De kerken van de Voervallei

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


Berthem Een Panorama Uitg V Pinoy

De kerken van de Voervallei liggen in het beekdal, maar toch ietwat hoger op een helling. Onze voorouders hadden water nodig, uit de Voer of uit putten, die liefst niet te diep waren. Bouwen vlak naast de beek, die regelmatig overstroomde, deden ze liever niet.

Achthonderd jaar geleden, bij het einde van de romaanse tijd, stonden op het grondgebied van de huidige gemeente Bertem in de Voervallei vier parochiekerken, een meer dan nu. Gerangschikt volgens hun bouwdatum waren dit:

  • De Sint-Veronakapel te Leefdaal, eigenlijk een H. Kruiskerk, met een eerste stenen gebouw uit het jaar 900 ongeveer.
  • De Sint-Pietersbandenkerk van Bertem, gebouwd rond het jaar duizend.
  • De verdwenen Sint-Medarduskapel, eveneens in Bertem, die wat jonger moet zijn geweest.
  • De Sint-Lambertuskerk van Leefdaal, opgetrokken in de twaalfde eeuw.

De H. Kruiskerk te Sint-Verona, of beter Vroeienberg, en de Sint-Medarduskapel waren destijds parochiekerken.

Weinig Vlaamse gemeenten kennen een dergelijke rijkdom. In de Voervallei tussen Tervuren en Leuven stonden nog meer oude bedehuizen. Vossem, dat in de geschiedenis nauw verbonden was met Leefdaal, bezit een fraai kerkje uit het einde van de twaalfde eeuw. Ook te Tervuren bevat de huidige grotendeels gotische kerk nog een gedeelte uit de romaanse tijd en te Heverlee, in het domein van Arenberg, staan de fraai gerestaureerde overblijfselen van de vroegere parochiekerk, eveneens romaans van oorsprong. Deze oude kerken bewijzen met zekerheid dat de streek al vroeg in de geschiedenis vrij dicht bevolkt moet zijn geweest.

De Voervallei is rijk aan romaanse kerken. Zij leken oorspronkelijk erg op elkaar. Zelfs nu kan men gemakkelijk hun familietrekken terugvinden. Zij zijn alle gebouwd in de witgrijze kalkzandsteen die men vroeger overvloedig vond in de streek. De steen bevind zich nog op vele plaatsen in de ondergrond. Het uitgraven en bewerken vraagt helaas te veel werk. Kalkzandsteen is nu te duur als bouwmateriaal.

"De Ste Veronika Kapel"

Bovendien zijn alle kerken in de Voervallei gebouwd volgens hetzelfde model. Nemen wij als voorbeeld de oudste, de Sint-Veronakapel. Als wij haar vergelijken met de andere kerken dan zien wij dat de Sint-Pietersbanden te Bertem op dezelfde wijze is opgetrokken. De toren is aan de westzijde tegen het schip geplakt. Het schip heeft drie beuken. De middenbeuk steekt boven de zijbeuken uit en heeft bovenaan aan elke zijde een rij vensters. Het koor bevindt zich aan de oostzijde tegen het schip. Zelfs het deurtje ten zuiden in de koormuur, dat men het paradijspoortje noemt, bestaat nog. De oorspronkelijke ingang bevond zich in de zuidelijke zijbeuk, maar is later overgebracht naar de toren.

De Sint-Lambertuskerken van Heverlee en Leefdaal en de Sint-Pauluskerk van Vossem hadden vroeger hetzelfde uitzicht. Zij zijn in de loop van de tijd zwaar verbouwd.

Misschien denken sommigen dat dit kerkmodel overal bestaat. Niets is minder waar. Er bestaan maar weinig kerken meer met dergelijke kenmerken. Men noemt ze in de kunstgeschiedenis maasromaanse basilieken.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Sint-Lambertuskerk

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


100_13411De kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood ligt in de hoek gevormd door de Neerijsesteenweg en de Vlieguit, niet ver van het Weebergbos. Zij was altijd voor de bevolking goed bereikbaar op deze samenloop van wegen en toch wat afgelegen. Het maakte rust en bezinning alleen of in kleine groepjes mogelijk. Architecturaal is het een kleine toegankelijke, rechthoekige ruimte naar de mode van de tijd gemetseld met helrode siersteen. Het scherpe, overhangende dak is gedekt met kunstleien. Het gebouwtje is afgesloten met een metalen tweeslagdeur. Het bovenste doorzichtige gedeelte is aan weerszijde versierd met een knielende engelenfiguur. Binnen staat een Mariabeeld op een sokkel met de tekst ‘Boerinnengilde Leefdaal 1937’.

De plaatselijke Boerinnengilde is in 1936 gesticht door Rosine Robberechts, nicht van pastoor Jan-Frans Robberechts, waarschijnlijk in de euforie rond de vijfentwintigste verjaring van de Belgische Boerinnenbond te Leuven. Een jaar later bouwde de nieuwe gilde de kapel. Zij volgde hiermede het voorbeeld van de oudere gilden uit de streek die het jubileum van hun nationale Bond in 1936 vierden met de bouw van een veldkapel toegewijd aan Onze Lieve Vrouw.

Metselaars van de nieuwe kapel waren Francois Smets en Vital Buekenhoudt. Diens vrouw Josephine Moeys en hun dochter Marieke verzekerden jarenlang het onderhoud van de kapel. Mathieu Raedschelders en later Agnes Brumagne-Vandenbosch, naaste buren, namen de taak over.

Aanvankelijk stond de kapel op een vrij klein terrein, omringd door twee wegen en weidse landerijen. Een typische veldkapel met achteraan een lindeboom die vlug het gebouwtje overschaduwde. De boom had een symbolische functie die van heidense oorsprong was. Een lindeboom wees op een hoge vruchtbaarheid van de velden door de vele jonge takken beneden aan de stam. Het hartvormige blad zorgde voor een verwijzing naar de liefde, in dit geval Maria’s liefde voor het volk. Waarschijnlijk waren de bouwers zich niet bewust van deze symboliek, maar volgden zij eenvoudig de traditie.

Het volk gebruikte vlug de kapel om een kaars aan te steken, bloemen te brengen, te bidden, een heel persoonlijke beleving waartoe de parochiekerk minder geschikt werd verondersteld. Zij stond bovendien in de belangstelling bij de viering van Maria-Tenhemelopneming op 15 augustus.

Bij de heraanleg van de Neerijsesteenweg in 1958 is de bocht in de weg uitgevlakt waardoor op gemeentegrond voor de kapel een groter terrein vrijkwam. Tien jaar later, bij de verharding van de Vlieguit, bleek de kapel een belet te zijn voor de vlotte aansluiting met de Neerijsesteenweg. De kosten van de afbraak en de wederopbouw zouden oplopen tot vijfentwintigduizend frank. Het gemeentebestuur vond het bedrag (te) hoog. Veldwachter Staf Vrebos stelde toen voor het gebouwtje in zijn geheel te verplaatsen met behulp van het gemeentepersoneel: Karel Kempenaers, Antoine Machtens en Karel Slagmolders. Hij kreeg de vrije hand.

100_13371Het werd een huzarenstukje. Staf Vrebos bleef het brein achter de operatie. Metalen ‘slekken’, gefabriceerd door smid Karel Huybrechts, moesten het gebouwtje samenhouden. De funderingen werden blootgelegd. Zij lagen gelukkig niet te diep, wat het uitgraven van de nodige sleuf vergemakkelijkte. De verhuis gebeurde op houten ‘bruggen’ (balken). Antoine Machtens trok uiteindelijk met de gemeentetractor het gebouwtje twaalf meter vooruit. Het kwam op gemeentegrond terecht. De operatie bleek een succes. Alleen de vloer van de kapel diende vernieuwd. Het gemeentebestuur bleek wat fier in de verkiezingsperiode van 1969 over de stunt.

De omgeving van de kapel is daarna stemmig ingericht. Een taxushaag omringt het gebouwtje. Zij verbergt enigszins een constructie van de elektriciteitsmaatschappij. Op het voorplein, met een eenvoudige stenen bidbank, staan een achttal geknotte lindebomen. De gemeente belast zich sinds vele jaren met het onderhoud. Werkzaamheden voor de aanleg van een gasleiding hebben een tijd geleden het pleintje in een erbarmelijke staat achtergelaten. Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood kent nog enige verering. Hiervan getuigen de bescheiden offeranden, vooral van kaarsen. Jaarlijks richt de parochie op 15 augustus een bedetocht in naar de kapel.

(Willy Brumagne, met dank aan Georges Brumagne, Antoine Machtens en Staf Vrebos)

Lied ‘Leefdaal vroeger’

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 16 februari 2012 op leefdaal.be.


Ter gelegenheid van de ‘Leefdaalse Avond 2.0’ op 15 februari 2012 bezorgde Maurits Van Houdenhuyse ons een liedtekst die hij schreef over zijn jeugdherinneringen aan Leefdaal, op de melodie van ‘The Last Farewell’ van Roger Whitacker. Wreed en Plezant zongen er een ingekorte versie van vijf strofen van. Met Maurits’ goedkeuring publiceren we de tekst hier integraal.

Leefdaal vroeger

’t Is ogenschijnlijk allemaal lang geleden,
en nu ons jeugd al lang vervlogen is,
wil ik toch even dromen van ’t verleden,
van ’t leven toen, dat ik soms heel erg mis.
Ik wil ook nog eenmaal, in gedachten,
terug gaan naar de harde tijd van toen.
Alles was anders dan,
zo simpel en eenvoudig,
zo doodgewoon als iets maar wezen kan.

Hebde den boerentram nog weten rijden?
Met witte zand zien leuren langs de straat?
Bij Jef van den Bels uw haar nog laten snijden?
Gelachen met de fratsen van Pie den Baard?
Hebde in Polle Woikes zijnen bieteput nog gezeten,
aan ’t brugske naast de kabbelende Voer?
Daar werd tot ’s avonds laat,
gesmoord, gesikt, gezieverd,
gediskuteerd maar ook serieus gepraat.

dabbeljoesie-shoot-008

‘De jongensschool, de halfdeurs-cabinetten’ … of wat ervan overbleef in 1977

De jongensschool, de halfdeurs-cabinetten,
de zinken inhoudsmaten op een schab.
Den Bril, die geniepig aan uw oor kwam trekken,
de wankele treden van de keldertrap.
Soeur Scholastiek en andere vrome Nonnen,
die waakten over ’t vrouwelijke schoon.
De kuisheid en de deugd,
werd er soms ingetimmerd,
tot zieleheil der vrouwelijke jeugd.

In de meimaand gingen we keveroten vangen,
en ’s avonds met zijn allen naar het Lof.
We wisten ook heel goed de pruimen hangen,
op Tobakker[1] en in Vanerum zijnen hof.
Het seksueel gedrag van paard en koeien,
daar hadden we meestal geen problemen mee.
Hoe Adam ’t echter deed
daar moest we naar raden
hoe hij bij Eva in de appel beet.

Als Juul van den Duim aan huis het graan kwam dorsen,
dan hielpen ook de kleine mannen mee.
De schoven graan die waren zwaar om torsen,
maar ’t moest voor onze wekelijkse pree.
De stringen kappen boven op den duvel[2],
de distels, ’t stof, de geuren van den tas.
En na een zware dag,
als we ons gingen wassen,
stoeften we wie van ons de vuilste was.

De zondagsmis, de ellenlange preken,
was voor de meeste knapen toch plezant.
’t Was niet om vroom de Hemel af te smeken,
doch voor de meisjes langs de vrouwenkant.
De Doktoorstraat[3], rustig, afgelegen,
was ’t geliefd ontmoetingsplekske voor de jeugd.
Daar is, geloof gerust,
soms aarzelend en schuchter,
doch meestal toch professioneel gekust.

Den os van Jan, heel sterk maar met veel kuren,
trok met gemak de ploeg en wagens graan.
Ik heb er vaak als kind naar zitten turen,
als ’t stomme beest vertikte voort te gaan.
Jan trok naar huis om zijn gazet te lezen,
dat was het enige dat hij nog kon doen.
Hij liet Cesar op ’t veld,
en ging een tijdje later
eens kijken hoe het met zijn goesting was gesteld.

cafe-geste-station-leefdaal-1024x621

Café ‘De la Station’, ‘bij Geste’. De stoomtram staat voor de deur. Het herenhuis links ervan werd bewoond door de brouwersfamilie De Keyn die het ‘gestebier’ (gerstebier) produceerde.

We kenden allemaal de dorpsfiguren,
en werd er soms wel eens gediscuteerd,
toch waren ’t door den band heel goei geburen
en werd er menig pintje getrakteerd.
Het kegelspel op d’assepist van Jomme[4],
de spiejekbakken in Geste zijn café[5].
De geuren van het veld,
een beerpomp op een mesthoop,
een boer die op bed zijn centen telt.

Sjooske, Jefke Pro, Kattors of Geste,
de Pees, de Floere, Nakke of de Pruim.
Zo kenden ze elkander nog het beste:
Gareel[6], den Biezer, Sommeke of den Duim.
Een bijnaam hebben was toen de gewoonte,
al was er soms wel eens een reukske aan:
den Rotte of de Zot,
den Brèddel of de Schieve,
Juul Kazak, het Vèrreke, Fonge Prot.

De zon die blakert over rode daken,
een orgeltje in Boerke zijn café.
De spelende muziek langs Leefdaals straten,
heel talrijk want eenieder deed toen mee.
De vlag op kop, ’t bestuur, de muzikanten,
het hoempa van den dikke bombardon.
En bij elke sortie
klonk ’t lijfstuk van Tist Loeke:
‘Poliena’ met een valse varkensmie.

Een koeigespan dat dokkert langs de wegen,
de hopen graan in ’t gele stoppelveld.
het piepen van een hek, een goei vlaag regen,
ze kenden ’t weer, ze hadden het voorspeld.
Ik hoor ook nog het tinkelende belleke
van Tiske de Smet zijn glazen winkeldeur.
Nagels in elke maat,
kapbijlen, mussenijzers,
stoofpotten, stuk karbuur en rollekes draad.

En zo, zo hebben w’ons dorpke weten leven,
‘k heb er veel zien komen maar nog meer zien gaan.
Het schone is mij altijd bijgebleven
al is ook voor mij de tijd niet blijven staan.
Dag Pie den Baard, dag Fille, dag Gust, dag Jomme,
ge bouwde de fundamenten van mijn jeugd.
‘k Vergeet u geen van al,
een stukske van mijn leven,
de ziel, de adem van ons Leefdaals dal.

(Johan Morris)

Noten

[1] Tobakker: nu woonwijk Hofakker, voordien een grote fruitboomgaard, eigendom van de kasteelbewoners.
[2] Duvel (of dèsduvel): een vervaarlijk schuddende dorsmachine ter grootte van een volwassen caravan, met riemaandrijving, die ‘het kaf van het koren moest scheiden’.
[3] Doktoorstraat: naar de doktersfamilie Tielemans, die in deze straat woonde. Na de Tweede Wereldoorlog de Armand Devriesestraat geworden.
[4] D’assepist van Jomme: achter het café van Guillaume en Bertha Van Campenhoudt in de Mezenstraat (aan de Voer).
[5] Geste zijn café: onlangs verdwenen witte huis op de hoek van de Mezenstraat en de Tervuursesteenweg, naast de villa van brouwer De Keyn.
[6] Gareel: een verzekeringsmakelaar die nogal makkelijk beloofde dat een ingediend schadegeval tot een financieel interessante regeling zou leiden.

Lambertus, kerkpatroon van Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


Op-een-kier-...-3639

De patroon van de kerk is de heilige aan wie zij is toegewijd. Hij wordt geacht de kerk en de parochie te beschermen. Te Leefdaal is dat Lambertus, geboren rond 638 als lid van de Merovingische aristocratie. Zijn vader vertrouwde hem toe aan Theodard, bisschop van Tongeren-Maastricht. Toen die rond 670 in de omgeving van Speyer werd vermoord, kozen de clerus en de gelovigen, zoals toen gebruikelijk, Lambertus als zijn opvolger. De koning van Austrasië, het oostelijke koninkrijk dat Rijn-, Maas- en Moezelgebied omvatte, bekrachtigde de verkiezing. Hij beschouwde Lambertus als een belangrijke raadgever. Op die wijze raakte de bisschop verwikkeld in een bittere strijd tussen de Merovingische rijksgroten. Hij moest tussen 675 en 682 de wijk nemen naar de abdij van Stavelot. Daarna kon hij zijn bisschoppelijk ambt hernemen. Opnieuw speelde hij een vooraanstaande rol aan het koninklijke hof. Als bisschop trok hij rond met name in Taxandrië, dat wij nu Kempen noemen, om de resten van het oude heidense geloof te bekampen.

Tenslotte verloor Lambertus het leven in een twist om onroerende bezittingen tussen twee rivaliserende clans. Door een gat in een dak trof een moordenaar de bisschop te Luik met een spies toen hij met uitgestrekte armen op de knieën in gebed lag op het graf van zijn voorganger. Lambertus overleed nog dezelfde dag, 17 september van het jaar 704 of 705. Zijn lichaam werd te Maastricht begraven. Op zijn graf en op de plaats van de moord zouden zich zoveel wonderen hebben voorgedaan dat zijn opvolger Hubertus besloot hem, zoals de meeste toenmalige bisschoppen, als heilige te vereren. Hij liet het gebeente naar Luik overbrengen. Boven het graf bouwde hij een nieuwe basiliek. Het overbrengen van de relieken, de translatie, betekende feitelijk de overdracht van de bisschoppelijke zetel naar deze stad.

De levensbeschrijving van Lambertus, de Vita Landiberti, geschreven in 718, maar alleen gekend uit latere kopieën, zegt dat hij een bescheiden en onthechte man was met een christelijke levenswandel. Helaas staan dergelijke hagiografieën, die voor het priesterbrevier waren bestemd, om vele redenen bloot aan historische kritiek. Zij houden soms onvoldoende rekening met de werkelijkheid. Het missioneringswerk in Taxandrië bijvoorbeeld verdient enige twijfel. Het zou kunnen gaan om een latere toevoeging aan de Vita, bedoeld om sommige eisen inzake grondbezit te wettigen. Zeggen wij nog dat de tekst op taalkundig gebied een stadium van anarchie bereikt waarmede weinig andere heiligenlevens kunnen wedijveren.

Vele kerken zijn aan Lambertus toegewijd; in Vlaams-Brabant een tiental. Meestal worden zij gezien als een eerbetoon van Hubertus aan zijn voorganger. Daarbij verliest men uit het oog dat het patroonschap van sommige kerken in verband zou kunnen worden gebracht met twee belangrijke graven van Leuven, Lambert I met de Baard (977-1015) en Lambert II Balderik (1041-1062). Het moet gezegd dat de graven van Leuven, de latere hertogen van Brabant, vele gronden te Leefdaal bezaten.

Lambertus is in Brabant, in tegenstelling met het prinsbisdom Luik en zelf met Oost-Europa, nooit een echt belangrijke volksheilige geworden. Zijn leven, hoe stichtelijk ook, gaf weinig aanleiding tot treffende attributen of legenden. Inzake populariteit is hij vlug overvleugeld door zijn opvolger Hubertus. Lambertus wordt doorgaans gewoon voorgesteld als bisschop, soms met een open boek of een zwaard. Zijn feestdag wordt gevierd op de verjaardag van zijn overlijden.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

26 november 1944: een vliegtuig stort neer

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Een oorlog laat bij vele mensen diepe herinneringen na aan sommige gebeurtenissen. Zo ook de vliegtuigcrash op 26 november 1944 op het ‘Herderinnetje’ te Leefdaal. Het Herderinnetje, of beter ‘A la Bergère’, was eertijds een drank- en dansgelegenheid geweest bij het kasteel. Het lag in de hoek gevormd door de Dreef en de A. Devriesestraat. Het huis was in 1944 eigendom van graaf de Liedekerke en was bewoond door Guillaume en Angèle Brumagne, kinderen van Adolphe, jarenlang jacht- en boswachter van de grafelijke familie.[1]

Eind november 1944 was Leefdaal bijna drie maand bevrijd, maar de oorlog was niet gedaan. Regelmatig bevlogen geallieerde vliegtuigen het dorp op weg naar of terugkerend van Duitsland.

Het was zondag en mooi weer. Rond twee uur in de namiddag naderde een vliegtuig uit oostelijke richting het dorp. Het verloor zichtbaar hoogte en, duidelijk onbestuurbaar, begon het een cirkelvormige glijvlucht boven het Voerdal. De zeven bemanningsleden konden zich, op een na die te Leuven verongelukte, redden met hun valscherm. Twee onder hen landden in het dorp.

De verbijsterde toeschouwers vreesden het ergste voor het kasteel, voor de kerk, voor de dorpskern. Uiteindelijk raakte het vliegtuig de kruinen van het Voerbosje bij de Boskee en stortte neer op de zuidelijke vleugel van het Herderinnetje. Een enorme brand volgde.

Noch de toegestroomde menigte, noch later de brandweer konden het vuur onder controle krijgen. Het gebouw brandde volledig uit. Alleen enkele muurstompen bleven recht, maar zouden tijdens de volgende dagen en weken neervallen. Uit het puin kon nauwelijks wat worden gerecupereerd. Het huis is nooit heropgebouwd. Voor de bewoners was het een ramp. Gelukkig vielen geen slachtoffers. Angèle Brumagne was alleen thuis. Zij bevond zich in de keuken aan de noordzijde en kon ontsnappen langs een laag venster.

Verschillende personen kwamen vlug ter hulp. Onder hen Georges en vooral Robert Veeckmans, naaste buren, samen met Engelse militairen, waaronder Peter Lasberg uit Falmouth (Cornwall). De soldaten vreesden dat zich in het brandende huis nog kinderen ophielden en trachtten met een ladder de verdieping te bereiken. De vlammen dwongen hen vlug terug te keren.

Het neergestorte toestel was een Amerikaans bombardementsvliegtuig van het type B-24 Liberator. Het keerde terug van een mislukte raid op Misburg, aan de oostkant van Hannover, waar raffinaderijen en chemische fabrieken het doelwit waren. De begeleidende Mustangjagers werden afgeleid door Duitse jachtvliegtuigen, die het bombardeereskader erg toetakelden.

Het leidinggevende toestel zag zich gedwongen zijn bommen ijlings te laten vallen, de andere volgenden. Een aantal onder hen trachtten nog de geallieerde linies te bereiken. Twee van hen ‘verdwenen’ boven België. Een van hen bleek later te Leefdaal zijn neergestort. De bemanning dacht aanvankelijk zich nog boven de vijandelijke zone te bevinden.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

[1] Willy Brumagne was de kleinzoon van Adolphe en neef van Guillaume en Angèle.

De geschiedenis van Knepper de Bas, volksheld

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 3 februari 2008 op leefdaal.be.


IMG_9595

Het beeldje van Knepper de Bas (foto: Bert Bertels, 2010)

Wie hij was is niet erg duidelijk. De moeder van Heinke Wouters, die in 1864 was geboren, zou vaak hebben verteld van nonkel ‘Godske’, die de ware Knepper zou zijn geweest. Anderen spraken van Lammeke Godts, wat doet denken aan ene Guillam (Guillaume, Willem) Godts, uit een familie die sinds de late achttiende eeuw in Leefdaal woonde. Maar officiële papieren bevestigen deze veronderstelling niet. Een speurtocht in de registers van de burgerlijke stand en zelfs in de oude kerkelijke registers, leverde geen resultaat op. Geen Guillam Godts te vinden.[1]

Wat Knepper de Bas was is overduidelijk: een kleine, gebochelde man die floot als een vogel, in de bomen klom als een aap, olmen- en wilgenbladeren plukte als koeienvoer en op de basviool speelde als geen andere. Hij vrolijkte alle feesten op in de omgeving en raakte zo aan zijn schamel kostje. Hij was de volksheld, een ‘knepper’, wat in het dialect ‘volwassen kalf’ betekende, maar hier ‘kranige vent’. Alles wel beschouwd – bladeren plukken, spelen op de basviool en de armoede – leefde Knepper de Bas waarschijnlijk midden de negentiende eeuw.

knepper-de-bas-300x226-1

Het refrein van het Lied van Knepper de Bas, opgetekend rond 1970.

Wat ook vaststaat is dat Knepper de Bas woonde in de Coige – of ‘Kutse’, wie zal het zeggen? – het gehucht in het noordwesten van Leefdaal, nu ook van de gemeente Bertem. Coige lag lange tijd wat geïsoleerd van de andere woonkernen. Het was gegroeid rond het Coigehof. De pachters van het bedrijf waren de bazen van het gehucht. Alle andere bewoners waren eenvoudige, arme mensen die hard moesten werken voor hun dagelijks minikostje. Hun ontspanning bestond voornamelijk uit herbergbezoek. Er waren vele cafés in de Coige op het einde van de negentiende eeuw.

Het was de periode waarin overal gezelligheidsverenigingen zijn opgericht. Ook het kleine Coige wilde zijn ‘sociëteit’. Oprichters waren in 1890 Heinke Wouters en Jozef Vander Elst. Men besloot de vereniging ‘Knepper de Bas’ te noemen als herinnering aan de vroegere volksheld. Hij werd, in de vorm van een pleisteren beeld, de mascotte van de wijk.

De vereniging kende in de loop van zijn bestaan hoogten en laagten, maar hield stand. Na de wapenstilstand van 1918 werd het beeldje uit de kelder gehaald waar het was verzeild. Het werd bijzonder mooi versierd rondgereden in het gehucht. Het ware hoogtepunt kwam na de Tweede Wereldoorlog. Het oude beeldje was tijdens de oorlog gebroken. Hubert Weigantt – of was het Albert Van Meerbeeck? – schiep in 1947 een nieuw. Het werd gevierd met een groot feest. Tien muziekmaatschappijen uit de omgeving luisterden het op. Nooit was er zoveel volk, en zoveel lawaai, in de Coige. De tekst van een ‘Lied van Knepper de Bas’ werd rondgedeeld en een boogschuttersvereniging kreeg zijn naam.

Wijkkermissen werden ingericht op de tweede zondag van juli en oktober. Met het versierde beeldje van Knepper op een stootkar toerde men op die dagen rond van café naar café. In 1957 is het beeldje in stoet overgebracht van de herberg van Heinke Wouters, die sloot, naar die van Louis Van Herck bij ‘het Konijn’.

680815 foto Knepper en

Knepper in 1968

Het beeldje deed in 1968 een triomfantelijke intrede op de Vlaamse kermis in Leefdaal ter financiering van het Parochiaal Centrum. Zo leverde de oude volkskunstenaar nog een late gewaardeerde bijdrage aan het culturele leven van zijn parochie. In 1970 kreeg het beeld als dank hiervoor een nieuw zijden pak van juffrouw Lea Antognoli, de oprichtster van de seniorenbond van Leefdaal.

Maar, men kan het niet ontkennen, het werd langzaam wat stil rond Knepper. De boogschuttersvereniging werd ontbonden; het café van Louis Van Herck, het laatste in de Coige, sloot de deuren. Tot in 1970 F.C. Knepper als voetbalploeg startte. Men noemde het een caféploeg, maar zij kende succes. Vijf jaar later bouwde de wijk voor haar ploeg een kantine, de nieuwe thuis van Knepper, het beeld van de voetbalploeg. Zij deed tevens dienst als de toch wel noodzakelijke dorpsherberg.

In 1976 startte F.C. Knepper, als eerste van de streek, met een damesploeg. Het werd aanvankelijk een megasucces. De jongens speelden dat seizoen hun eerste competitiewedstrijd. In het seizoen 1981-1982 werden zij kampioen in de derde gewestelijke afdeling. De kantine kreeg een opknapbreuk in 1988. Zij bleef het middelpunt van het wijkleven. Helaas betekende 2005 het einde van de damesploeg: gelukkig niet van Knepper de Bas als volksheld.

(Willy Brumagne, met dank aan Julien Van Loock)

[1] In 2013 ontdekte Johan Morris dat een Guillaume Godts in Bertem werd gedoopt op 24 december 1703 als kind van Simeon Godts en Maria Dewit. Zie hierover: http://www.wreed-en-plezant.be/wrdprs/2013/03/knepper-de-bas/

Moderne schuttersverenigingen te Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


schutter1In de twintigste eeuw ontstonden schutters(sport)verenigingen die zich, vrijwel los van de oude gilden, toelegden op het prestatieschieten, dat wil zeggen het behalen van de best mogelijke resultaten bij het wipschieten. Zij hebben een grote invloed gehad op de technische ontwikkeling van de handboog tot een hoogwaardig precisie-instrument.

Al in 1904 bestond een schuttersvereniging te Leefdaal onder de naam Blankaertschutters. Hun wip stond op de wijk Blankaart in een weide van de familie De Keyn. Elk jaar organiseerden zij een teerfeest en voor hun financiering een concert. Een koor van een dertigtal gelegenheidszangers opende het feest met een lied geschreven en getoonzet door Louis Michiels.[1]

De geografische inplanting van het terrein en de identiteit van de gekende betrokken personen laten vermoeden dat het een vereniging was die aanleunde bij de Filharmonie. De Eerste Wereldoorlog betekende waarschijnlijk haar einde. De ijzeren wip werd rond 1924 verkocht.

In 1926 werd uiteindelijk een Onafhankelijke wipmaatschappij gesticht, onafhankelijk want bestaande uit supporters van de beide muziekverenigingen. Tot 1940 bleef het een zuiver plaatselijke sportvereniging, die niet aansloot bij enige nationale of gewestelijke bond.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de vereniging lid van de Nationale Bond der Wipschutters. Zij kende een grote bloei. Verschillende van haar leden behaalden prijzen op nationaal vlak.

Op dit ogenblik (2010) telt de maatschappij ongeveer zeventien leden, waarvan er een twaalftal deelnemen aan schutterswedstrijden. Zij beschikt over een eenvoudig clublokaal en twee staande metalen wippen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

[1] Het lied van de Blankaartschutters gaat als volgt:

Beste vrienden, Blankaartschutters,
het is vandaag ons groote feest
dat wij vieren al te gader
door zang en vreugd’ om het meest.
Laat onz’ stemmen blijde klinken
over dal, in veld en bosch,
laat de vreugde ons omringen
vandaag schieten w’er op los.

Refrein:
Wij zijn wippen, Blankaartschutters,
’t wipschieten is ons vermaak.
Als de pijl snort van de peze,
omhoog naar den ijz’ren staak,
ach, hoe popelt dan ons herte
als hij raakt den ijz’ren prang
en velt hij den hoogsten vogel
dan is het gejoel, gezang.
Want ons wipke en ons boogske
zijn zoo zeer van ons bemind
en ons pijlke en ons vogelke
zijn bei onzen besten vriend.

Zie de wip daar ginder pralen
hoog verheven in de lucht,
weerkaatst in de zonnestralen
gelijkend op een vogelvlucht.
Zie dien schonen, trotsen hooge
prijkend in den hoogsten top
en de kal’kes van terzijde
steken fier hun koppe op!

Zie daar komen vele mannen
met hun boog en pijl in d’hand
om den prijskamp te beginnen,
den hooge doen bijten in ’t zand.
Het commando wordt gegeven
Klits! Klets! Boem! Daar valt hij neer!
Nu is deze hand’ge schutter
op de aard een koning meer!

Zeek’ren zondag sprak een schutter
“‘k Ga eens schieten”, tot zijn vrouw,
“zeker is ’t dat ik den hooge
van zijn ijz’ren stengel houw!”
’s Avonds vroeg zijn vrouwtje seffens:
“Zeg, manlief, hebt gij nu iets?”
“Och, Fientje”, sprak hij gans beteuterd,
“‘k Schiet schoon, ‘k schiet goed doch … ik schiet niets.”

Nu voor ’t laatste, beste vrienden,
‘k schei er met m’n dichten uit.
‘k Hoop dat ’t ieder zal bevallen,
zoniet, zeg het dan maar luid.
Wilt gij een “Bravo” mij geven,
klap dan allen in de hand,
dan ben ik, met de Blankaartschutters,
zeer tevreden en plezant.

(bron: http://jefkes.be/wrdpr/?p=393)

Een openbare waterput in Vrebos

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 6 juli 2012 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Op 26 juni 2012 keurde de gemeenteraad van Bertem de voorwaarden goed voor de verkoop van het perceel ‘oude waterput’, groot acht (of tien) centiare, op de wijk Vrebos langs de Grensstraat in Vrebos – Leefdaal. De waterput was al lang dichtgegooid. Het perceeltje vormde een inham in de eigendom van Maurice Smets. De raad was unaniem akkoord met het voorstel. Op die wijze kon een begin worden gemaakt met de afwikkeling van de oude geschiedenis van de openbare waterputten van de gemeente Leefdaal. Men vindt ze uitvoerig beschreven in De Horen, het blad van de Heemkundige Kring van Tervuren en (toen nog) Leefdaal, 2001/1, p. 42-48.

Het dorpscentrum van Leefdaal ligt grotendeels in de Voervallei. Het levensnoodzakelijke water uit de ondergrond was er gemakkelijk bereikbaar. Erger was de toestand in de gehuchten Coige en Vrebos die elk rond een belangrijke hoeve op de noordelijke heuvelrug waren ontstaan. Drinkbaar water was alleen op grote diepte beschikbaar. Het slaan van een eigen put was voor de armere inwoners te duur.

In 1898 vroegen enkele inwoners van Coige aan het gemeentebestuur om een openbare waterput ten dienste van de hele bevolking. Het bestuur weigerde pertinent. Het bleef zoals gewoonlijk gekant tegen elke niet strikt verplichte uitgave. De afwijzing was weinig sociaal en getuigde evenmin van grote politieke flair. Het drinkwaterprobleem had op dat ogenblik de volle belangstelling van de hogere overheid. De arrondissementscommissaris pikte de negatieve stemming niet. Het gemeentebestuur bevestigde toch zijn beslissing. Het boog alleen onder de bedreiging van het aanstellen van een speciale commissaris die de gemeenteraad terzijde zou schuiven.

De toestemming was niet van harte. Het bestuur trachtte de zaak met alle middelen op de lange baan te schuiven. Het handelde alleen na boze brieven ‘van hogerhand’. De inwoners van Coige kregen uiteindelijk voldoening in 1901. Het dossier was hiermede niet opgelost. Ook de inwoners van Vrebos hadden in 1889 een openbare bornput gevraagd in een brief aan de Brabantse gouverneur. Hier bleek het probleem nog moeilijker. Het gehucht ligt nog een paar tientallen meter hoger dan Coige. De beste oplossing was een overeenkomst met de gemeente Everberg aan de overzijde van de Grensstraat. Genoeg om jarenlang te kibbelen over de verdeling van de kosten. Tot de buurgemeente uiteindelijk een eigen put liet slaan. De inwoners van Vrebos – Leefdaal werden de toestand beu. Zij kregen de volledige steun van de provinciegouverneur. Tenslotte kocht het gemeentebestuur het perceeltje grond waarvan hierboven sprake. De put kwam er in 1913 na een publieke aanbesteding.

Het verhaal is niet ten einde. Leefdaal onderhield zijn putten niet of weinig. Herstellingen werden met vertraging uitgevoerd. In 1920 vond Everberg het welletjes. De Leefdaalse pomp in Vrebos was stuk. De inwoners gingen voortdurend water halen bij de buren. Everberg vroeg daarom een tussenkomst in de kosten van zijn pomp. De gouverneur steunde de vraag. Meer zelf, hij eiste met kracht dat de Leefdaalse put dringend zou worden hersteld. Wat gebeurde. Het was niet de laatste herstelling.

De definitieve oplossing kwam na de Tweede Wereldoorlog. De Nationale Maatschappij van Waterleidingen begon met het oppompen van water in de Voervallei. Het niveau van de grondreserves daalde onrustwekkend. De particuliere putten gaven niet meer het gewenste debiet. De aanleg van openbare leidingen in de hele vallei werd onvermijdelijk. De gemeente Leefdaal kreeg ze in 1950-1954. De putten in Coige en Vrebos konden worden gedempt. Zij bevatten geen water meer, maar bleven een gevaar voor ongevallen. De laatste episode begon met de gemeenteraadsbeslissing van 26 juni 2012.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Het klooster en het Parochiaal Centrum

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 26 januari 2011 op leefdaal.be.


De voorgeschiedenis

Pastorij, tuin en vijverHet terrein waarop het Parochiaal Centrum te Leefdaal is gebouwd behoorde eertijds tot de cure. De cure of cura pastoralis was het bezit en de inkomsten verbonden aan de pastoorsfunctie. Zij omvatte de woning van de parochiepriester, de pastorie. Het gebouw stond op een stuk grond tussen de huidige Dorpstraat in het zuiden, de Voer in het noorden en het wegeltje, dat eens naar Sint-Hubertus is genoemd, in het oosten. Het domein was ongeveer een bunder groot. Volgens de kadasteropmeting van 1834 was dat een hectare, veertien are en dertig centiare. De pastorie stond vrij dicht bij de Voer en was bijna volledig omringd door een gracht. Zij was grotendeels in steen gebouwd en vernieuwd in 1753-1761.

Een eerste afsplitsing van het terrein gebeurde op 11 november 1790, toen pastoor Joannes-Jacobus Thomas een dagwand, in 1834 als zevenentwintig are zestig centiare gemeten, voor negenennegentig jaar in erfpacht gaf aan de gezusters Van den Kerckhoven. Zij moesten het omringen met een muur en ‘een goede ende loffelyck huys ofte scole van steen ende in goede metselrye gedeckt met pannen of andersinds doen bouwen’. Van toen af kon men spreken van twee afzonderlijke delen van het terrein.

De opzet was een meisjesschool te openen. Dat was vooruitstrevend. Onder de vrouwen heerste het botste analfabetisme. De meesten konden zelfs hun naam niet schrijven. Normaal gebeurde een dergelijke stichting door de oprichting van een zustercongregatie, maar de tijd leende er zich niet toe. Keizer Jozef II had niet lang geleden talrijke ‘onnutte’ kloosters afgeschaft. Al had de Brabantse Omwenteling de klok teruggedraaid, dan nog had in Frankrijk pas een omwenteling plaatsgehad die nog harder zou optreden dan Jozef II.

Ruim anderhalve eeuw later, in 1948, was de toestand erg veranderd. Uit de groep vrouwen die gevormd was rond de gezusters Van den Kerckhoven was in 1839 de Congregatie van de Zusters van de Heilige Jozef ontstaan. Zij kende naast enkele moeilijke jaren gouden tijden met de stichting van een paar bijhuizen. Haar moederhuis was naar Strombeek-Bever verhuisd.

Het basisonderwijs voor meisjes had een grote expansie gekend. De congregatie runde te Leefdaal naast haar eigen kleuteronderwijs, de gemeentelijke ‘aangenomen’ school. Zij stond naast de Dorpstraat aan de oostelijke zijde van het oude domein; haar klooster meer naar het westen. Samen bezetten de twee gebouwen ruim eenentwintig are. De congregatie bezat bovendien aan de westzijde tot aan de Voer nog meer dan zesenvijftig are boomgaard, tuin en bos. Hier kwam later de gemeentelijke sportzaal, de nieuwe kleuterschool en een speelweide. De beste dagen van de congregatie van de Heilige Jozef waren voorbij. Zij verliet de gemeente in dat jaar 1948.

De pastorij van 1848 vlak voor de afbraak

De pastorie vlak voor de sloop in 1988

De oude cure was afgeschaft tijdens de Franse periode. Het parochiale beheer was in handen van een nieuwe instelling, de kerkfabriek. Zij bezat nog bijna zesendertig are in de noordwestelijke hoek van het vroegere domein. De oude pastorie was afgebroken en een nieuwe in 1848 gebouwd dichter bij de Dorpstraat. Na meer dan een eeuw was zij al grotendeels versleten. De oude ringgracht deed dienst als vijver in de pastorietuin. Op dit deel zal weldra het Parochiaal Centrum worden gebouwd.

Hoe het groeide

Geleidelijk groeide na de Tweede Wereldoorlog een grote nood aan vergaderlokalen voor de parochiale verenigingen. De volwassenen en de meisjes vergaderden gewoonlijk in de vochtige kelderverdieping van de parochie; de jongens in de oude watermolen bij het kasteel. De bibliotheek was gehuisvest in een zaaltje van het klooster, waar ook wat uitgebreider bijeenkomsten konden doorgaan. Door de aankomst van de zusters van de Heilige Vincentius a Paolo uit Opwijk, die de kloostergebouwen en het meisjesonderricht overnamen, kwam ook deze laatste locatie in gevaar. De nieuwe eigenaressen wilden inderdaad een rusthuis voor bejaarden openen.

Het initiatief voor de bouw van nieuwe vergaderzalen blijkt in 1954 te zijn uitgegaan van de plaatselijke afdeling van de KWB. Pastoor Tony Jacobs en alle parochiale verenigingen gingen onmiddellijk akkoord. De plaats van inplanting bleek geen probleem. De kerkfabriek was bereid de tuin van de pastorie ter beschikking te stellen.

De jonge architect Michiel Viérin, toen een parochiaan, tekende de plannen. Het gemeentebestuur verleende de bouwvergunning op 2 juni 1958 met de machtiging van het Bestuur van de Stedebouw van het Ministerie van Openbare Werken en van Wederopbouw. Vooraf had de Diocesane Commissie voor Monumenten op 8 januari 1958 haar visum verleend.

De bouw

De eerste vrijwilliger - onderpastoor Paul Kerremans

De eerste vrijwilliger: onderpastoor Paul Kerremans

De bouwplaats was niet zonder risico’s. De pastorievijver diende gedeeltelijk gedempt. Heel het bouwterrein was trouwens moerassig, zodat veel aandacht diende besteed aan de funderingswerken. Zij werden gedeeltelijk uitgevoerd door een gespecialiseerde firma, geholpen door talrijke vrijwilligers, kapelaan Kerremans op kop.

 

Het gebouw was voor velen een verrassing. Het was geen neogotische constructie die naar het verleden verwees; geen bombastische bakstenen stapelbouw; wel een heel functioneel, modernistisch gebouw bestaande uit strakke, balkvormige volumes. Het was het eerste dergelijk gebouw in de verre omgeving. Lange tijd later werd het nog altijd als eigentijds ervaren.

De gedeeltelijke skeletbouw was toentertijd revolutionair. Balken uit gewapend beton vormden de basis voor de vloeren en de opgaande muren. Stalen liggers moesten de platte, in feite licht hellende, daken ondersteunen. Het skelet werd opgevuld met betonnen vloeren, bakstenen muren of voorgevormde gevelplaten en aangepaste materialen voor de daken.

Velen bekeken de nieuwe bouwmethodes met groot argwaan. Een aantal beweerden dat zij nooit een voet in de zaal zouden zetten. Instorten zou ze, zelfs binnen het jaar. De nieuwe vloerbedekking kreeg evenmin onmiddellijk krediet. Toch houdt het werk van Italiaanse specialisten na vele decennia nog stand.

pc_voorgeschiedenis1Het nieuwe centrum omvatte vooraan een hall, een vergaderzaal met uitschuifbare wand en lokalen voor de bibliotheek, de voorraad, de bar en het sanitair. De feestzaal bood 280 zitplaatsen en een toneelplateau. Achteraan bevond zich een kleine hall, twee jeugdlokalen, een kleedkamer voor de toneelspelers met toegang tot het toneelplateau.

Volledig gelukkige afloop? Niet volledig. Vele mensen bleven met een wrang gevoel zitten. Tijdens de ruwbouw had een arbeidsongeval plaats met fatale afloop. Louis Stercks, een gekende dorpsfiguur, verloor het leven.

De financiering

Programma inhuldigingDe bouw van het Parochiaal Centrum kostte ongeveer anderhalf miljoen Belgische frank en, met inbegrip van de verwarmingstoestellen en alle indirecte kosten, bijna twee miljoen frank. Hierbij is geen rekening gehouden met het vrijwilligerswerk of met de facturen die pastoor Jacobs ‘vergat’ in te brengen. Terugberekening naar onze tijd (2006) is moeilijk, maar denk aan dezelfde bedragen in euro.

De kosten zijn betaald met de opbrengst van negentien Vlaamse kermissen (bijna een miljoen tweehonderdduizend frank), schenkingen en steungelden (ongeveer een half miljoen frank) en de exploitatiewinst van het centrum.

De economische bloei die het land kende in de zestiger jaren heeft de afbetaling vergemakkelijkt. De golden sixties zijn een begrip gebleven. Toch leverde het dorp, dank zij de samenwerking van alle verenigingen, Filharmonie en Fanfare inbegrepen, een fantastische inspanning in een tijd dat nog geen sprake was van enige overheidssteun.

De verdere geschiedenis

Schermafbeelding-2013-03-21-om-11.56.50-300x207

Onderpastoor Kerremans en de leiding van de jeugdbewegingen (KAJ, BJB, Chiro) kort na de inhuldiging van het Parochiaal Centrum (rechts), gekiekt in de voortuin van de pastorie (links)

De geschiedenis staat nooit stil. De zusters van Sint-Vincentius a Paola raakten op hun beurt in moeilijkheden. Zij verlieten de gemeente in 1967. In 1968 zag de lokale overheid zich verplicht hun plaatselijke patrimonium over te nemen. De school werd omgevormd tot een gemeentelijke instelling. Zij groeide uit tot een bloeiende gemengde school. De helft van het kloostergebouw was onbenut en werd op aandringen van de jeugdbewegingen de nieuwe thuis voor Chirojongens (zij verlieten de vochtige watermolen aan het kasteel), KAJ en KLJ. De Chiromeisjes bleven in de Parochiezaal tot ze in 1975 fuseerden met de Chirojongens.

De pastorie uit 1848 werd in 1988 afgebroken. De gemeente voegde de grond, ruim acht are, bij de schoolterreinen. Alleen het Parochiaal Centrum met het achterliggend terrein bleef eigendom van de kerkfabriek. De parochiale werken behielden het gebruiksrecht.

Veel problemen leverde de nabuurschap van gemeente en kerkfabriek, een paar minieme wrijvingen niet te na gesproken, nooit op. De samenwerking verliep bijna altijd perfect. Tijdens het schooljaar 1962-1963 kreeg zelfs een klas van het gemeenteonderwijs les in het Parochiaal Centrum.

De renovatie 2000-2006

Tijdens de laatste jaren van de twintigste eeuw verloor het Parochiaal Centrum wat glans al was al een en ander aangepast aan nieuwe noden. Bibliotheek en jeugd waren verhuisd naar het vroegere klooster. In de toneelzaal was een tweede bar ingericht. Een van de jeugdlokalen achteraan diende als weekkapel.

De gebouwen waren echter aan een grondige opknapbeurt toe. Het meubilair raakte versleten en oudmodisch.

pc1Een grondige renovatie begon in 2000 met de gedeeltelijke vernieuwing van de zaalbekleding. In 2002 startte een restauratie van het gebouw: de gevelplaten werden vervangen door gevelstenen, de glasramen door dallen, de houten deuren en ramen door nieuwe synthetische stof en voorzien van een dubbele beglazing. Een bijkomend berghok bleek noodzakelijk. Het sanitair blok kreeg een flinke beurt. Ondertussen werd het meubilair en materiaal vernieuwd: keukenmateriaal en –kasten (2001); tapinstallatie (2001); tafels (2005); stoelen (2006). Het centrum kent een nieuwe jeugd.

Beoordeling

Nog altijd vormt het centrum met de gemeentelijke basisschool, de kleuterschool, de sportzaal en de achterliggende parking en speelweide min of meer een geheel. Achter het centrum ligt een verharde strook tot bijna tegen de Voer. Zij werd vroeger gebruikt als volleybalterrein en nu als parking voor een vijfentwintigtal auto’s.

Velen hebben zich verdienstelijk gemaakt voor het Parochiaal Centrum. Hun namen opnoemen is moeilijk. Zij zijn veel en talrijk. Het gevaar is groot een flink aantal te vergeten. Er is nog een andere reden: het zou te pijnlijk zijn. Te velen zijn niet meer. Zij die gebleven zijn denken soms met veel weemoed aan de gouden tijd toen de dorpsgemeenschap samen het Parochiaal Centrum bouwde. Maar zij zijn eveneens blij dat nieuwe mensen zich met veel overgave inzetten om het weer tot volle bloei te brengen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De geschiedenis van de Leefdaalse schuttersgilden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Schuttersgilden bestaan al eeuwen in onze gewesten. Zij zijn ontstaan uit broederschappen, samenwerkingsverbanden om elkaar te helpen bij natuurrampen en ziekten, maar ook bij roof, plundering en brandstichting al dan niet door rondtrekkende legerbenden. Naast de bescherming van dorp en kerk kregen zij allengs de opluistering van de kerkelijke en wereldlijke feesten als taak. Een eerste spoor van een gilde te Leefdaal vindt men in 1627. Toen vergaderden de schepenen van het dorp in het schuttershuis.

In 1664 bracht een wellicht heropgerichte Sint-Sebastiaangilde een openbare hulde aan het Heilig Sacrament met de opvoering van een geestelijk spel. In 1668 bestond eveneens een jongmansgilde want de zoon van drossaard Willem Keyaerts, Jan-Baptist, die kwam te overlijden, was er de voorman van.

1668-overlijdensregister-kapitein-Keyaerts

Al in 1648 schreef pastoor De Metser trouwens dat ‘de jongmans van Leeffdaele een offererande brachten tot een nieuwen Tabernakel om boven t’hooge S. Sacrament te dragen in de processie’. Of deze ‘jongmans’ een echte gilde vormden is mogelijk maar niet volkomen zeker.

Betere bewijzen van het bestaan van de gilden zijn twee zilveren breuken die gelukkig bewaard bleven. Zij werden besteld bij zilversmid Laureys Wijnants uit Leuven, gestorven in 1676. De eerste breuk, met een afbeelding van Sebastiaan, hoorde destijds toe aan de mansgilde, dit is de gilde voor gehuwden, de tweede, met een Onze-Lieve-Vrouwbeeld, is vervaardigd tijdens de periode 1665-1670 en was eigendom van de jongmansgilde, de gilde van de vrijgezellen.

De toenmalige pastoor Willem De Metser (1646-1683) bleek erin geslaagd de gilden te integreren in zijn evangelisatieproject. Een paar van zijn opvolgers waren vooral de jongmansgilden minder gunstig gezind. Zij namen aanstoot aan de fuiven, zeg maar uitspattingen, die niet altijd vreemd zijn aan jeugdfeesten. In juni 1688 barstte de bom. Terwijl jongens en meisjes heimelijk samen speelden en dansten, een gruwel voor de weldenkenden in die dagen en daarbij verboden sinds 1687, trad pastoor Nicolaus Des Moulins (1684-1692) op. Hij was een harde, strenge herder. Het bleef niet bij vermaningen, zodanig dat de jongmansgilde in beroep ging bij de kerkelijke overheid. Het leidde tot een proces op het aartsbisdom tussen de pastoor en de jeugd van Leefdaal, leden van de gilde.

De achttiende eeuw begon slecht voor de gilden. Een stroom van verbodsbepalingen beperkte hun voorrechten en activiteiten. Philips V verbood in 1701 de jongmansgilden; Karel III sloot in 1711 een ontsnappingsmogelijkheid: vrijgezellen mochten niet meer aansluiten bij de gilden van de gehuwden. In hetzelfde jaar verbood het vicariaat van het aartsbisdom Mechelen het gaaischieten op de kerktorens. Het misbruik bleef evenwel bestaan. De Raad van Brabant vaardigde tenslotte een decreet uit dat de praktijk radicaal uitsloot.

Dat alles betekende niet het einde van de gilden, zelfs niet van de jongmansgilden. Lang niet alle pastoors waren tegen hen gekant. Integendeel, telkens als de bisschoppen in het Ancien Régime hervormingen trachtten door te voeren die tegen de bestaande gebruiken ingingen, stuitten zij op het lijdzame verzet van een deel van de parochieherders. Zij vreesden dat de uitvoering van de bisschoppelijke beslissingen hen van hun kudde zou vervreemden. Nog sterker was de weerstand van de plaatselijke machthebbers die in elke verandering van de hogere overheid een aanslag zagen op hun verworven rechten.

Wat er te Leefdaal gebeurde is niet echt duidelijk. Het wipschieten bleef, zoals overal in Brabant, gedurende de hele achttiende eeuw een favoriete vrijetijdsbesteding. In 1738 is nog een reglement van de Sint-Sebastiaansgilde opgesteld.

In 1783 ontbond keizer Jozef II alle gilden. De weerstand was algemeen. Het was een van de oorzaken van de Brabantse omwenteling. Jozef stierf in 1790. Zijn opvolgers Leopold II en Frans II milderden het beleid van hun voorganger. Maar het einde was nabij. Op 28 april 1798 schafte de Franse Republiek alle gilden af. Hun eigendommen dienden als nationaal goed verkocht. Alles wat kon verdwijnen verdween uiteraard onmiddellijk. De breuken van de Leefdaalse gilden bleven gespaard.

Later startten de gilden opnieuw in vele gemeenten. De jongmansgilde werd te Leefdaal heropgericht in 1839. Of er enig verband was met de muziekvereniging, de Philharmonique de Leefdael, die een jaar later ontstond, is een open vraag.

De mansgilde van Leefdael, Sint-Sebastiaan, werd heropgericht op 20 januari 1868. Wellicht werden alleen de geldende regels gepreciseerd, verfijnd en/of strenger gemaakt. De gilde bestond immers al tijdens de vorige jaren. Op een feestzitting op het gemeentehuis in 1906 werd immers een gildenbroeder gevierd met 41 jaar trouwe dienst.

Vermoedelijk zijn de gilden allengs in het vaarwater beland van de Philharmonie. Zij hadden immers nood aan muzikanten, die alleen de muziekvereniging kon leveren. Bovendien behoorden de leidende figuren van gilden en harmonie tot dezelfde stand: de burgerij.

In 1875 werd een nieuwe muziekvereniging opgericht, de Fanfare Sint-Lambertus, die een geduchte dorpspolitieke rivaal zou worden van de oude Philharmonie. Sindsdien staat deze laatste bekend als ‘nummer één’; de Fanfare als ‘nummer twee’. Het gekrakeel tussen beide was zo erg dat in 1902 zowel de mans- als de jongmansgilde splitsten.

Uit een besluit van de gemeenteraad van 1905 blijkt dat er in het dorp vier gilden bestonden: de mansgilden Sint-Paulus en Sint-Sebastiaan en de jongmansgilden Sint-Jan en Sint-Lambertus. Bovendien had de Philharmonie een ‘Mekes’-gilde opgericht. Niet meer de dorpsheren of de geestelijkheid maar de dorpspolitieke partijen hadden de gilden in hun greep.

De heiligennamen raakten vlug vergeten. Iedereen sprak van de Jefkes en de Pekes van nummer één en de Jefkes en Pekes van nummer twee. Ter verduidelijking: een ‘Jefke’ is zoals Sint-Jozef, niet gehuwd; een ‘Peke’ is in de volksmond een oud mannetje; een ‘Meke’ een oud vrouwtje.

De Philharmonie behield de oude vlaggen en de breuk van de oude Onze-Lieve-Vrouwgilde. De Sint-Sebastiaanbreuk werd meegenomen door iemand die zich beter thuis voelde bij de Fanfare. Om het verlies voor nummer één te compenseren schonk hun lokaalhouder, Alfons Van Esch, een andere breuk. Waar ze vandaan kwam is een raadsel.

J1 012

1939: heroprichting van de Pekes

Na de Eerste Wereldoorlog stierven de gilden voor gehuwden een stille dood. De jongmansgilden bloeiden daarentegen als nooit te voren. In 1939 vierde de jongmansgilde nummer één, grondig zoals het past, haar honderdste verjaardag. Ter dier gelegenheid kwam de verwante pekesgilde weer tot leven. Zoals vroeger gebruikelijk werd er ook opnieuw gevendeld.

Na de Tweede Wereldoorlog hernam de activiteit van de gilden, zij het op een laag pitje. Van de gebruikelijke drie feestdagen bij de koningsschieting bleef alleen de zondag over. In 1956 waren op de koningsschieting van de Jefkes van de nummer één er maar negen present. De sociaal-economische context was volledig veranderd. De overgang van een dorp van hoofdzakelijk zelfstandige landbouwers naar een meerderheid van pendelende werknemers ging snel. Werknemers zijn uiteraard gebonden aan een strenger werkschema dat rekening diende te houden met de regels van de sociale verzekering.

De rivaliteit tussen de beide muziekverenigingen heeft de gilden gered, al leden zij een statusverlies. Zij kenden een opflakkering rond 1980. Een aantal gestudeerden en niet-dorpsbewoners toonden belangstelling. Een Nederlander schoot zich zelfs koning van de Pekes van nummer één in 1983.

Later verslapte de belangstelling opnieuw enigszins en dienden de jongmansgilden meer en meer een beroep te doen op jonge deelnemers. Toch richtte de Fanfare Sint-Lambertus nog een gilde van gehuwden op die vreemd genoeg de naam ‘Mamers’ kreeg. ‘Mamer’ is een verbastering van het Franse ‘membre’, ‘lid’ (van de muziekvereniging). Bij de Philarmonie brachten ‘Mekes’, vrouwelijke vrouwengildeleden, vanaf 1979 opnieuw versterking.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Meer informatie: W. Brumagne, ‘Onze schuttersgilden. Deel 4: De Leefdaalse schuttersgilden’, De Horen, 26 (1999), nr. 4, 175-184.