De KW-linie in Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


IMG_7445

De overwoekerde bunker aan de Boskee in 2006

De KW-linie

Voor het begin van de vijandelijkheden in mei 1940 twijfelde de politieke en militaire elite in het ‘neutrale’ België er niet aan dat het grootste gevaar voor een inval uitging van Duitsland. De verdedigingslinies waren dan ook voornamelijk gericht tegen een invasie uit het oosten.

De vestiging Luik kreeg de meeste aandacht. De Belgische generaals maakten zich echter geen illusies. De verdediging aan de Maas en het Albertkanaal kon niet worden beschouwd als een definitieve afweer. De Fransen, waarmede in 1938 discreet contact was opgenomen, steunden deze visie.

De Belgische troepen moesten bij het eerste signaal snel achteruit trekken naar de volgende linie. De lag in het centrum van het land en was gevormd door een verbinding tussen de vestigingen Antwerpen en Namen via de Dijlevallei. Zij is de geschiedenis ingegaan onder de naam ‘KW-linie’. Pas daar kon worden gerekend op de steun van de Franse en Britse eenheden.

De KW-linie was een geheel van gevechtsbunkers, antitankhindernissen, loopgrachten en overstroomde gebieden met achteraan een rij bunkers die telefonisch met elkaar moesten kunnen in contact treden. Vooral dit laatste aspect had belang voor Leefdaal.

De bunkers

Het tweede verdedigingssysteem is, eenmaal beslist, mede door de dreigende internationale toestand, zo spoedig mogelijk in 1939-1940 opgebouwd. Van de vrij omvangrijke werken blijven nog sporen bewaard. De meest opvallende in Leefdaal zijn de betonnen ‘telefooncellen’, de bunkers achter de eigenlijke verdedigingslijn. Het Belgisch leger zwoer nog bij telefoonverbindingen zoals gebruikelijk in 1914-1918, toen de legers jarenlang aan een frontlinie bleven ingegraven. Andere landen kozen voor modernere radioverbindingen die betere diensten in een bewegingsoorlog konden bewijzen.

De ‘Genie des Fortifications’ kreeg de opdracht zo spoedig mogelijk de geplande bunkers te bouwen. Het werk werd onder strenge voorwaarden toevertrouwd aan private ondernemers. Vele dorpsgenoten zwoegden dag en nacht samen met geniesoldaten aan de bouw van de versterkingen.

Twee typen zijn gebouwd: de visitekamer en verbindings- of controlekamer.

Visitekamers maten inwendig 3,30 meter op 2,30 meter en konden, via een gepantserde deur, plaats bieden aan twee soldaten. Zij maakten deel uit van een communicatiesysteem dat eventueel kon worden aangesloten op het openbare telefoonnet.

De visitekamers waren per twee of drie geschakeld aan een controlekamer, waarin vier of vijf personen konden plaats nemen. Zij maten inwendig 5,30 meter op 4,30 meter. De toegang was verzekerd langs een sas dat afgesloten was met drie gepantserde deuren. Zij moesten niet alleen het telefonisch oproepen vanuit de verbindingskamers opvangen, maar konden ook dienst doen als commandopost of hoofdkwartier. De verbindingen dienden te gebeuren met ondergrondse kabels.

De bunkers in Leefdaal

In Leefdaal kwam, en staat nog, een verbindingspost aan de westzijde van de Boskee in het park van graaf de Liedekerke. Hij is nu volledig overwoekerd door de plantengroei. De ingang is toegemetseld.

Visitekamers stonden/staan in de westelijke rand van het Weebergbos en in de berm van de verlengde Korbeekstraat – de Scheewegstraat – ten oosten van het Heidebos, bijna aan de kruising met de Bredeweg.

De rol van de bunkers in de strijd aan de Dijle

De verdediging van de geallieerden was verdeeld in drie sectoren. De Britten verdedigden de middensector van Wijgmaal tot Waver. Ten noorden vochten de Belgen, ten zuiden de Fransen. Allen hielden aanvankelijk voortreffelijk stand op 14 en 15 mei tegen het veel beter uitgeruste Duitse leger. Zij zagen zich toch verplicht op 16 mei de KW-linie te verlaten om de omsingeling te vermijden na de dreigende doorbraak van de Duitsers bij Gembloers en vooral de bres die zij sloegen bij Sedan.

De betonnen schuilplaatsen voor de telefonie hebben weinig of geen rol gespeeld. De ondergrondse kabels die als een spinnenweb de verschillende posten moesten verbinden waren alleen in Leuven aangelegd tussen de gevechtsbunkers. Bovendien zouden zij niet gepast hebben bij de inwendige communicatie van het Britse expeditieleger dat steunde op radioverbindingen.

Wie wel profijt haalde uit het hele opzet waren de Duitsers. In hun honger naar metalen hebben zij tijdens de bezetting de gepantserde deuren zoveel als mogelijk gerecupereerd.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Vijfde colonne, spionnenvrees en andere verhalen

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Leefdaalse Seniorenkrant van maart 2012. Op 21 maart 2012 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Een terugtrekkend leger

Een oorlog en zeker een terugtrekkend leger vertonen gewoonlijk kwalijke bijverschijnselen. Typisch is de spionnenvrees. Een stapje verder zoekt de verliezende partij troost in de verraadthesis. Zo gebeurde in mei 1940. Veel werd overdreven en zelfs gefantaseerd. Alle beweringen werden graag geloofd. De herinnering aan de wandaden bij de Pruisische inval in 1914 was hieraan niet vreemd.

De rol van de overheid

De Belgische voorbereiding tot de oorlog was kort, maar vrij degelijk. Alleen voorzag men een nieuwe eerste wereldoorlog met gevechten op relatief smalle stroken grond: bij de Luikse forten en op de K.W.-linie bij ons; niet een moderne mobiele oorlogsvoering zoals Duitsland plande. De maandenlange mobilisatie van honderdduizenden jonge mannen tastte het moreel in het leger duidelijk aan. Verhalen over wantoestanden en zelfs onrechtvaardigheden bij de opgeroepen soldaten deden de ronde. Moeheid en onverschilligheid haalden stilaan de bovenhand bij de militairen en hun thuisfront.

Toen de inval een feit was heerste tijdens de eerste uren vooral onzekerheid. Niet iedereen was onmiddellijk op de hoogte. Privé radiobezit was nog schaars en de berichten van de overheid kwamen laat en dikwijls onvolledig over. De boeren begonnen met het gewone hoevewerk; de pendelaars vertrokken naar hun werk in de stad. De ontnuchtering volgde vlug door de alom vertegenwoordigde Duitse luchtmacht, die de Belgische onmiddellijk uitschakelde, en steden als Leuven genadeloos bombardeerde.

Drastische maatregelen van de Belgische overheid verhoogden de spanning. De scholen sloten, alle mannen tussen zestien en vijfendertig jaar moesten vertrekken naar West-Vlaamse rekruteringscentra. Tegelijkertijd waarschuwde de overheid voor Duitse valschermspringers en saboteurs, de zogenaamde ‘vijfde colonne’, die in het binnenland de komst van de Duitsers moest vergemakkelijken. Verdachte personen werden opgepakt. Onder hen het voormalige schoolhoofd en activist Debondt. Later tijdens de bezetting zal hij het gemeentebestuur beschuldigen aan de basis van zijn aanhouding te hebben gelegen. Alles zorgde voor een ware angstpsychose waaraan de vlugge intocht van het Britse expeditieleger weinig kon verhelpen.

Verhalen

De Belgische radio en kranten verdoezelden aanvankelijk de ernst van de toestand, maar bleven hameren op saboteurs en spionnen. De geruchtenmolen draaide. Mensen vertelden verhalen om zich interessant te maken, om succes te oogsten of omdat men ze gewoon geloofde. Men sprak over Duitse parachutisten gekleed als paters en nonnen die sabotage pleegden. De val van de Luikse forten werd hen toegeschreven.

99909220-oud-reclame-bord-van-pacha-300x225De firma Pacha, producent van cichorei, werd vlug geviseerd. Zij was een grote publiciteitscampagne begonnen met geëmailleerde borden. Het gerucht verspreidde zich dat zij achteraan instructies bevatten voor de ‘vijfde colonne’ en het oprukkende Duitse leger. Op bevel van de Staatsveiligheid moest de politie alle borden controleren. Het heeft nooit wat opgeleverd, maar verhoogde wel de agitatie.

Dan was er op 13 mei een Duitse ‘gasaanval’. Er hing onmiskenbaar overal een gasgeur. Speciale Britse armbanden toonden het gevaar aan. Er werd alarm geslagen. Echt oorlogsgas is er nooit geweest. In Leuven had men de gasvoorraden preventief laten weglopen. Manke communicatie alom!

Het bombardement en de verplichte ontruiming

Het Duitse bombardement van 14 mei gaf aanleiding tot nieuwe verhalen. De ‘vijfde colonne’ zou de vijand hebben gesignaleerd waar de Britse troepen en hun munitie zich bevonden. Daar vielen vooral de bommen. Of had de Duitse luchtmacht gewoon de troepenconcentraties opgemerkt?

De ontruiming van het dorp was verplicht. De grote meerderheid van de bevolking vertrok gewillig omdat de officiële propaganda een schrikwekkend beeld van de vijand verspreidde. De Duitsers zouden dumdumkogels gebruiken die vreselijke wonden veroorzaakten. Vluchtelingen uit het oosten lagen meestal aan de basis van dergelijke geruchten. Ook onder de eigen vluchtelingen circuleerden angstaanjagende vertellingen. Wielerkampioen Jef Scherens zou als spion standrechtelijk zijn geëxecuteerd. Men vertelde dat alle achterblijvers in het dorp waren gefusilleerd. Dit gerucht bevatte een kern van waarheid: in Bertem was door een misverstand een onschuldige man door de Britten geëxecuteerd. Daarenboven werd in sommige groepen voor waar verteld dat alle mannen van vijfendertig tot vijfenveertig jaar zich naar Frankrijk moesten vertrekken. Gevolg was een nieuwe stroom vluchtelingen die vertrok vanuit Brussel en omgeving.

Ook de Britten

De bevelhebber van de Britse troepen in Leefdaal, generaal Brooks, had het over het zenuwachtige optreden en, volgens hem, de kalme aanpak van zijn mannen. Toch bleek hun spreekwoordelijke flegma al aangetast. Na een artillerieduel op 15 mei was zelfs een doorgewinterde beroepsofficier er van overtuigd dat ‘pijlen’ die toevallig in een akker waren geploegd, het werk was van de ‘vijfde colonne’. Ook de Britse commandopost voelde zich verraden door ‘tekens’ in een korenveld. De tragische terechtstelling in Bertem was ongetwijfeld een teken van de onzekerheid.

Epiloog

Deze tekst steunt op een tiental teksten van inwoners uit Leefdaal en op minstens evenveel mondelinge getuigenissen. Alle getuigen waren zeker oprecht. Hun beweringen waren meestal dezelfde als in de omliggende dorpen werd opgetekend. De geruchtenmolen draaide overal (M. Verleyen en M. Demeyer, Mei 1940. België op de vlucht, Brussel, 2010). Toch hebben ernstige studies na de oorlog, vooral van specialisten van het Navorsing- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, uitgemaakt dat weinig geruchten en beweringen op ware feiten berustten. De bezettende Duitse troepen bleken aanvankelijk heel wat minder agressief geweest te zijn dan in 1914.

De pure waarheid kan na ruim zeventig jaar nog moeilijk worden achterhaald. Laat het er ons bij houden dat vele geruchten stoelden op erg uitvergrote feiten.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De kapel van Puttebos – Onze Lieve Vrouw van Gezondheid

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


kapel-puttebos-gerestaureerd-224x300

Fiere buren na de restauratie in 1973
(dia: Willy Brumagne)

Op de noordelijke helling van het smalle, groene Voerdal, langs de grens van Leefdaal met Vossem staat op de berm voor een landelijke woning de kapel van Puttebos. De naam, vroeger Pittebos of Pitsenbos, heeft waarschijnlijk te maken met het Leuvense College van Pitsenburg, dat in de omgeving landerijen bezat.

De oorsprong is onbekend. Misschien hing aanvankelijk alleen een houten kapelletje aan een grenspaal tussen de beide zusterparochies. In 1655 getuigde de pastoor van Leefdaal dat de plaats in de zestiende eeuw als miraculeus gold en dat de kapel op een wonderbare wijze aan de vernieling door de beeldenstormers ontsnapte.

In 1636 is op kosten van enkele plaatselijke vooraanstaanden en van de pastoors van Leefdaal en Duisburg een eenvoudige stenen kapel opgetrokken. De bouw ving aan na de beproevingen van het jaar 1635. Een aftrekkend Frans leger verwoestte de streek en lag aan de basis van een pestepidemie te Vossem en vooral te Leefdaal. In een maand tijd stierf een aanzienlijk deel van de bevolking.

De bewoners van het gehucht Puttebos, dat ver van de parochiekerk lag, dringen dikwijls aan op een nieuw gebouw, waarin een eucharistieviering mogelijk zou zijn. De pastoor van Leefdaal vond het een goed idee.

De huidige kapel is in 1727 gebouwd, zoals aangegeven op een witte steen in het fronton. De opdrachtgeefster was waarschijnlijk Catharina Fernandina van Brouchoven, barones van Leefdaal, die ze bouwen liet als herinnering aan haar vader Jan Baptist, graaf van Bergeyck, de best bekende staatsman van zijn tijd.

puttebos-tegel-300x287

Tegel verkocht ter financiering van de restauratie in 1973

Het gebouwtje bestaat uit een kleine vierkante beuk afgesloten met een driezijdige apsis. Het pronkstuk van het gebouwtje is het lijstgeveltje. Een dergelijke vormgeving is een barokkenmerk. De uitbundigheid van deze stijl is flink getemperd door traditionele elementen. Voor de bouw zijn de gewone streekmaterialen gebruikt: warmrode, met houten gebakken steen verlevendigd met speklagen, hoekkettingen en een fraai boogdeurtje in kalkzandsteen.

Het harmonische samengaan van de verschillende invloeden maakt van de kapel een pareltje van landelijke bouwkunst. Een dergelijk evenwicht van vormgeving en versiering, van elegantie is zelden bereikt in de eenvoudige landelijke bouwsels.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

 

De kerken van de Voervallei

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


Berthem Een Panorama Uitg V Pinoy

De kerken van de Voervallei liggen in het beekdal, maar toch ietwat hoger op een helling. Onze voorouders hadden water nodig, uit de Voer of uit putten, die liefst niet te diep waren. Bouwen vlak naast de beek, die regelmatig overstroomde, deden ze liever niet.

Achthonderd jaar geleden, bij het einde van de romaanse tijd, stonden op het grondgebied van de huidige gemeente Bertem in de Voervallei vier parochiekerken, een meer dan nu. Gerangschikt volgens hun bouwdatum waren dit:

  • De Sint-Veronakapel te Leefdaal, eigenlijk een H. Kruiskerk, met een eerste stenen gebouw uit het jaar 900 ongeveer.
  • De Sint-Pietersbandenkerk van Bertem, gebouwd rond het jaar duizend.
  • De verdwenen Sint-Medarduskapel, eveneens in Bertem, die wat jonger moet zijn geweest.
  • De Sint-Lambertuskerk van Leefdaal, opgetrokken in de twaalfde eeuw.

De H. Kruiskerk te Sint-Verona, of beter Vroeienberg, en de Sint-Medarduskapel waren destijds parochiekerken.

Weinig Vlaamse gemeenten kennen een dergelijke rijkdom. In de Voervallei tussen Tervuren en Leuven stonden nog meer oude bedehuizen. Vossem, dat in de geschiedenis nauw verbonden was met Leefdaal, bezit een fraai kerkje uit het einde van de twaalfde eeuw. Ook te Tervuren bevat de huidige grotendeels gotische kerk nog een gedeelte uit de romaanse tijd en te Heverlee, in het domein van Arenberg, staan de fraai gerestaureerde overblijfselen van de vroegere parochiekerk, eveneens romaans van oorsprong. Deze oude kerken bewijzen met zekerheid dat de streek al vroeg in de geschiedenis vrij dicht bevolkt moet zijn geweest.

De Voervallei is rijk aan romaanse kerken. Zij leken oorspronkelijk erg op elkaar. Zelfs nu kan men gemakkelijk hun familietrekken terugvinden. Zij zijn alle gebouwd in de witgrijze kalkzandsteen die men vroeger overvloedig vond in de streek. De steen bevind zich nog op vele plaatsen in de ondergrond. Het uitgraven en bewerken vraagt helaas te veel werk. Kalkzandsteen is nu te duur als bouwmateriaal.

"De Ste Veronika Kapel"

Bovendien zijn alle kerken in de Voervallei gebouwd volgens hetzelfde model. Nemen wij als voorbeeld de oudste, de Sint-Veronakapel. Als wij haar vergelijken met de andere kerken dan zien wij dat de Sint-Pietersbanden te Bertem op dezelfde wijze is opgetrokken. De toren is aan de westzijde tegen het schip geplakt. Het schip heeft drie beuken. De middenbeuk steekt boven de zijbeuken uit en heeft bovenaan aan elke zijde een rij vensters. Het koor bevindt zich aan de oostzijde tegen het schip. Zelfs het deurtje ten zuiden in de koormuur, dat men het paradijspoortje noemt, bestaat nog. De oorspronkelijke ingang bevond zich in de zuidelijke zijbeuk, maar is later overgebracht naar de toren.

De Sint-Lambertuskerken van Heverlee en Leefdaal en de Sint-Pauluskerk van Vossem hadden vroeger hetzelfde uitzicht. Zij zijn in de loop van de tijd zwaar verbouwd.

Misschien denken sommigen dat dit kerkmodel overal bestaat. Niets is minder waar. Er bestaan maar weinig kerken meer met dergelijke kenmerken. Men noemt ze in de kunstgeschiedenis maasromaanse basilieken.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Sint-Lambertuskerk

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


100_13411De kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood ligt in de hoek gevormd door de Neerijsesteenweg en de Vlieguit, niet ver van het Weebergbos. Zij was altijd voor de bevolking goed bereikbaar op deze samenloop van wegen en toch wat afgelegen. Het maakte rust en bezinning alleen of in kleine groepjes mogelijk. Architecturaal is het een kleine toegankelijke, rechthoekige ruimte naar de mode van de tijd gemetseld met helrode siersteen. Het scherpe, overhangende dak is gedekt met kunstleien. Het gebouwtje is afgesloten met een metalen tweeslagdeur. Het bovenste doorzichtige gedeelte is aan weerszijde versierd met een knielende engelenfiguur. Binnen staat een Mariabeeld op een sokkel met de tekst ‘Boerinnengilde Leefdaal 1937’.

De plaatselijke Boerinnengilde is in 1936 gesticht door Rosine Robberechts, nicht van pastoor Jan-Frans Robberechts, waarschijnlijk in de euforie rond de vijfentwintigste verjaring van de Belgische Boerinnenbond te Leuven. Een jaar later bouwde de nieuwe gilde de kapel. Zij volgde hiermede het voorbeeld van de oudere gilden uit de streek die het jubileum van hun nationale Bond in 1936 vierden met de bouw van een veldkapel toegewijd aan Onze Lieve Vrouw.

Metselaars van de nieuwe kapel waren Francois Smets en Vital Buekenhoudt. Diens vrouw Josephine Moeys en hun dochter Marieke verzekerden jarenlang het onderhoud van de kapel. Mathieu Raedschelders en later Agnes Brumagne-Vandenbosch, naaste buren, namen de taak over.

Aanvankelijk stond de kapel op een vrij klein terrein, omringd door twee wegen en weidse landerijen. Een typische veldkapel met achteraan een lindeboom die vlug het gebouwtje overschaduwde. De boom had een symbolische functie die van heidense oorsprong was. Een lindeboom wees op een hoge vruchtbaarheid van de velden door de vele jonge takken beneden aan de stam. Het hartvormige blad zorgde voor een verwijzing naar de liefde, in dit geval Maria’s liefde voor het volk. Waarschijnlijk waren de bouwers zich niet bewust van deze symboliek, maar volgden zij eenvoudig de traditie.

Het volk gebruikte vlug de kapel om een kaars aan te steken, bloemen te brengen, te bidden, een heel persoonlijke beleving waartoe de parochiekerk minder geschikt werd verondersteld. Zij stond bovendien in de belangstelling bij de viering van Maria-Tenhemelopneming op 15 augustus.

Bij de heraanleg van de Neerijsesteenweg in 1958 is de bocht in de weg uitgevlakt waardoor op gemeentegrond voor de kapel een groter terrein vrijkwam. Tien jaar later, bij de verharding van de Vlieguit, bleek de kapel een belet te zijn voor de vlotte aansluiting met de Neerijsesteenweg. De kosten van de afbraak en de wederopbouw zouden oplopen tot vijfentwintigduizend frank. Het gemeentebestuur vond het bedrag (te) hoog. Veldwachter Staf Vrebos stelde toen voor het gebouwtje in zijn geheel te verplaatsen met behulp van het gemeentepersoneel: Karel Kempenaers, Antoine Machtens en Karel Slagmolders. Hij kreeg de vrije hand.

100_13371Het werd een huzarenstukje. Staf Vrebos bleef het brein achter de operatie. Metalen ‘slekken’, gefabriceerd door smid Karel Huybrechts, moesten het gebouwtje samenhouden. De funderingen werden blootgelegd. Zij lagen gelukkig niet te diep, wat het uitgraven van de nodige sleuf vergemakkelijkte. De verhuis gebeurde op houten ‘bruggen’ (balken). Antoine Machtens trok uiteindelijk met de gemeentetractor het gebouwtje twaalf meter vooruit. Het kwam op gemeentegrond terecht. De operatie bleek een succes. Alleen de vloer van de kapel diende vernieuwd. Het gemeentebestuur bleek wat fier in de verkiezingsperiode van 1969 over de stunt.

De omgeving van de kapel is daarna stemmig ingericht. Een taxushaag omringt het gebouwtje. Zij verbergt enigszins een constructie van de elektriciteitsmaatschappij. Op het voorplein, met een eenvoudige stenen bidbank, staan een achttal geknotte lindebomen. De gemeente belast zich sinds vele jaren met het onderhoud. Werkzaamheden voor de aanleg van een gasleiding hebben een tijd geleden het pleintje in een erbarmelijke staat achtergelaten. Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood kent nog enige verering. Hiervan getuigen de bescheiden offeranden, vooral van kaarsen. Jaarlijks richt de parochie op 15 augustus een bedetocht in naar de kapel.

(Willy Brumagne, met dank aan Georges Brumagne, Antoine Machtens en Staf Vrebos)

Lied ‘Leefdaal vroeger’

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 16 februari 2012 op leefdaal.be.


Ter gelegenheid van de ‘Leefdaalse Avond 2.0’ op 15 februari 2012 bezorgde Maurits Van Houdenhuyse ons een liedtekst die hij schreef over zijn jeugdherinneringen aan Leefdaal, op de melodie van ‘The Last Farewell’ van Roger Whitacker. Wreed en Plezant zongen er een ingekorte versie van vijf strofen van. Met Maurits’ goedkeuring publiceren we de tekst hier integraal.

Leefdaal vroeger

’t Is ogenschijnlijk allemaal lang geleden,
en nu ons jeugd al lang vervlogen is,
wil ik toch even dromen van ’t verleden,
van ’t leven toen, dat ik soms heel erg mis.
Ik wil ook nog eenmaal, in gedachten,
terug gaan naar de harde tijd van toen.
Alles was anders dan,
zo simpel en eenvoudig,
zo doodgewoon als iets maar wezen kan.

Hebde den boerentram nog weten rijden?
Met witte zand zien leuren langs de straat?
Bij Jef van den Bels uw haar nog laten snijden?
Gelachen met de fratsen van Pie den Baard?
Hebde in Polle Woikes zijnen bieteput nog gezeten,
aan ’t brugske naast de kabbelende Voer?
Daar werd tot ’s avonds laat,
gesmoord, gesikt, gezieverd,
gediskuteerd maar ook serieus gepraat.

dabbeljoesie-shoot-008

‘De jongensschool, de halfdeurs-cabinetten’ … of wat ervan overbleef in 1977

De jongensschool, de halfdeurs-cabinetten,
de zinken inhoudsmaten op een schab.
Den Bril, die geniepig aan uw oor kwam trekken,
de wankele treden van de keldertrap.
Soeur Scholastiek en andere vrome Nonnen,
die waakten over ’t vrouwelijke schoon.
De kuisheid en de deugd,
werd er soms ingetimmerd,
tot zieleheil der vrouwelijke jeugd.

In de meimaand gingen we keveroten vangen,
en ’s avonds met zijn allen naar het Lof.
We wisten ook heel goed de pruimen hangen,
op Tobakker[1] en in Vanerum zijnen hof.
Het seksueel gedrag van paard en koeien,
daar hadden we meestal geen problemen mee.
Hoe Adam ’t echter deed
daar moest we naar raden
hoe hij bij Eva in de appel beet.

Als Juul van den Duim aan huis het graan kwam dorsen,
dan hielpen ook de kleine mannen mee.
De schoven graan die waren zwaar om torsen,
maar ’t moest voor onze wekelijkse pree.
De stringen kappen boven op den duvel[2],
de distels, ’t stof, de geuren van den tas.
En na een zware dag,
als we ons gingen wassen,
stoeften we wie van ons de vuilste was.

De zondagsmis, de ellenlange preken,
was voor de meeste knapen toch plezant.
’t Was niet om vroom de Hemel af te smeken,
doch voor de meisjes langs de vrouwenkant.
De Doktoorstraat[3], rustig, afgelegen,
was ’t geliefd ontmoetingsplekske voor de jeugd.
Daar is, geloof gerust,
soms aarzelend en schuchter,
doch meestal toch professioneel gekust.

Den os van Jan, heel sterk maar met veel kuren,
trok met gemak de ploeg en wagens graan.
Ik heb er vaak als kind naar zitten turen,
als ’t stomme beest vertikte voort te gaan.
Jan trok naar huis om zijn gazet te lezen,
dat was het enige dat hij nog kon doen.
Hij liet Cesar op ’t veld,
en ging een tijdje later
eens kijken hoe het met zijn goesting was gesteld.

cafe-geste-station-leefdaal-1024x621

Café ‘De la Station’, ‘bij Geste’. De stoomtram staat voor de deur. Het herenhuis links ervan werd bewoond door de brouwersfamilie De Keyn die het ‘gestebier’ (gerstebier) produceerde.

We kenden allemaal de dorpsfiguren,
en werd er soms wel eens gediscuteerd,
toch waren ’t door den band heel goei geburen
en werd er menig pintje getrakteerd.
Het kegelspel op d’assepist van Jomme[4],
de spiejekbakken in Geste zijn café[5].
De geuren van het veld,
een beerpomp op een mesthoop,
een boer die op bed zijn centen telt.

Sjooske, Jefke Pro, Kattors of Geste,
de Pees, de Floere, Nakke of de Pruim.
Zo kenden ze elkander nog het beste:
Gareel[6], den Biezer, Sommeke of den Duim.
Een bijnaam hebben was toen de gewoonte,
al was er soms wel eens een reukske aan:
den Rotte of de Zot,
den Brèddel of de Schieve,
Juul Kazak, het Vèrreke, Fonge Prot.

De zon die blakert over rode daken,
een orgeltje in Boerke zijn café.
De spelende muziek langs Leefdaals straten,
heel talrijk want eenieder deed toen mee.
De vlag op kop, ’t bestuur, de muzikanten,
het hoempa van den dikke bombardon.
En bij elke sortie
klonk ’t lijfstuk van Tist Loeke:
‘Poliena’ met een valse varkensmie.

Een koeigespan dat dokkert langs de wegen,
de hopen graan in ’t gele stoppelveld.
het piepen van een hek, een goei vlaag regen,
ze kenden ’t weer, ze hadden het voorspeld.
Ik hoor ook nog het tinkelende belleke
van Tiske de Smet zijn glazen winkeldeur.
Nagels in elke maat,
kapbijlen, mussenijzers,
stoofpotten, stuk karbuur en rollekes draad.

En zo, zo hebben w’ons dorpke weten leven,
‘k heb er veel zien komen maar nog meer zien gaan.
Het schone is mij altijd bijgebleven
al is ook voor mij de tijd niet blijven staan.
Dag Pie den Baard, dag Fille, dag Gust, dag Jomme,
ge bouwde de fundamenten van mijn jeugd.
‘k Vergeet u geen van al,
een stukske van mijn leven,
de ziel, de adem van ons Leefdaals dal.

(Johan Morris)

Noten

[1] Tobakker: nu woonwijk Hofakker, voordien een grote fruitboomgaard, eigendom van de kasteelbewoners.
[2] Duvel (of dèsduvel): een vervaarlijk schuddende dorsmachine ter grootte van een volwassen caravan, met riemaandrijving, die ‘het kaf van het koren moest scheiden’.
[3] Doktoorstraat: naar de doktersfamilie Tielemans, die in deze straat woonde. Na de Tweede Wereldoorlog de Armand Devriesestraat geworden.
[4] D’assepist van Jomme: achter het café van Guillaume en Bertha Van Campenhoudt in de Mezenstraat (aan de Voer).
[5] Geste zijn café: onlangs verdwenen witte huis op de hoek van de Mezenstraat en de Tervuursesteenweg, naast de villa van brouwer De Keyn.
[6] Gareel: een verzekeringsmakelaar die nogal makkelijk beloofde dat een ingediend schadegeval tot een financieel interessante regeling zou leiden.

Lambertus, kerkpatroon van Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


Op-een-kier-...-3639

De patroon van de kerk is de heilige aan wie zij is toegewijd. Hij wordt geacht de kerk en de parochie te beschermen. Te Leefdaal is dat Lambertus, geboren rond 638 als lid van de Merovingische aristocratie. Zijn vader vertrouwde hem toe aan Theodard, bisschop van Tongeren-Maastricht. Toen die rond 670 in de omgeving van Speyer werd vermoord, kozen de clerus en de gelovigen, zoals toen gebruikelijk, Lambertus als zijn opvolger. De koning van Austrasië, het oostelijke koninkrijk dat Rijn-, Maas- en Moezelgebied omvatte, bekrachtigde de verkiezing. Hij beschouwde Lambertus als een belangrijke raadgever. Op die wijze raakte de bisschop verwikkeld in een bittere strijd tussen de Merovingische rijksgroten. Hij moest tussen 675 en 682 de wijk nemen naar de abdij van Stavelot. Daarna kon hij zijn bisschoppelijk ambt hernemen. Opnieuw speelde hij een vooraanstaande rol aan het koninklijke hof. Als bisschop trok hij rond met name in Taxandrië, dat wij nu Kempen noemen, om de resten van het oude heidense geloof te bekampen.

Tenslotte verloor Lambertus het leven in een twist om onroerende bezittingen tussen twee rivaliserende clans. Door een gat in een dak trof een moordenaar de bisschop te Luik met een spies toen hij met uitgestrekte armen op de knieën in gebed lag op het graf van zijn voorganger. Lambertus overleed nog dezelfde dag, 17 september van het jaar 704 of 705. Zijn lichaam werd te Maastricht begraven. Op zijn graf en op de plaats van de moord zouden zich zoveel wonderen hebben voorgedaan dat zijn opvolger Hubertus besloot hem, zoals de meeste toenmalige bisschoppen, als heilige te vereren. Hij liet het gebeente naar Luik overbrengen. Boven het graf bouwde hij een nieuwe basiliek. Het overbrengen van de relieken, de translatie, betekende feitelijk de overdracht van de bisschoppelijke zetel naar deze stad.

De levensbeschrijving van Lambertus, de Vita Landiberti, geschreven in 718, maar alleen gekend uit latere kopieën, zegt dat hij een bescheiden en onthechte man was met een christelijke levenswandel. Helaas staan dergelijke hagiografieën, die voor het priesterbrevier waren bestemd, om vele redenen bloot aan historische kritiek. Zij houden soms onvoldoende rekening met de werkelijkheid. Het missioneringswerk in Taxandrië bijvoorbeeld verdient enige twijfel. Het zou kunnen gaan om een latere toevoeging aan de Vita, bedoeld om sommige eisen inzake grondbezit te wettigen. Zeggen wij nog dat de tekst op taalkundig gebied een stadium van anarchie bereikt waarmede weinig andere heiligenlevens kunnen wedijveren.

Vele kerken zijn aan Lambertus toegewijd; in Vlaams-Brabant een tiental. Meestal worden zij gezien als een eerbetoon van Hubertus aan zijn voorganger. Daarbij verliest men uit het oog dat het patroonschap van sommige kerken in verband zou kunnen worden gebracht met twee belangrijke graven van Leuven, Lambert I met de Baard (977-1015) en Lambert II Balderik (1041-1062). Het moet gezegd dat de graven van Leuven, de latere hertogen van Brabant, vele gronden te Leefdaal bezaten.

Lambertus is in Brabant, in tegenstelling met het prinsbisdom Luik en zelf met Oost-Europa, nooit een echt belangrijke volksheilige geworden. Zijn leven, hoe stichtelijk ook, gaf weinig aanleiding tot treffende attributen of legenden. Inzake populariteit is hij vlug overvleugeld door zijn opvolger Hubertus. Lambertus wordt doorgaans gewoon voorgesteld als bisschop, soms met een open boek of een zwaard. Zijn feestdag wordt gevierd op de verjaardag van zijn overlijden.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

26 november 1944: een vliegtuig stort neer

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Een oorlog laat bij vele mensen diepe herinneringen na aan sommige gebeurtenissen. Zo ook de vliegtuigcrash op 26 november 1944 op het ‘Herderinnetje’ te Leefdaal. Het Herderinnetje, of beter ‘A la Bergère’, was eertijds een drank- en dansgelegenheid geweest bij het kasteel. Het lag in de hoek gevormd door de Dreef en de A. Devriesestraat. Het huis was in 1944 eigendom van graaf de Liedekerke en was bewoond door Guillaume en Angèle Brumagne, kinderen van Adolphe, jarenlang jacht- en boswachter van de grafelijke familie.[1]

Eind november 1944 was Leefdaal bijna drie maand bevrijd, maar de oorlog was niet gedaan. Regelmatig bevlogen geallieerde vliegtuigen het dorp op weg naar of terugkerend van Duitsland.

Het was zondag en mooi weer. Rond twee uur in de namiddag naderde een vliegtuig uit oostelijke richting het dorp. Het verloor zichtbaar hoogte en, duidelijk onbestuurbaar, begon het een cirkelvormige glijvlucht boven het Voerdal. De zeven bemanningsleden konden zich, op een na die te Leuven verongelukte, redden met hun valscherm. Twee onder hen landden in het dorp.

De verbijsterde toeschouwers vreesden het ergste voor het kasteel, voor de kerk, voor de dorpskern. Uiteindelijk raakte het vliegtuig de kruinen van het Voerbosje bij de Boskee en stortte neer op de zuidelijke vleugel van het Herderinnetje. Een enorme brand volgde.

Noch de toegestroomde menigte, noch later de brandweer konden het vuur onder controle krijgen. Het gebouw brandde volledig uit. Alleen enkele muurstompen bleven recht, maar zouden tijdens de volgende dagen en weken neervallen. Uit het puin kon nauwelijks wat worden gerecupereerd. Het huis is nooit heropgebouwd. Voor de bewoners was het een ramp. Gelukkig vielen geen slachtoffers. Angèle Brumagne was alleen thuis. Zij bevond zich in de keuken aan de noordzijde en kon ontsnappen langs een laag venster.

Verschillende personen kwamen vlug ter hulp. Onder hen Georges en vooral Robert Veeckmans, naaste buren, samen met Engelse militairen, waaronder Peter Lasberg uit Falmouth (Cornwall). De soldaten vreesden dat zich in het brandende huis nog kinderen ophielden en trachtten met een ladder de verdieping te bereiken. De vlammen dwongen hen vlug terug te keren.

Het neergestorte toestel was een Amerikaans bombardementsvliegtuig van het type B-24 Liberator. Het keerde terug van een mislukte raid op Misburg, aan de oostkant van Hannover, waar raffinaderijen en chemische fabrieken het doelwit waren. De begeleidende Mustangjagers werden afgeleid door Duitse jachtvliegtuigen, die het bombardeereskader erg toetakelden.

Het leidinggevende toestel zag zich gedwongen zijn bommen ijlings te laten vallen, de andere volgenden. Een aantal onder hen trachtten nog de geallieerde linies te bereiken. Twee van hen ‘verdwenen’ boven België. Een van hen bleek later te Leefdaal zijn neergestort. De bemanning dacht aanvankelijk zich nog boven de vijandelijke zone te bevinden.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

[1] Willy Brumagne was de kleinzoon van Adolphe en neef van Guillaume en Angèle.

De geschiedenis van Knepper de Bas, volksheld

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 3 februari 2008 op leefdaal.be.


IMG_9595

Het beeldje van Knepper de Bas (foto: Bert Bertels, 2010)

Wie hij was is niet erg duidelijk. De moeder van Heinke Wouters, die in 1864 was geboren, zou vaak hebben verteld van nonkel ‘Godske’, die de ware Knepper zou zijn geweest. Anderen spraken van Lammeke Godts, wat doet denken aan ene Guillam (Guillaume, Willem) Godts, uit een familie die sinds de late achttiende eeuw in Leefdaal woonde. Maar officiële papieren bevestigen deze veronderstelling niet. Een speurtocht in de registers van de burgerlijke stand en zelfs in de oude kerkelijke registers, leverde geen resultaat op. Geen Guillam Godts te vinden.[1]

Wat Knepper de Bas was is overduidelijk: een kleine, gebochelde man die floot als een vogel, in de bomen klom als een aap, olmen- en wilgenbladeren plukte als koeienvoer en op de basviool speelde als geen andere. Hij vrolijkte alle feesten op in de omgeving en raakte zo aan zijn schamel kostje. Hij was de volksheld, een ‘knepper’, wat in het dialect ‘volwassen kalf’ betekende, maar hier ‘kranige vent’. Alles wel beschouwd – bladeren plukken, spelen op de basviool en de armoede – leefde Knepper de Bas waarschijnlijk midden de negentiende eeuw.

knepper-de-bas-300x226-1

Het refrein van het Lied van Knepper de Bas, opgetekend rond 1970.

Wat ook vaststaat is dat Knepper de Bas woonde in de Coige – of ‘Kutse’, wie zal het zeggen? – het gehucht in het noordwesten van Leefdaal, nu ook van de gemeente Bertem. Coige lag lange tijd wat geïsoleerd van de andere woonkernen. Het was gegroeid rond het Coigehof. De pachters van het bedrijf waren de bazen van het gehucht. Alle andere bewoners waren eenvoudige, arme mensen die hard moesten werken voor hun dagelijks minikostje. Hun ontspanning bestond voornamelijk uit herbergbezoek. Er waren vele cafés in de Coige op het einde van de negentiende eeuw.

Het was de periode waarin overal gezelligheidsverenigingen zijn opgericht. Ook het kleine Coige wilde zijn ‘sociëteit’. Oprichters waren in 1890 Heinke Wouters en Jozef Vander Elst. Men besloot de vereniging ‘Knepper de Bas’ te noemen als herinnering aan de vroegere volksheld. Hij werd, in de vorm van een pleisteren beeld, de mascotte van de wijk.

De vereniging kende in de loop van zijn bestaan hoogten en laagten, maar hield stand. Na de wapenstilstand van 1918 werd het beeldje uit de kelder gehaald waar het was verzeild. Het werd bijzonder mooi versierd rondgereden in het gehucht. Het ware hoogtepunt kwam na de Tweede Wereldoorlog. Het oude beeldje was tijdens de oorlog gebroken. Hubert Weigantt – of was het Albert Van Meerbeeck? – schiep in 1947 een nieuw. Het werd gevierd met een groot feest. Tien muziekmaatschappijen uit de omgeving luisterden het op. Nooit was er zoveel volk, en zoveel lawaai, in de Coige. De tekst van een ‘Lied van Knepper de Bas’ werd rondgedeeld en een boogschuttersvereniging kreeg zijn naam.

Wijkkermissen werden ingericht op de tweede zondag van juli en oktober. Met het versierde beeldje van Knepper op een stootkar toerde men op die dagen rond van café naar café. In 1957 is het beeldje in stoet overgebracht van de herberg van Heinke Wouters, die sloot, naar die van Louis Van Herck bij ‘het Konijn’.

680815 foto Knepper en

Knepper in 1968

Het beeldje deed in 1968 een triomfantelijke intrede op de Vlaamse kermis in Leefdaal ter financiering van het Parochiaal Centrum. Zo leverde de oude volkskunstenaar nog een late gewaardeerde bijdrage aan het culturele leven van zijn parochie. In 1970 kreeg het beeld als dank hiervoor een nieuw zijden pak van juffrouw Lea Antognoli, de oprichtster van de seniorenbond van Leefdaal.

Maar, men kan het niet ontkennen, het werd langzaam wat stil rond Knepper. De boogschuttersvereniging werd ontbonden; het café van Louis Van Herck, het laatste in de Coige, sloot de deuren. Tot in 1970 F.C. Knepper als voetbalploeg startte. Men noemde het een caféploeg, maar zij kende succes. Vijf jaar later bouwde de wijk voor haar ploeg een kantine, de nieuwe thuis van Knepper, het beeld van de voetbalploeg. Zij deed tevens dienst als de toch wel noodzakelijke dorpsherberg.

In 1976 startte F.C. Knepper, als eerste van de streek, met een damesploeg. Het werd aanvankelijk een megasucces. De jongens speelden dat seizoen hun eerste competitiewedstrijd. In het seizoen 1981-1982 werden zij kampioen in de derde gewestelijke afdeling. De kantine kreeg een opknapbreuk in 1988. Zij bleef het middelpunt van het wijkleven. Helaas betekende 2005 het einde van de damesploeg: gelukkig niet van Knepper de Bas als volksheld.

(Willy Brumagne, met dank aan Julien Van Loock)

[1] In 2013 ontdekte Johan Morris dat een Guillaume Godts in Bertem werd gedoopt op 24 december 1703 als kind van Simeon Godts en Maria Dewit. Zie hierover: http://www.wreed-en-plezant.be/wrdprs/2013/03/knepper-de-bas/

Moderne schuttersverenigingen te Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


schutter1In de twintigste eeuw ontstonden schutters(sport)verenigingen die zich, vrijwel los van de oude gilden, toelegden op het prestatieschieten, dat wil zeggen het behalen van de best mogelijke resultaten bij het wipschieten. Zij hebben een grote invloed gehad op de technische ontwikkeling van de handboog tot een hoogwaardig precisie-instrument.

Al in 1904 bestond een schuttersvereniging te Leefdaal onder de naam Blankaertschutters. Hun wip stond op de wijk Blankaart in een weide van de familie De Keyn. Elk jaar organiseerden zij een teerfeest en voor hun financiering een concert. Een koor van een dertigtal gelegenheidszangers opende het feest met een lied geschreven en getoonzet door Louis Michiels.[1]

De geografische inplanting van het terrein en de identiteit van de gekende betrokken personen laten vermoeden dat het een vereniging was die aanleunde bij de Filharmonie. De Eerste Wereldoorlog betekende waarschijnlijk haar einde. De ijzeren wip werd rond 1924 verkocht.

In 1926 werd uiteindelijk een Onafhankelijke wipmaatschappij gesticht, onafhankelijk want bestaande uit supporters van de beide muziekverenigingen. Tot 1940 bleef het een zuiver plaatselijke sportvereniging, die niet aansloot bij enige nationale of gewestelijke bond.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de vereniging lid van de Nationale Bond der Wipschutters. Zij kende een grote bloei. Verschillende van haar leden behaalden prijzen op nationaal vlak.

Op dit ogenblik (2010) telt de maatschappij ongeveer zeventien leden, waarvan er een twaalftal deelnemen aan schutterswedstrijden. Zij beschikt over een eenvoudig clublokaal en twee staande metalen wippen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

[1] Het lied van de Blankaartschutters gaat als volgt:

Beste vrienden, Blankaartschutters,
het is vandaag ons groote feest
dat wij vieren al te gader
door zang en vreugd’ om het meest.
Laat onz’ stemmen blijde klinken
over dal, in veld en bosch,
laat de vreugde ons omringen
vandaag schieten w’er op los.

Refrein:
Wij zijn wippen, Blankaartschutters,
’t wipschieten is ons vermaak.
Als de pijl snort van de peze,
omhoog naar den ijz’ren staak,
ach, hoe popelt dan ons herte
als hij raakt den ijz’ren prang
en velt hij den hoogsten vogel
dan is het gejoel, gezang.
Want ons wipke en ons boogske
zijn zoo zeer van ons bemind
en ons pijlke en ons vogelke
zijn bei onzen besten vriend.

Zie de wip daar ginder pralen
hoog verheven in de lucht,
weerkaatst in de zonnestralen
gelijkend op een vogelvlucht.
Zie dien schonen, trotsen hooge
prijkend in den hoogsten top
en de kal’kes van terzijde
steken fier hun koppe op!

Zie daar komen vele mannen
met hun boog en pijl in d’hand
om den prijskamp te beginnen,
den hooge doen bijten in ’t zand.
Het commando wordt gegeven
Klits! Klets! Boem! Daar valt hij neer!
Nu is deze hand’ge schutter
op de aard een koning meer!

Zeek’ren zondag sprak een schutter
“‘k Ga eens schieten”, tot zijn vrouw,
“zeker is ’t dat ik den hooge
van zijn ijz’ren stengel houw!”
’s Avonds vroeg zijn vrouwtje seffens:
“Zeg, manlief, hebt gij nu iets?”
“Och, Fientje”, sprak hij gans beteuterd,
“‘k Schiet schoon, ‘k schiet goed doch … ik schiet niets.”

Nu voor ’t laatste, beste vrienden,
‘k schei er met m’n dichten uit.
‘k Hoop dat ’t ieder zal bevallen,
zoniet, zeg het dan maar luid.
Wilt gij een “Bravo” mij geven,
klap dan allen in de hand,
dan ben ik, met de Blankaartschutters,
zeer tevreden en plezant.

(bron: http://jefkes.be/wrdpr/?p=393)