grote gebouw in de loop van de jaren vele nevenfuncties vervulde. De schoolhoofden of in het midden van de vorige eeuw de gemeentesecretaris, bewoonden de westelijke vleugel. Andere lokalen deden lange tijd dienst als dodenhuisje, als medisch kabinet voor de gezondheidsonderzoeken van de schooljeugd en, erg tegen de zin van de schoolinspectie, als leslokaal. Dat bleek nodig omdat het eigenlijke schoolgebouw vlug te klein bleek. Een uitbreiding met twee klaslokalen kwam pas in de late jaren twintig van de vorige eeuw.

Vanaf de tweede wereldoorlog zijn de meeste vertrekken van het hoofdgebouw geleidelijk in gebruik genomen voor gemeentelijke functies. Sinds de fusie van 1976 huisvest het gebouw de diensten van het OCMW van de nieuwe gemeente Bertem. Ondanks verschillende restauraties bevindt vooral het westelijke gedeelte zich in een ellendige staat. Na de samenvoeging van de beide gemeentescholen vonden de muziekmaatschappijen en een paar andere plaatselijke verenigingen een toevlucht in de vroegere schoollokalen.

Epiloog

In het vroegere gemeentehuis en in de schoollokalen heeft zich heel wat dorpsgeschiedenis afgespeeld, blijde gebeurtenissen, zoals huwelijken, en tragische, zoals de mislukte aanslag op de oorlogsburgemeester in 1944. De grote kelders hebben in hetzelfde jaar als voorlopige gevangenis gediend voor Duitse krijgsgevangenen en opgepakte “collaborateurs”. Na de fusie bleven de gebouwen voor vele inwoners symbolen van de vroegere zelfstandigheid van het dorp. Op 12 december 2002 had een informatievergadering plaats over de toekomst van het hele complex. Het schepencollege leek te opteren voor afbraak en nieuwbouw. De meeste toehoorders hadden het er moeilijk mee. De muziekmaatschappijen vreesden voor ruimtegebrek. De huidige oplossing vindt men bij het begin van deze tekst.

(Willy Brumagne, 1932-2013 – Erfgoedkamer)

Meer informatie: W. Brumagne, “Leefdaal 1867-1868, De gemeente bouwt een school met afhankelijkheden”, De Horen, driemaandelijks ledenblad Koninklijke Heemkundige Kring Sint-Hubertus (Tervuren-Leefdaal), 2004/4, p. 160-167 en 2005/1, p. 31-32.

De Gasthuishoeve in Bertem

Fragment uit de Atlas der Buurtwegen (1841), met centraal de Gasthuishoeve.

Fragment uit de Atlas der Buurtwegen (1841), met centraal de Gasthuishoeve.

Een nieuwe verkaveling in de Sint-Franciscusberg tussen de woningen nrs. 6 en 12 wordt ontsloten door een nieuwe weg die doodlopend is. De gemeenteraad van Bertem nam onlangs het besluit om deze nieuwe straat Gasthuishof te noemen. Op het einde van deze nieuwe straat, waar een pleintje is voorzien om het keren van het autoverkeer mogelijk te maken, stond tot omstreeks 1975 de graanschuur, ook tiendenschuur genoemd, van de Gasthuishoeve. Deze hoeve was immers tot aan de Franse revolutie eigendom van het Groot Gasthuis van Leuven, ook gekend als Sint-Elisabethgasthuis, Onze-Lieve-Vrouwhospitaal, Sint-Pietersgasthuis en augustinessenklooster.

Het Groot Gasthuis van Leuven was gelegen rechts en links van een Dijle-arm ten zuiden van de kruising met de huidige Brusselsestraat. Links van de huidige kliniek Sint-Pieter langsheen de Brusselsestraat treffen we nog een aantal restanten van het eigenlijke hospitaal, de ziekenhuis-kapel en het kloosterpand. De delen van het kloosterpand ten westen van de Dijle-arm werden afgebroken in de loop van de negentiende en twintigste eeuw om plaats te maken voor nieuwe ziekenhuisgebouwen.

Het gasthuis van Leuven werd gesticht omstreeks 1090-1095, vermoedelijk op een terrein nabij de latere Sint-Jacobskerk. In 1222 verhuisde de instelling naar haar huidige locatie op het ’s Hertogeneiland, het hertogelijk domein binnen de eerste stadsomwalling, waar in 1228 ook het dominicanenklooster werd gesticht. Wellicht waren in 1222 de nieuwe hospitaalgebouwen grotendeels voltooid. Tevens had de bisschop van Luik toestemming gegeven tot het bouwen van een hospitaalkapel, die een eerste maal in 1261 werd vermeld. Het hospitaal werd aanvankelijk bediend door broeders en zusters, vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw enkel door zusters, zonder een vaste kloosterregel. Van de dertiende-eeuwse gebouwen is enkel de zogenaamde Romaanse poort over-gebleven.

Zicht op het bewaard gebleven poortgebouw in de Brusselsestraat, dat toegang geeft tot een gekasseide binnenkoer waarrond de hoeve-gebouwen in L-vorm zijn gelegen

Zicht op het bewaard gebleven poortgebouw in de Brusselsestraat, dat toegang geeft tot een gekasseide binnenkoer waarrond de hoeve-gebouwen in L-vorm zijn gelegen (foto: Chris Wouters)

De huidige kloosterkapel is gebouwd aan het begin van de zestiende eeuw. Men vond er nog muurrestanten van de verdwenen kapel uit de dertiende eeuw. Het hospitaal werd door brand geteisterd in 1363 en kende vervolgens een periode van materieel verval. Nikolaas Hellens (overleden in 1505), ook professor aan de Leuvense universiteit, vatte in 1479 de reorganisatie van het hospitaal aan. De financiën werden gesaneerd en aan het hospitaal werd een gemeenschap verbonden van zusters die de regel van Sint-Augustinus naleefden. Mede dankzij schenkingen werden tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw de gebouwen vernieuwd met onder meer een nieuwe kapel en kloosterpand. Er brak opnieuw brand uit in 1632 en 1718. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd het klooster verbouwd.

De statuten vóór 1480 van het gasthuis van Leuven zijn onvindbaar. Daarom werd een vergelijking gemaakt tussen de statuten van de gasthuizen van Antwerpen, Mechelen en Vilvoorde, respectievelijk in 1233, 1230 en 1251 gegeven. In deze drie hospitalen lag het bestuur in handen van een meester of meesteresse, bijgestaan door een priester en door de beheerders der tijdelijke goederen. Kapittel-, refter- en slaapzaalvoorschriften lijken in alle drie sterk op elkaar. In de slaapzaal en refter mag slechts om zeer ernstige redenen gesproken worden. Aan de kloosterlingen is het verboden om in afzondering een gesprek te
voeren met mannen en om zich zonder toelating in de stad te begeven of buiten het klooster de maaltijd te gebruiken. De zieke moet eerst zijn geweten in orde brengen alvorens hij materiële zorgen kan krijgen. De verzorging van zijn ziel heeft dus voorrang op de lichamelijke verzorging. In Mechelen en Vilvoorde heeft het hospitaal het voorrecht op de goederen van de zieke indien die overlijdt. In Antwerpen ook tenzij de afgestorvene een testament heeft opgemaakt. In Leuven idem tot 1428. Na die datum kon Leuven alleen nog aanspraak maken op de roerende goederen wanneer de afgestorvene kinderen had. Bij kinderloze zieken bleef het recht op het ganse bezit gehandhaafd.

Door zijn lange geschiedenis, het recht op de goederen van de afgestorvene en de vele schenkingen bezat het Groot Gasthuis van Leuven een uitgebreid patrimonium aan onroerende goederen in een wijde omgeving van Leuven. De verdwenen hoeve in Bertem is op een bepaald ogenblik in bezit gekomen van het Groot Gasthuis. De wijze van verwerving door het Groot Gasthuis van de hoeve in Bertem die later de Gasthuishoeve wordt genoemd en de periode waarin dit gebeurde, kan momenteel niet achterhaald worden. Dit vereist bijkomend archiefonderzoek. In ieder geval behoorde het in 1496 reeds tot het patrimonium van het Groot Gasthuis zoals blijkt uit het ‘denombrement’ (bevolkingsstatistiek) uit die tijd en waarbij het vermeld werd met: ‘het winhof van den zieken gasthuys van Loevene’.

In 1660 was Willem Stroobants pachter van het Gasthuishof. In 1774 was het pachthof verhuurd aan Rumoldus Stroobants en aan zijn echtgenote Ludovica Van Hamme voor een termijn van negen jaar, mits een jaarlijkse pachtprijs van 100 gulden en de jaarlijkse levering van 100 halsters tarwe, 100 halsters wintergerst, 100 halsters haver, vier karweien alsook het onderhouden van het pachthof. Bovendien moet de pachter alle cijnsen en erfpachten betalen. De hoeve – op dat ogenblik gekend onder de naam ‘Het Hof te Waeteren’ – bestond toen uit een huis (‘huysinge’), schuren, stallingen, hof, boomgaard, land en weide, samen groot 38 bunderen, 1 dagmaal en 56 roeden, oftewel ongeveer 39 hectaren. Op 24 januari 1793 werd de pacht opnieuw voor de duur van 9 jaar vernieuwd aan dezelfde pachter. De akte werd verleden voor notaris Bisschop te Leuven.

Een gedeelte van de Gasthuishoeve, afgebroken in 1968 (zicht vanaf de Sint-Franciscusberg)

Een gedeelte van de Gasthuishoeve, afgebroken in 1968 (zicht vanaf de Sint-Franciscusberg)
(coll. René Mertens)

Aan het einde van het ancien régime kwam de eigendom en het beheer van het gasthuis en al zijn goederen in handen van het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen van Leuven. De verschillende wetten van het jaar V (1796) tijdens de Franse republiek legden de basis voor de organisatie van de openbare onderstand die tot in 1925 de armenzorg bij ons zou bepalen. Onder de controle van de gemeente, die de centrale spil van de openbare liefdadigheid werd, kwamen twee overheidsorganismen tot stand. Het Bureel van Weldadigheid kreeg als opdracht de armoede te lenigen door het verstrekken van adequate hulp. De Burgerlijke Godshuizen werden belast met alle vormen van institutionele zorgenverlening: vondelingen- en weeshuizen, bejaardentehuizen, hospitalen en kraaminrichtingen en krankzinnigengestichten.

Tijdens de negentiende eeuw werd door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen de hoeve opnieuw voor een duur van negen jaar verpacht, eventueel verlengbaar met een zelfde duur. Op 19 juni 1871 werd het pachthof, met een omvang van 35 ha 5 are 16 ca, verdeeld in 43 stukken, te weten: 37 onder Bertem, een onder Korbeek-Dijle en vijf onder Heverlee, verpacht voor een duur van negen jaar te beginnen op 30 november 1872 om te eindigen op 30 november 1881 aan Ectors Michaël Isidore voor de som van 4500 fr. Op 19 mei 1881 werd bij proces-verbaal de staat der gebouwen en de uit te voeren werken met kostenraming opgemaakt, ter gelegenheid van het vernieuwen van de pacht ondertekend door de afgaande pachter zijnde voornoemde Ectors en de aankomende pachter Joannes Dewals. Het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen kwam tussen voor 690,90 fr. Het aandeel van de (afgaande?) pachter bedroeg 379,29 fr.

Zicht op de zuidgevel van de graanschuur (afgebroken in 1975)

Zicht op de zuidgevel van de graanschuur (afgebroken in 1975)
(coll. Lizette Putseys)

Op 29 november 1899 werd een nieuwe staat van bevinding opgemaakt, met het oog op het overdragen van de pacht van de afgaande pachter (Vanderelst Clara, weduwe van J.B. Dewals) aan de nieuwe huurder zijnde Guillaume Ronsmans. Het ziet er naar uit dat de nieuwe pachter aan het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen moest verzocht hebben om het pachthof te verkopen ook omdat het in verval is en hijzelf opziet om de kosten als huurder te dragen. Op 10 januari 1900 werd door de burgemeester van Bertem een proces-verbaal van commodo et incommodo opgesteld m.b.t. de verkoop van het pachthof dat op dat ogenblik bestaat uit de percelen nrs. 174 b,175, 176 a en 179 a voor een totale oppervlakte van 70 are 47 ca. Op 12 juni 1900 werd de waarde van het pachthof op 6500 fr geschat. In datzelfde jaar werd het pachthof verkocht voor de som van 6500 fr.

Het complex bestond op dat ogenblik uit een gesloten vierkanthoeve met binnenkoer. De toegang was verzekerd vanuit de Sint-Franciscusberg. Het oorspronkelijke woonhuis was ingeplant aan de noordkant van het hoevecomplex. In het oosten van de binnenkoer bevond zich de robuuste schuur met in de zuidgevel een grote inrijpoort – asymmetrisch ingeplant – afgeboord met een rondboog in natuursteen. Een gedenksteen met jaartal waarvan de datum niet meer kan achterhaald worden, herinnerde aan het feit dat de schuur was gebouwd in de achttiende eeuw. Een poort in de noordgevel van de schuur gaf uit op een toegangsweg naar de Tervuursesteenweg. Aan de zuidkant vond men de stallingen die parallel gelegen waren aan de voorliggende Sint-Franciscusberg. In de eerste helft van de twintigste eeuw werden deze stallingen opgedeeld en verbouwd tot enkele kleine woningen. Ook de oorspronkelijke woning werd verkaveld en opgedeeld in drie aparte woningen. De oorspronkelijke stallingen werden afgebroken in 1968 om plaats te maken voor een nieuwe woning. De schuur werd afgebroken omstreeks 1975. Het woonhuis, dat is opgedeeld in drie woningen, is het enige dat nog rest van de eens zo robuuste hoeve.

(Chris Wouters – Erfgoedkamer)