Het klooster en het Parochiaal Centrum

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 26 januari 2011 op leefdaal.be.


De voorgeschiedenis

Pastorij, tuin en vijverHet terrein waarop het Parochiaal Centrum te Leefdaal is gebouwd behoorde eertijds tot de cure. De cure of cura pastoralis was het bezit en de inkomsten verbonden aan de pastoorsfunctie. Zij omvatte de woning van de parochiepriester, de pastorie. Het gebouw stond op een stuk grond tussen de huidige Dorpstraat in het zuiden, de Voer in het noorden en het wegeltje, dat eens naar Sint-Hubertus is genoemd, in het oosten. Het domein was ongeveer een bunder groot. Volgens de kadasteropmeting van 1834 was dat een hectare, veertien are en dertig centiare. De pastorie stond vrij dicht bij de Voer en was bijna volledig omringd door een gracht. Zij was grotendeels in steen gebouwd en vernieuwd in 1753-1761.

Een eerste afsplitsing van het terrein gebeurde op 11 november 1790, toen pastoor Joannes-Jacobus Thomas een dagwand, in 1834 als zevenentwintig are zestig centiare gemeten, voor negenennegentig jaar in erfpacht gaf aan de gezusters Van den Kerckhoven. Zij moesten het omringen met een muur en ‘een goede ende loffelyck huys ofte scole van steen ende in goede metselrye gedeckt met pannen of andersinds doen bouwen’. Van toen af kon men spreken van twee afzonderlijke delen van het terrein.

De opzet was een meisjesschool te openen. Dat was vooruitstrevend. Onder de vrouwen heerste het botste analfabetisme. De meesten konden zelfs hun naam niet schrijven. Normaal gebeurde een dergelijke stichting door de oprichting van een zustercongregatie, maar de tijd leende er zich niet toe. Keizer Jozef II had niet lang geleden talrijke ‘onnutte’ kloosters afgeschaft. Al had de Brabantse Omwenteling de klok teruggedraaid, dan nog had in Frankrijk pas een omwenteling plaatsgehad die nog harder zou optreden dan Jozef II.

Ruim anderhalve eeuw later, in 1948, was de toestand erg veranderd. Uit de groep vrouwen die gevormd was rond de gezusters Van den Kerckhoven was in 1839 de Congregatie van de Zusters van de Heilige Jozef ontstaan. Zij kende naast enkele moeilijke jaren gouden tijden met de stichting van een paar bijhuizen. Haar moederhuis was naar Strombeek-Bever verhuisd.

Het basisonderwijs voor meisjes had een grote expansie gekend. De congregatie runde te Leefdaal naast haar eigen kleuteronderwijs, de gemeentelijke ‘aangenomen’ school. Zij stond naast de Dorpstraat aan de oostelijke zijde van het oude domein; haar klooster meer naar het westen. Samen bezetten de twee gebouwen ruim eenentwintig are. De congregatie bezat bovendien aan de westzijde tot aan de Voer nog meer dan zesenvijftig are boomgaard, tuin en bos. Hier kwam later de gemeentelijke sportzaal, de nieuwe kleuterschool en een speelweide. De beste dagen van de congregatie van de Heilige Jozef waren voorbij. Zij verliet de gemeente in dat jaar 1948.

De pastorij van 1848 vlak voor de afbraak

De pastorie vlak voor de sloop in 1988

De oude cure was afgeschaft tijdens de Franse periode. Het parochiale beheer was in handen van een nieuwe instelling, de kerkfabriek. Zij bezat nog bijna zesendertig are in de noordwestelijke hoek van het vroegere domein. De oude pastorie was afgebroken en een nieuwe in 1848 gebouwd dichter bij de Dorpstraat. Na meer dan een eeuw was zij al grotendeels versleten. De oude ringgracht deed dienst als vijver in de pastorietuin. Op dit deel zal weldra het Parochiaal Centrum worden gebouwd.

Hoe het groeide

Geleidelijk groeide na de Tweede Wereldoorlog een grote nood aan vergaderlokalen voor de parochiale verenigingen. De volwassenen en de meisjes vergaderden gewoonlijk in de vochtige kelderverdieping van de parochie; de jongens in de oude watermolen bij het kasteel. De bibliotheek was gehuisvest in een zaaltje van het klooster, waar ook wat uitgebreider bijeenkomsten konden doorgaan. Door de aankomst van de zusters van de Heilige Vincentius a Paolo uit Opwijk, die de kloostergebouwen en het meisjesonderricht overnamen, kwam ook deze laatste locatie in gevaar. De nieuwe eigenaressen wilden inderdaad een rusthuis voor bejaarden openen.

Het initiatief voor de bouw van nieuwe vergaderzalen blijkt in 1954 te zijn uitgegaan van de plaatselijke afdeling van de KWB. Pastoor Tony Jacobs en alle parochiale verenigingen gingen onmiddellijk akkoord. De plaats van inplanting bleek geen probleem. De kerkfabriek was bereid de tuin van de pastorie ter beschikking te stellen.

De jonge architect Michiel Viérin, toen een parochiaan, tekende de plannen. Het gemeentebestuur verleende de bouwvergunning op 2 juni 1958 met de machtiging van het Bestuur van de Stedebouw van het Ministerie van Openbare Werken en van Wederopbouw. Vooraf had de Diocesane Commissie voor Monumenten op 8 januari 1958 haar visum verleend.

De bouw

De eerste vrijwilliger - onderpastoor Paul Kerremans

De eerste vrijwilliger: onderpastoor Paul Kerremans

De bouwplaats was niet zonder risico’s. De pastorievijver diende gedeeltelijk gedempt. Heel het bouwterrein was trouwens moerassig, zodat veel aandacht diende besteed aan de funderingswerken. Zij werden gedeeltelijk uitgevoerd door een gespecialiseerde firma, geholpen door talrijke vrijwilligers, kapelaan Kerremans op kop.

 

Het gebouw was voor velen een verrassing. Het was geen neogotische constructie die naar het verleden verwees; geen bombastische bakstenen stapelbouw; wel een heel functioneel, modernistisch gebouw bestaande uit strakke, balkvormige volumes. Het was het eerste dergelijk gebouw in de verre omgeving. Lange tijd later werd het nog altijd als eigentijds ervaren.

De gedeeltelijke skeletbouw was toentertijd revolutionair. Balken uit gewapend beton vormden de basis voor de vloeren en de opgaande muren. Stalen liggers moesten de platte, in feite licht hellende, daken ondersteunen. Het skelet werd opgevuld met betonnen vloeren, bakstenen muren of voorgevormde gevelplaten en aangepaste materialen voor de daken.

Velen bekeken de nieuwe bouwmethodes met groot argwaan. Een aantal beweerden dat zij nooit een voet in de zaal zouden zetten. Instorten zou ze, zelfs binnen het jaar. De nieuwe vloerbedekking kreeg evenmin onmiddellijk krediet. Toch houdt het werk van Italiaanse specialisten na vele decennia nog stand.

pc_voorgeschiedenis1Het nieuwe centrum omvatte vooraan een hall, een vergaderzaal met uitschuifbare wand en lokalen voor de bibliotheek, de voorraad, de bar en het sanitair. De feestzaal bood 280 zitplaatsen en een toneelplateau. Achteraan bevond zich een kleine hall, twee jeugdlokalen, een kleedkamer voor de toneelspelers met toegang tot het toneelplateau.

Volledig gelukkige afloop? Niet volledig. Vele mensen bleven met een wrang gevoel zitten. Tijdens de ruwbouw had een arbeidsongeval plaats met fatale afloop. Louis Stercks, een gekende dorpsfiguur, verloor het leven.

De financiering

Programma inhuldigingDe bouw van het Parochiaal Centrum kostte ongeveer anderhalf miljoen Belgische frank en, met inbegrip van de verwarmingstoestellen en alle indirecte kosten, bijna twee miljoen frank. Hierbij is geen rekening gehouden met het vrijwilligerswerk of met de facturen die pastoor Jacobs ‘vergat’ in te brengen. Terugberekening naar onze tijd (2006) is moeilijk, maar denk aan dezelfde bedragen in euro.

De kosten zijn betaald met de opbrengst van negentien Vlaamse kermissen (bijna een miljoen tweehonderdduizend frank), schenkingen en steungelden (ongeveer een half miljoen frank) en de exploitatiewinst van het centrum.

De economische bloei die het land kende in de zestiger jaren heeft de afbetaling vergemakkelijkt. De golden sixties zijn een begrip gebleven. Toch leverde het dorp, dank zij de samenwerking van alle verenigingen, Filharmonie en Fanfare inbegrepen, een fantastische inspanning in een tijd dat nog geen sprake was van enige overheidssteun.

De verdere geschiedenis

Schermafbeelding-2013-03-21-om-11.56.50-300x207

Onderpastoor Kerremans en de leiding van de jeugdbewegingen (KAJ, BJB, Chiro) kort na de inhuldiging van het Parochiaal Centrum (rechts), gekiekt in de voortuin van de pastorie (links)

De geschiedenis staat nooit stil. De zusters van Sint-Vincentius a Paola raakten op hun beurt in moeilijkheden. Zij verlieten de gemeente in 1967. In 1968 zag de lokale overheid zich verplicht hun plaatselijke patrimonium over te nemen. De school werd omgevormd tot een gemeentelijke instelling. Zij groeide uit tot een bloeiende gemengde school. De helft van het kloostergebouw was onbenut en werd op aandringen van de jeugdbewegingen de nieuwe thuis voor Chirojongens (zij verlieten de vochtige watermolen aan het kasteel), KAJ en KLJ. De Chiromeisjes bleven in de Parochiezaal tot ze in 1975 fuseerden met de Chirojongens.

De pastorie uit 1848 werd in 1988 afgebroken. De gemeente voegde de grond, ruim acht are, bij de schoolterreinen. Alleen het Parochiaal Centrum met het achterliggend terrein bleef eigendom van de kerkfabriek. De parochiale werken behielden het gebruiksrecht.

Veel problemen leverde de nabuurschap van gemeente en kerkfabriek, een paar minieme wrijvingen niet te na gesproken, nooit op. De samenwerking verliep bijna altijd perfect. Tijdens het schooljaar 1962-1963 kreeg zelfs een klas van het gemeenteonderwijs les in het Parochiaal Centrum.

De renovatie 2000-2006

Tijdens de laatste jaren van de twintigste eeuw verloor het Parochiaal Centrum wat glans al was al een en ander aangepast aan nieuwe noden. Bibliotheek en jeugd waren verhuisd naar het vroegere klooster. In de toneelzaal was een tweede bar ingericht. Een van de jeugdlokalen achteraan diende als weekkapel.

De gebouwen waren echter aan een grondige opknapbeurt toe. Het meubilair raakte versleten en oudmodisch.

pc1Een grondige renovatie begon in 2000 met de gedeeltelijke vernieuwing van de zaalbekleding. In 2002 startte een restauratie van het gebouw: de gevelplaten werden vervangen door gevelstenen, de glasramen door dallen, de houten deuren en ramen door nieuwe synthetische stof en voorzien van een dubbele beglazing. Een bijkomend berghok bleek noodzakelijk. Het sanitair blok kreeg een flinke beurt. Ondertussen werd het meubilair en materiaal vernieuwd: keukenmateriaal en –kasten (2001); tapinstallatie (2001); tafels (2005); stoelen (2006). Het centrum kent een nieuwe jeugd.

Beoordeling

Nog altijd vormt het centrum met de gemeentelijke basisschool, de kleuterschool, de sportzaal en de achterliggende parking en speelweide min of meer een geheel. Achter het centrum ligt een verharde strook tot bijna tegen de Voer. Zij werd vroeger gebruikt als volleybalterrein en nu als parking voor een vijfentwintigtal auto’s.

Velen hebben zich verdienstelijk gemaakt voor het Parochiaal Centrum. Hun namen opnoemen is moeilijk. Zij zijn veel en talrijk. Het gevaar is groot een flink aantal te vergeten. Er is nog een andere reden: het zou te pijnlijk zijn. Te velen zijn niet meer. Zij die gebleven zijn denken soms met veel weemoed aan de gouden tijd toen de dorpsgemeenschap samen het Parochiaal Centrum bouwde. Maar zij zijn eveneens blij dat nieuwe mensen zich met veel overgave inzetten om het weer tot volle bloei te brengen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De geschiedenis van de Leefdaalse schuttersgilden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Schuttersgilden bestaan al eeuwen in onze gewesten. Zij zijn ontstaan uit broederschappen, samenwerkingsverbanden om elkaar te helpen bij natuurrampen en ziekten, maar ook bij roof, plundering en brandstichting al dan niet door rondtrekkende legerbenden. Naast de bescherming van dorp en kerk kregen zij allengs de opluistering van de kerkelijke en wereldlijke feesten als taak. Een eerste spoor van een gilde te Leefdaal vindt men in 1627. Toen vergaderden de schepenen van het dorp in het schuttershuis.

In 1664 bracht een wellicht heropgerichte Sint-Sebastiaangilde een openbare hulde aan het Heilig Sacrament met de opvoering van een geestelijk spel. In 1668 bestond eveneens een jongmansgilde want de zoon van drossaard Willem Keyaerts, Jan-Baptist, die kwam te overlijden, was er de voorman van.

1668-overlijdensregister-kapitein-Keyaerts

Al in 1648 schreef pastoor De Metser trouwens dat ‘de jongmans van Leeffdaele een offererande brachten tot een nieuwen Tabernakel om boven t’hooge S. Sacrament te dragen in de processie’. Of deze ‘jongmans’ een echte gilde vormden is mogelijk maar niet volkomen zeker.

Betere bewijzen van het bestaan van de gilden zijn twee zilveren breuken die gelukkig bewaard bleven. Zij werden besteld bij zilversmid Laureys Wijnants uit Leuven, gestorven in 1676. De eerste breuk, met een afbeelding van Sebastiaan, hoorde destijds toe aan de mansgilde, dit is de gilde voor gehuwden, de tweede, met een Onze-Lieve-Vrouwbeeld, is vervaardigd tijdens de periode 1665-1670 en was eigendom van de jongmansgilde, de gilde van de vrijgezellen.

De toenmalige pastoor Willem De Metser (1646-1683) bleek erin geslaagd de gilden te integreren in zijn evangelisatieproject. Een paar van zijn opvolgers waren vooral de jongmansgilden minder gunstig gezind. Zij namen aanstoot aan de fuiven, zeg maar uitspattingen, die niet altijd vreemd zijn aan jeugdfeesten. In juni 1688 barstte de bom. Terwijl jongens en meisjes heimelijk samen speelden en dansten, een gruwel voor de weldenkenden in die dagen en daarbij verboden sinds 1687, trad pastoor Nicolaus Des Moulins (1684-1692) op. Hij was een harde, strenge herder. Het bleef niet bij vermaningen, zodanig dat de jongmansgilde in beroep ging bij de kerkelijke overheid. Het leidde tot een proces op het aartsbisdom tussen de pastoor en de jeugd van Leefdaal, leden van de gilde.

De achttiende eeuw begon slecht voor de gilden. Een stroom van verbodsbepalingen beperkte hun voorrechten en activiteiten. Philips V verbood in 1701 de jongmansgilden; Karel III sloot in 1711 een ontsnappingsmogelijkheid: vrijgezellen mochten niet meer aansluiten bij de gilden van de gehuwden. In hetzelfde jaar verbood het vicariaat van het aartsbisdom Mechelen het gaaischieten op de kerktorens. Het misbruik bleef evenwel bestaan. De Raad van Brabant vaardigde tenslotte een decreet uit dat de praktijk radicaal uitsloot.

Dat alles betekende niet het einde van de gilden, zelfs niet van de jongmansgilden. Lang niet alle pastoors waren tegen hen gekant. Integendeel, telkens als de bisschoppen in het Ancien Régime hervormingen trachtten door te voeren die tegen de bestaande gebruiken ingingen, stuitten zij op het lijdzame verzet van een deel van de parochieherders. Zij vreesden dat de uitvoering van de bisschoppelijke beslissingen hen van hun kudde zou vervreemden. Nog sterker was de weerstand van de plaatselijke machthebbers die in elke verandering van de hogere overheid een aanslag zagen op hun verworven rechten.

Wat er te Leefdaal gebeurde is niet echt duidelijk. Het wipschieten bleef, zoals overal in Brabant, gedurende de hele achttiende eeuw een favoriete vrijetijdsbesteding. In 1738 is nog een reglement van de Sint-Sebastiaansgilde opgesteld.

In 1783 ontbond keizer Jozef II alle gilden. De weerstand was algemeen. Het was een van de oorzaken van de Brabantse omwenteling. Jozef stierf in 1790. Zijn opvolgers Leopold II en Frans II milderden het beleid van hun voorganger. Maar het einde was nabij. Op 28 april 1798 schafte de Franse Republiek alle gilden af. Hun eigendommen dienden als nationaal goed verkocht. Alles wat kon verdwijnen verdween uiteraard onmiddellijk. De breuken van de Leefdaalse gilden bleven gespaard.

Later startten de gilden opnieuw in vele gemeenten. De jongmansgilde werd te Leefdaal heropgericht in 1839. Of er enig verband was met de muziekvereniging, de Philharmonique de Leefdael, die een jaar later ontstond, is een open vraag.

De mansgilde van Leefdael, Sint-Sebastiaan, werd heropgericht op 20 januari 1868. Wellicht werden alleen de geldende regels gepreciseerd, verfijnd en/of strenger gemaakt. De gilde bestond immers al tijdens de vorige jaren. Op een feestzitting op het gemeentehuis in 1906 werd immers een gildenbroeder gevierd met 41 jaar trouwe dienst.

Vermoedelijk zijn de gilden allengs in het vaarwater beland van de Philharmonie. Zij hadden immers nood aan muzikanten, die alleen de muziekvereniging kon leveren. Bovendien behoorden de leidende figuren van gilden en harmonie tot dezelfde stand: de burgerij.

In 1875 werd een nieuwe muziekvereniging opgericht, de Fanfare Sint-Lambertus, die een geduchte dorpspolitieke rivaal zou worden van de oude Philharmonie. Sindsdien staat deze laatste bekend als ‘nummer één’; de Fanfare als ‘nummer twee’. Het gekrakeel tussen beide was zo erg dat in 1902 zowel de mans- als de jongmansgilde splitsten.

Uit een besluit van de gemeenteraad van 1905 blijkt dat er in het dorp vier gilden bestonden: de mansgilden Sint-Paulus en Sint-Sebastiaan en de jongmansgilden Sint-Jan en Sint-Lambertus. Bovendien had de Philharmonie een ‘Mekes’-gilde opgericht. Niet meer de dorpsheren of de geestelijkheid maar de dorpspolitieke partijen hadden de gilden in hun greep.

De heiligennamen raakten vlug vergeten. Iedereen sprak van de Jefkes en de Pekes van nummer één en de Jefkes en Pekes van nummer twee. Ter verduidelijking: een ‘Jefke’ is zoals Sint-Jozef, niet gehuwd; een ‘Peke’ is in de volksmond een oud mannetje; een ‘Meke’ een oud vrouwtje.

De Philharmonie behield de oude vlaggen en de breuk van de oude Onze-Lieve-Vrouwgilde. De Sint-Sebastiaanbreuk werd meegenomen door iemand die zich beter thuis voelde bij de Fanfare. Om het verlies voor nummer één te compenseren schonk hun lokaalhouder, Alfons Van Esch, een andere breuk. Waar ze vandaan kwam is een raadsel.

J1 012

1939: heroprichting van de Pekes

Na de Eerste Wereldoorlog stierven de gilden voor gehuwden een stille dood. De jongmansgilden bloeiden daarentegen als nooit te voren. In 1939 vierde de jongmansgilde nummer één, grondig zoals het past, haar honderdste verjaardag. Ter dier gelegenheid kwam de verwante pekesgilde weer tot leven. Zoals vroeger gebruikelijk werd er ook opnieuw gevendeld.

Na de Tweede Wereldoorlog hernam de activiteit van de gilden, zij het op een laag pitje. Van de gebruikelijke drie feestdagen bij de koningsschieting bleef alleen de zondag over. In 1956 waren op de koningsschieting van de Jefkes van de nummer één er maar negen present. De sociaal-economische context was volledig veranderd. De overgang van een dorp van hoofdzakelijk zelfstandige landbouwers naar een meerderheid van pendelende werknemers ging snel. Werknemers zijn uiteraard gebonden aan een strenger werkschema dat rekening diende te houden met de regels van de sociale verzekering.

De rivaliteit tussen de beide muziekverenigingen heeft de gilden gered, al leden zij een statusverlies. Zij kenden een opflakkering rond 1980. Een aantal gestudeerden en niet-dorpsbewoners toonden belangstelling. Een Nederlander schoot zich zelfs koning van de Pekes van nummer één in 1983.

Later verslapte de belangstelling opnieuw enigszins en dienden de jongmansgilden meer en meer een beroep te doen op jonge deelnemers. Toch richtte de Fanfare Sint-Lambertus nog een gilde van gehuwden op die vreemd genoeg de naam ‘Mamers’ kreeg. ‘Mamer’ is een verbastering van het Franse ‘membre’, ‘lid’ (van de muziekvereniging). Bij de Philarmonie brachten ‘Mekes’, vrouwelijke vrouwengildeleden, vanaf 1979 opnieuw versterking.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Meer informatie: W. Brumagne, ‘Onze schuttersgilden. Deel 4: De Leefdaalse schuttersgilden’, De Horen, 26 (1999), nr. 4, 175-184.

Het domein van Guillaume Maes en de bouw van het gemeenschapshuis en de jeugdlokalen in Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 20 december 2011 op leefdaal.be.


Bertem_Dorpstraat_550_01011970_(2)

Het herenhuis als rijkswachtkazerne (bron: beeldbank Onroerend Erfgoed)

Zoals in Bertem staan in Leefdaal belangrijke werken op stapel in een samenwerkingsverband tussen de gemeente en een private partner. De meest omvangrijke gebeuren op een domein waarvan de vroegere eigenaars meestal een belangrijke rol speelden in de plaatselijke geschiedenis.

Volgens het oude kadaster ligt het terrein op het Smisblok. In de omgeving lag inderdaad vroeger een smidse. Een smid was een belangrijke man in het vroegere landbouwdorp.

Op deze grond bouwde Guillaume Maes, de pachter van Raffelberg in 1852, een herenhuis in klassieke Franse Lodewijk XVI-stijl (nu Dorpstraat 555). Hij was een van de vele pachters die rond die tijd, na gemaakt fortuin, de landbouw verlieten.

In 1860 ging het domein naar Charles Maes, die het in het volgende jaar overliet aan Ferdinand De Coster, arts uit Sint-Gillis-Brussel. Zijn schoonzoon Justin Tielemans nam het over in 1868. Hij was in Leefdaal geboren als zoon van Franz, eveneens een arts. Zoals zijn broer Louis studeerde hij af als dokter, maar oefende het beroep niet uit. Hij werd wijnhandelaar. Van 1867 tot 1895 was hij burgemeester van Leefdaal. Als liberaal stond hij tijdens de schoolstrijd 1879-1884 tegenover pastoor Silvercruys. Hij vertrok in 1898 met zijn familie naar Koekelberg.

Het domein raakte gesplitst. Op het oostelijke gedeelte bouwde Francis Tielemans een graanmolen met stoommachine, een ‘vuurmolen’ met een hoge schoorsteen. Het experiment mislukte. De schoorsteen verdween. Het molenhuis is nu de eigendom van de apothekers Frank De Moor en Els Lecluse (Dorpstraat 553). In de bijgebouwen zijn de overblijfselen van de oude graanmolen nog zichtbaar.

postkaart leefdaal 1

Het ‘huis van dokter Ectors’

Dokter Jean-Gustave Ectors kocht in 1899 het aanpalende herenhuis met het grootste deel van de tuin. Hij ook mengde zich, aanvankelijk met succes, in de dorpspolitiek. Hij verliet het dorp in 1910. Zijn dochter Gabrielle, die in Leefdaal was geboren, huwde met Paul Anciaux. Zij werden de ouders van de latere Leuvense liberale senator Etienne Anciaux.

Van 1910 tot 1919 bewoonde rustend luitenant-generaal Florentin Verheyden het herenhuis. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht zijn zoon Leon als commandant in het Belgische leger. Zijn gezin verbleef intussen bij zijn ouders in Leefdaal. Toen bekend werd dat de commandant aan de IJzer sneuvelde organiseerde men een herdenkingsdienst in de Sint-Lambertuskerk. De kerk bleek veel te klein voor de massa aanwezigen. Naast een sympathiebetuiging voor de familie bleek het om een stille demonstratie tegen de bezetter te gaan.

Leefdaal kreeg in 1911 een brigade van vijf rijkswachters die allen met hun gezin een onderkomen vonden in het oude herenhuis. Decennia lang bleven de rijkswachters goed geïntegreerd in het dorp. Na hun pensionering bleven velen van hen met hun gezin er wonen. Als gevolg van de recente politiehervorming verliet de brigade Leefdaal om deel uit te maken van de politiezone ‘Dijleland’, die voorlopig het gebouw behield. De gemeente Bertem kon het uiteindelijk verwerven.

Zo blijkt dat het vroegere domein van Guillaume Maes het toneel was van belangrijke episoden in de lokale geschiedenis: eerst als woonplaats van artsen en hoge militairen – in die tijden eerder zeldzaam in de plattelandsdorpen -, daarna als residentie van een rijkswachtbrigade die meestal voortreffelijk werk leverde. Hopelijk bewijzen het gemeenschapshuis en de jeugdlokalen, die achter het oude herenhuis zijn gepland, lange jaren goede diensten aan de dorpsgemeenschap.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De melkerij Emmerechts

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 26 januari 2011 op leefdaal.be.


De familie

De familie Emmerechts, een boerengeslacht, was afkomstig uit de streek ten westen van Mechelen. Rond 1700 vestigden zij zich in Hombeek, nu een deelgemeente van Mechelen. August (Gust) Emmerechts werd er geboren op 24 april 1868. Hij huwde op 26 oktober 1896 met Maria Huberta Desmedt uit Elewijt. Het echtpaar kreeg vijf kinderen: Marcel (meestal Cee genoemd), Alfons, Louis, Anna en Marguerite. De moeder stierf erg jong op 15 maart 1902.

Die vierendertigjarige Gust hertrouwde enkele maanden later, op 15 november 1902, in Leefdaal met zijn twintigjarige schoonzus Coleta (geboren 15 juni 1883), uit Elewijt, die bij hem in Leefdaal verbleef, waarschijnlijk om te zorgen voor de jonge kinderen van haar zuster.

Familiaal begon een ongeluksperiode voor Gust en zijn jonge vrouw. Hun zoon François, negentien dagen oud, stierf op 8 maart 1903. het volgende jaar verloor het echtpaar, op 11 april 1904, een tweeling – een jongen en een meisje – pas een dag oud. Op 6 februari 1905 stierf een nieuwe boreling onmiddellijk na de geboorte.

Het volgende kind, Frans Joris, zag het levenslicht op 8 augustus 1906. Het was het enige uit het huwelijk dat de volwassen leeftijd zou bereiken. Ten slotte verloor Gust op 27 augustus 1909 zijn tweede echtgenote, waarschijnlijk bij de geboorte van een nieuw levenloos zoontje.

Joanes Franciscus Emmerechts, vader van Gust, stierf op 4 januari 1915, bij zijn zoon in Leefdaal. Hij was al weduwnaar sinds 10 mei 1894. Gust stierf amper een paar jaar later op 27 maart 1918 in Neerijse.

Het bedrijf

melkerij-emmerechts1De tragiek van zijn gezinsleven belette August Emmerechts niet bloeiende bedrijven op te richten. Na zijn eerste huwelijk vestigde hij zich in Leefdaal. Op een terrein in de hoek gevormd door de Dorp- en de Korbeekstraat bouwde hij een fraaie woning, bijna een schoolvoorbeeld van de toenmalige burgerbouwtrant. Geglazuurde tegels verlevendigden de voorgevels met fraaie banden en beklemtoonden de ontslagbogen boven deuren en vensters. Een dubbele deur verleende toegang tot het café, want Gust wilde naast melkerijexploitant ook herbergier zijn. Het melkerijgedeelte bevond zich achteraan en strekte zich vooral uit langs de Korbeekstraat. Het was te bereiken langs een toegangsweg in de Dorpstraat links van de woning.

De melkerij produceerde uitsluitend boter die vooral in Leuven werd verkocht. De bewerking noemde men ‘boter uit de melk (room) pressen’. Gust Emmerechts kreeg de bijnaam ‘de pres’, die later overging naar de familie Vermylen. De afgeroomde melk werd met de buurtspoorweg naar de melkerij / kaasfabriek van Wezenbeek gevoerd. Het Leefdaalse bedrijf is waarschijnlijk een paar jaar na het overlijden van August stilgelegd.

De grootste verwezenlijking van August Emmerechts was de oprichting van een nieuwe melkerij in Neerijse. Langs zijn vriend, de stationschef van Vossem, kwam hij aan de weet dat er plannen bestonden voor het aanleggen van de buurtspoorweg Tervuren-Tienen en dat in Neerijse nog geen herberg, dus geen mogelijke wachtzaal, bestond bij de voorziene halte. Hij kocht een perceel grond in de onmiddellijke omgeving en bouwde er rond 1913 een huis met herberg en winkel. Het geheel leek sprekend op zijn eigendom in Leefdaal.

melkerij-emmerechts-neerijse1

Aan het station van Neerijse

August verhuisde niet onmiddellijk naar Neerijse. Hij zette zijn bedrijf in Leefdaal verder, maar overhaalde zijn broer François om ter plaatse een kolenhandel te beginnen. Zijn kinderen Marcel, Louis en Anne vertrokken naar Neerijse om het nieuwe melkerijbedrijf op te richten. Het werd een groot succes. De melkerij leverde in haar bloeiperiode kaas, yoghurt, boter en vooral melk tot in het Waalse Jumet, waar broer Louis een depot beheerde. Het stelde toen 22 werklui te werk. De zoon van Marcel, Gust zette het bedrijf verder. Hij was geen onbekende in ons dorp. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde hij in de voetbalploeg van Leefdaal. Het bedrijf in Neerijse stopte elke activiteit in 1970.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

De reuzen Borre, Trien en Gust

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 25 januari 2011 op leefdaal.be.


DSCN5319De reuzen Borre en Trien zijn geboren in 1890 ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Filharmonie te Leefdaal. Zij stellen twee volkstypen voor, die een herberg openhielden in de Kleine Kerkstraat. Zij schiepen er sfeer met het zingen van liederen waarin alle grote feiten uit het dorpsleven, de moorden en de branden, werden bezongen.

Als Borre zong klommen de luisteraars op een stoel om in zijn wijdopen mond te kijken. Zij beweerden op die wijze de lever van de zanger te kunnen zien. Trien was een andere attractie. De dorpsjeugd vond het een genoegen haar te treiteren met de bewering dat ze geen hemd droeg. Zij schortte onmiddellijk haar rokken op om het kledingstuk te tonen.

Kortom, het was een plezante café bij Borre en Trien, waar iedereen graag kwam om veel te lachen. Met de kermis kwam er soms meer volk over de vloer dan in de eigenlijke danszalen.

Over het echtpaar deden overigens de dolste verhalen de ronde. Op een nacht had de enige koe van het paar zich losgerukt en was via de keuken in de slaapkamer terechtgekomen. Tot overmaat van ramp blies het beest ongewild de kaars uit die ijlings was ontstoken. Borre, de grote muil, verstijfde van schrik. Trien huilde luidkeels dat ‘lodder met zijn keet’, de beruchte boeman, in huis was. Toegesnelde buren konden de orde herstellen. Het is niet verboden te denken dat zij aan de basis van het onheil lagen.

Een koe was een noodzakelijk bezit voor een keuterboer. Zij leverde kalveren, melk, trekkracht en later vlees. Borre had het grootste respect voor zijn beest. Als hij er mee op straat verscheen ging hij voorop om het dier zijn bestemming te tonen.

J1 012Het was logisch dat een dergelijk echtpaar werd vereeuwigd in een reuzenpaar. Technisch gezien bestaan de reuzenpoppen uit een licht houten geraamte waarom het bordpapieren hoofd is vastgemaakt. De Borre-reus heeft, zoals de man zelf, grote oren, ‘lang genoeg om de vliegen van zijn gezicht te jagen’. Het houten geraamte is in 1939, ter gelegenheid van de honderdste verjaring van de jongmansgilde nummer een, vernieuwd door Jules Vander Hulst, ‘de Witte van den Duim’.

De kledij van het paar is tezelfdertijd aangepast door Petronilla Smets, ‘Nille van de Preiter’, en Maria-Ludovica Gijns, ‘Wis van den Bak’. Borre draagt een zwarte boerenklak en een blauwe kiel, zoals vroeger de veekooplieden. Rond de hals zit de onvermijdelijke zakdoek. Trien is een boerin uit de negentiende eeuw met een kanten muts, een geruite bloes en een zwart schort. Elke reuzenpop wordt door een enkele man gedragen, die de wereld alleen kan bekijken door een kleine opening.

In 1979, ter gelegenheid van de 140ste verjaardag van de heroprichting van de jongmansgilde, zijn de reuzenpoppen volledig vernieuwd. Louis Vander Hulst, ‘Wieke Duim’, bouwde de geraamten op uit stalen buizen. De koppen zijn het werk van Julia Forrez, echtgenote van Frans Lannoy, uit Bertem. Paula Puttemans, vrouw van Louis, naaide de klederen, die nauw aansluiten bij de vroegere. Toch is de outfit van vrouw Trien – hoe kan het ook anders – ietwat aangepast aan een meer recente reuzenmode. Door de nieuwe aanpak hebben de reuzen wat aan gewicht gewonnen. Zeg nu zelf, wie wint niet wat kilo’s bij met het verstrijken van de jaren?

printen1Een jaar later is eveneens uit (naast?) het echtpaar een reuzenkind geboren. Zijn naam is Gust, omdat eeuwig Jefke Albert ‘Gust’ Trappeniers in 1980 gevierd werd voor vijftig jaar actief lidmaatschap van de Jefkes nr. 1. Zijn gestel is natuurlijk hetzelfde als dat van zijn ouders. Zijn hoofd, dat nogal lijkt op dat van Franky, zoon van Louis en Paula, is nochtans flink met de tijd geëvolueerd. Julia Forrez maakte het uit polyester.

De reuzen Borre, Trien en Gust blijven het trouw bewaarde bezit van de Filharmonie en van de Jefkes nr. 1 die ze alleen bij bijzondere gelegenheden buitenhalen.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

‘De bekering van Hubertus’ van Gaspar De Crayer

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


Op-een-kier-...-3634Gaspar De Crayer (1584-1669) was een belangrijk Zuid-Nederlandse schilder, die te Brussel een plaats van aanzien bekleedde. Zijn productie was omvangrijk, vooral van religieuze stukken. Hij werkte met een groot aantal medewerkers en leerlingen, maar zijn doeken bleven altijd verzorgd van uitvoering.

Zowel inzake compositie als lichtbehandeling en coloriet was Rubens het grote voorbeeld van De Crayer.

Het schilderij van Leefdaal is aangekocht in 1662. Het nieuwe doek was naar de trant van de tijd hoog van formaat. Bij de levering van een nieuwe portiekaltaar in 1669 diende het aangepast.

Het schilderij kende een bewogen geschiedenis. Bij dreigend oorlogsgevaar bracht men het te Leuven in veiligheid. Het onderging talrijke restauraties.

In 1891 dacht de kerkfabriek het te verkopen om de vergroting van de parochiekerk te bekostigen. Het gemeentebestuur kelderde het project, niet uit kunstzin, maar omdat het vreesde mee te moeten opdraaien voor de kosten van de geplande werken.

Gaspar De Crayer heeft de klassieke voorstelling geschilderd van de verschijning van het kruisdragend hert aan Hubertus. De heilige knielt neer met de rechterhand voor de borst. Hij draagt een rode jas, een witte broek, laarzen en een zwaard. In de linkerhand houdt hij een muts met rode veren. Voor hem ligt zijn jachthoorn en staat een groep jachthonden afgebeeld. Achter hem verschijnt de kop van zijn schimmel. Links in de achtergrond verdwijnt een groep jagers met paard en honden.

De voorstelling stemt tot in de details overeen met een analoog doek uit de Sint-Jakobskerk te Leuven dat nu ophangt in de voorlopige kapel aldaar.

Het is bekend dat de legende van de Hubertusbekering is afgeleid van die van de Romeinse soldaat Eustachius en wellicht in oorsprong teruggaat op een voorchristelijk verhaal.

De Crayer was een voortreffelijk schilder, zij het geen geniaal grootmeester zoals Rubens. Het schilderij te Leefdaal bewijst het:

‘Niet de drift van de jacht en het plotse onderbreken hiervan worden beklemtoond; niet de onsteltenis van de jager, niet de wildheid van het woud… maar de pracht van de kledij, de sierlijkheid van het gebaar. Mooi … zijn de dieren, het hert, de honden en het paard; weelderig zijn … de kleuren: rood, goudgeel, zilverwit en bruingroen; warm als herfstkleuren, met een gedempte gloed, naglans van een zomerse felheid en intensiteit, die wij eerder bij Rubens aantreffen.’

‘De kunstenaar dist een mooi en stichtend verhaal op en het verhaal is mooi opgedist. De Crayer heeft ter dege bereikt wat hij wou: het gemoed strelen en door schoonheid behagen.’

(Jos De Maegd)

(Willy Brumagne, 1932-2013)

IMG_4983

‘De bekering van Hubertus’ tijdens een lezing door Willy Brumagne in 2010.

De jongmansgilden

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 24 januari 2011 op leefdaal.be.


jefkes1Te Leefdaal bestaan twee gilden die uitsluitend vrijgezellen als leden tellen. Het zijn de enige in België. Zij kenden een belangwekkende geschiedenis.

De oudste is heropgericht in 1839. Een jaar daarna ontstond de oudste muziekvereniging van de streek, de Filharmonie. Beide verenigingen zijn zeker vanaf 1902 nauw met elkaar verbonden gebleven.

Gilde en muziekvereniging volgen in de negentiende eeuw een selectieve ledenpolitiek: het lidmaatschap was een voorrecht en de contributie hoog. Dat was samen met familieveten de oorzaak van de oprichting in 1875 van een nieuwe muziekvereniging, de Sint-Lambertusfanfare en in 1902 van een nieuwe jongmansgilde, beide bekend onder de naam ‘nummer twee’.

De rivaliteit tussen één en twee is, zelfs op het gebied van de gemeentepolitiek, altijd groot geweest. De wedijver heeft gelukkig tot gevolg gehad dat de beide gilden eertijds een grote bloei kenden en dat zij uiteindelijk zijn blijven bestaan. Tot de Tweede Wereldoorlog bestonden eveneens gilden voor gehuwden.

Het doel van de jongmansgilden is ontspanning te bezorgen aan hun leden. Hun voornaamste bezigheid is de jaarlijkse koningsschieting. In de vroege twintigste eeuw duurde het feest vier dagen.

breuk-190x300

Zilveren koningsbreuk

  • Op zaterdag bracht men de hoge wip in orde.
  • ’s Anderdaags, in de voormiddag, had de koningsschieting met de handboog plaats. In de namiddag bezocht men de bevriende herbergen en de dag eindigde op de dansvloer.
  • Op maandag werd een schutterswedstrijd gehouden met als prijzen typische rode zakdoeken.
  • Op dinsdag nam men afscheid van de wip met een grote rondedans. Dit afscheid belette niet dat de volgende dagen soms verder werd gevierd.

De geleidelijke overgang van een zuiver landbouwdorp naar een gemeente met veel pendelaars heeft tot gevolg gehad dat de jongmansgilden moesten inbinden. Nu bestaan nog alleen de feestelijkheden op de dag van de koningsschieting.

Na de hoogmis haalt men in stoet de koning, de gemeenteoverheid en de kasteelheer van Leefdaal af. Samen gaat men naar de schuttersweide tussen de kerk en het kasteel. De koningsvogel wordt secuur op de wip geplaatst. Dan volgen de begroetingen van de overheidspersonen en de begroeting van de wip door de ruiters en het vlaggenzwaaien. De eigenlijke schieting begint met drie ereschoten van de kasteelheer, van de overheidspersonen en van de koning. Laat de koning de kans voorbijgaan om zijn titel onmiddellijk te verlengen, dan treden alle kandidaten tegelijk in het strijdperk.

J1 010

De burgemeester en zijn gevolg worden afgehaald

Het koningsschot wordt op gejuich onthaald. De nieuwe koning krijgt plechtig de zilveren breuk omhangen en ontvangt de hulde van zijn gezellen. Hij wordt daarna stoetsgewijs naar huis gebracht. De koning die erin slaagt tweemaal zijn titel te hernieuwen promoveert tot keizer.

De basiskledij van de gildenbroeders is typisch negentiende-eeuws: witte pantalon, gewoon jasje en platte, ronde strooien hoed met band. De dignitarissen dragen een rode sjerp rond de lenden en een rode pluim op de hoed.

De kapitein opent de gildenstoet te paard met witte hoedband, pluim en sjerp en een symbolische boog op de rug, samen met de koerier die als taak heeft de aankomst van de stoet aan te kondigen. De bevriende muziekvereniging volgt en de gewone leden sluiten aan op twee rijen. Elke rij wordt voorafgegaan door een deurwachter met wandelstok, die de broeders de toegang tot de herbergen moet beletten.

Het geldt als een wijze maatregel dat het bier altijd buiten wordt opgediend.

boetmeester

De boetmeester

Vier dignitarissen sluiten de stoet: de schrijver, de kassier, de koning en de boetmeester met zwarte steek en kleine lederen tas. De gemeenteoverheid volgt samen met de kasteelheer en zijn familie. Zij gaan de helpers vooraf: de pijlrapers, die een grote, tenen hoed dragen; de knaap met witte voorschoot, en de vogeldrager, die de koningsgaai torst.

De waarheid gebiedt te zeggen dat de laatste jaren soms wordt afgeweken van de juiste regels. Er bestaan opnieuw gilden voor gehuwden, die de stoeten van de bevriende jongmansgilde volgen.

De jaarlijkse koningsschietingen van de jongmansgilden zijn gebeurtenissen van uitzonderlijk folkloristisch belang, geen modern gedoe om toeristen te lokken. Zij hebben plaats op de twee zondagen na 24 juni, maar… als u ze wenst bij te wonen, vraag dan te Leefdaal naar ‘de Jefkes’. Is Sint Jozef niet de patroon van de vrijgezellen?

(Willy Brumagne, 1932-2013)

printen1

Emiel Borgilion (1888-1914)

wwwleefdaal-0011-204x300In 2007 publiceerde Willy Brumagne Leefdaal 1914-1918. Een Brabants dorp in de Grote oorlog. Enkele jaren later verzorgde hij samen met Johan Morris een aanvulling op dit boek. Emile Borgilion, geboren in Leefdaal, stierf namelijk als soldaat tijdens de eerste oorlogsmaanden.

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 3 november 2012 op leefdaal.be.


De geboorte

Emiel Borgilion kwam ter wereld in Leefdaal op 20 november 1888. Zijn moeder Maria Elisabeth Quintens, geboren in Duisburg op 11 februari 1868, was niet getrouwd. Haar kind was dus ‘onwettig’ en kreeg haar familienaam. De geboorteaangifte gebeurde door Joseph Kumps (hijzelf schreef Cumps) uit Leefdaal, stiefvader van de jonge moeder. Haar echte vader overleed op 27 april 1876. Bij het hertrouwen van haar moeder belandde het meisje Quintens in Leefdaal. Dat zij op jonge leeftijd ongehuwd een kind ter wereld bracht was geen alleenstaand geval. Haar verhaal past volledig in de context van de harde wereld van de negentiende eeuw. De biologische vader ontsnapte meestal aan de gevolgen van zijn daden. De overheersende moraal verschilde voor mannen en vrouwen. Een ‘bastaardkind’ bleef in vele families ongewenst. Een vrouw kon moeilijk alleen zorgen voor het welzijn van haar kroost. Deze toestand leidde tot een (veel) grotere dan normale sterfte van de ‘onwettige’ kinderen. Een jonge ongehuwde moeder moest liefst zo spoedig mogelijk een partner vinden die haar kind wilde erkennen.

De erkenning

Maria Elisabeth Quintens huwde op 4 december 1884 met Josephus (‘Tefke’) Borgilion, dienstbode, die geboren was in Leefdaal op 21 augustus 1860. De oudere man erkende het jongetje Emiel als zijn zoon, die daardoor de familienaam ‘Borgilion’ kreeg. Het belangrijke leeftijdsverschil tussen bruid en bruidegom was in dergelijke gevallen niet uitzonderlijk. Het gebruikelijke huwelijkspatroon bij het gewone volk – niet bij de ‘hogere’ standen – verschilde nochtans volkomen. Meestal huwde een meisje pas op latere leeftijd, zowat zes- tot zeventwintig jaar oud. De man was zelfs dikwijls wat jonger. Op die wijze verkleinde de periode waarin de vrouw kinderen kon baren en beperkte men het aantal geboorten per gezin. Niet dus bij het echtpaar Borgilion-Quintens. Na hun huwelijk zijn nog dertien kinderen geboren: negen jongens en vier meisjes. Volgens alle getuigenissen was de armoede in hun gezin schrijnend.

De verhuis

De twintigjarige Emiel Borgilion, oudste van veertien kinderen, verliet Leefdaal in 1908 voor Vilvoorde. De reden is onbekend. Administratief was hiermede de kous af voor de gemeente Leefdaal. Emiel verdween uit haar boeken. Dat hij, arme volksjongen, in het leger belandde was bijna onvermijdelijk. Misschien als beroepsmilitair, waarschijnlijker het slachtoffer van het infame lotingsysteem, zij het als ingelote milicien, zij het als plaatsvervanger van een rijker iemand. Het resultaat was een leger van hoofdzakelijk armen met te weinig opleiding om kans te maken op enige bevordering.

Het overlijden

gesneuvelden-14-18

De gedenkplaat voor de gesneuvelden uit Leefdaal, opgeknapt in 2018. Emiel Borgilion staat er niet op vermeld.

Wellicht werd Emiel Borgilion als soldaat gekwetst bij de eerste uitval van het Belgische leger van 23 tot 26 augustus 1914 vanuit Antwerpen naar het bezette land rond Leuven. Het doel was de Duitsers te verplichten meer soldaten naar het noorden te verplaatsen en de druk op het Franse leger aan de Somme te verminderen. Emiel overleed op 3 september 1914 aan zijn verwondingen in het noodlazaret in het Godshuis van Duffel. Hij liet Victorine Vander Elst als weduwe achter. Het stoffelijke overschot werd voorlopig begraven op het militaire ereperk van de gemeente Duffel en in 1923 overgebracht naar het militaire kerkhof van Lier. Op zijn grafzerk staat zijn naam verkeerd geschreven: ‘Borillon’.

Epiloog

Maria Elisabeth Quintens overleed plots op 8 augustus 1943. Zij woonde toen met haar gezin in Vrebos op de huidige Grensstraat dicht bij de Coigesteenweg. Elf van haar kinderen leefden nog. Haar zoon Herman, die in Duitsland werkte, stierf een jaar later in Buchen (Zuid-Duitsland) tijdens een geallieerd bombardement. Haar man Jef ‘Tefke’ stierf op 16 mei 1947. De meeste van hun kinderen redden het behoorlijk in het leven.

Bronnen

Uiteraard leverde het archief van de gemeente Leefdaal, bewaard op het gemeentehuis in Bertem, een aantal inlichtingen. Vooral de mededelingen van talrijke personen bleken belangrijk. Vele vragen blijven zonder antwoord. Dat maakt dat de tekst soms wat onzeker overkomt. Aanvullende inlichtingen zijn uiteraard erg welkom. Met dank aan allen die bijdroegen of zullen bijdragen om de levensbeschrijving van een gesneuvelde uit de ‘Groote oorlog’ en de leefwereld van de bevolking beter uit de verf te doen komen.

(Willy Brumagne en Johan Morris)

Vroeienberg in de Middeleeuwen

Willy Brumagne schreef dit artikel voor de Huiskrant van het Woonzorgcentrum Sint-Bernardus. Op 29 april 2012 werd het ook gepubliceerd op leefdaal.be.


Geologie en vroege bewoning

De Veronewijk (in de volksmond: ‘Sinte-Froene’) van Leefdaal-Bertem noemde in de middeleeuwen ‘Vroeienberg’ of ‘Veronenberg”. Zij ligt in het Voerdal, dat uitgesleten is in het Brabantse leemplateau. Tientallen miljoenen jaren geleden was de streek enkele malen een open zee, die vooral zand afzette. Een deel, het zand van Lede, ongeveer tien meter dik, bevat verschillende lagen kalkzandstenen, die tot twintig centimeter dik kunnen zijn. Zij maken een prima bouwmateriaal uit. Vele eeuwen later, in een ijzige tijd, zette een overheersende noordenwind fijne kalkrijke leem af dat het landschap als een mantel bedekte. Toen later het klimaat verbeterde bleek het leem een uitstekende bodem te vormen voor de plantengroei. Het leidde tot oerbossen.

De nabijheid van water, een vruchtbare bodem en de aanwezigheid van geschikt bouwmateriaal maakten dat de plaats waar ze samen voorkwamen vlug door de mens werd bewoond. Dat was het geval in het latere Vroeienberg. Al ongeveer drieduizend vijfhonderd jaar geleden verschenen er landbouwers uit de nieuwe steentijd; enkele eeuwen later de Gallo-Romeinen. Zij hebben het oerbos grotendeels gerooid. Zo lag het land klaar voor de Franken uit de Merovingische en Karolingische tijd die op hun kousenvoeten zijn binnen gesijpeld. De middeleeuwen waren nabij.

De vroege middeleeuwen

Een vrij belangrijk grafveld waarvan de sporen zijn ontdekt tijdens opgravingen in 1951, bewijst een vroege Frankische aanwezigheid op de Veronewijk. De meeste graven bevonden zich op en rond de plaats van de huidige kapel en zelfs onder de muren van het primitieve kerkje. Het grafveld was dus ouder dan het gebouw. Het is moeilijk uit te maken of het oorspronkelijk om een heidens of een christelijk grafveld ging. Onder de scheidingsmuur tussen het huidige schip en koor zijn twee gemetselde graven aangetroffen. Als bouwmateriaal werd naast de lokale zandsteen ook Romeins puin aangetroffen. De belangrijkste vondst was een sarcofaag uit zachte witte steen uit Opper-Lotharingen. Men noemt ze Merovingisch al stamt ze waarschijnlijk uit de Frankische tijd. In de stenen kist lag eens een ons volkomen onbekend persoon begraven. Het moet een hooggeplaatst iemand geweest zijn.

sarcofaag

Het zogenaamd ‘graf van Verona’ ontdekt tijdens de opgravingen van 1951. De sarcofaag was al vroeger verplaatst, gedeeltelijk geschonden en verstevigd met muurtjes.

Tijdstip en methode van begraven moeten doen denken aan een begrafeniskerk van een herenfamilie. Komt daarbij de plaatsnaam ‘Veronenberg’ of ‘Vroeienberg’. Een ‘vroon’ was een heer, een vorst, een man die beveelt. Wie? Men kan denken aan kringen rond het Leuvense gravenhuis, maar zekerheid is er volstrekt niet. De enige vage indicatie is dat de latere hertogen van Brabant op deze plek bezittingen hadden.

Het prille begin van de parochie

Het christendom is niet als een pletrol over het heidendom gewalst. De vorst – de plaatselijke heer – speelde vermoedelijk een rol bij de kerstening. De samenwerking met de missionaris was voor beiden voordelig. Geleidelijk lieten de lekenheren op hun domein kerken bouwen. Het is een geloofwaardige hypothese dat de heer van Vroeienberg rond het jaar 900 een kerk liet bouwen op de heuvel ten zuiden van de Voerbeek. Hij gaf haar een grondgebied waar de kerk een belasting kon innen om haar kosten te dekken. Hij zag de kerk wellicht als een grafplaats voor zijn familie, maar ook als een investering. Hij bleef de eigenaar, die het recht had de pastoor aan te stellen, die de gelovigen opvoedde, onderrichtte en controleren. Het was feitelijk een privé-kerk of met een geëigende uitdrukking, een ‘eigenkirche’.

Vroeienberg was een vroege stichting. Het patroonschap van de Kruisverheffing met feest op 14 september was een bewijs, samen met de opgegraven sporen. Het betrof een zaalkerkje, eenbeukig zonder toren en wellicht zonder versiering. Even later is een rechthoekig koortje aan de oostzijde bijgebouwd. Het was smaller dan de beuk.

mertens9

Het oudste kerkgebouw van Vroeienberg (met koortje),
volgens een reconstructie door J. Mertens.

De bouw van de kerktoren

De verschrikkingen van het jaar duizend zijn een uitvinding van latere eeuwen. Het jaar maakte integendeel deel uit van een periode van heropbloei in West-Europa. De invallen van de Noormannen hadden een einde genomen. De economie herleefde.

In Bertem bouwde de abdij van Corbie een fraaie kerk met een westertoren, die haar status als parochiekerk beklemtoonde en tevens een symbool was van de macht van de Kerk. In Vroeienberg, op luttele afstand, bouwde men rond dezelfde tijd eveneens een massieve, onregelmatig vierkante toren met muren van een meter dik. De kerk van Vroeienberg was inderdaad eveneens een parochiekerk! Weinig later brandde ze uit. Het koor diende volledig vervangen. Het gebeurde zorgeloos. De mortel was van bedenkelijke kwaliteit.

De economie bloeit

De periode van 1080 tot 1220 was een tijd van economische en sociale vooruitgang mede dankzij de graven van Leuven en de religieuze instellingen waarmede zij een nauwe binding hadden. Hendrik III, graaf van Leuven, schonk in 1080 een aantal goederen aan het Groot Gasthuis van de stad, dat een belangrijk landbouwbedrijf zou verwerven ten westen van de kerk van Vroeienberg.

Men weet dat de graaf in 1082 een Luikse synode over de godsvrede bijwoonde. Hij voerde ze in Brabant in, een belangrijke maatregel op economisch en sociaal gebied. Men getuigt van hem dat hij veel deed om zijn land tegen plunderaars en misdadigers te beveiligen. Samen met zijn moeder Adela en zijn broer Godfried was hij in 1083-1086 betrokken bij de stichting van de abdij van Affligem. De abdij verwierf in 1117-1731 het altaar en de tienden van Vroeienberg samen met Leefdaal en Vossem. Het statuut van eigenkirche, waartegen de Kerk zich hardnekkig verzette, verviel.

Hertog Hendrik I van Brabant ten slotte stelde in 1235 drie mannen uit Vroeienberg vrij van tolrechten in Leuven.

De verdere uitbreiding van de parochiekerk

De toenemende economische activiteit leidde tot een forse bevolkingsgroei die verplichtte tot een verdere uitbreiding van het kerkgebouw. De ombouw begon in de twaalfde eeuw met de vernieuwing van het kaduke koor. Het werd smaller en langer met in de zuidelijke muur een eenvoudig paradijspoortje. De kerk kreeg in de dertiende eeuw twee zijbeuken, de meest aangewezen uitbreiding van een zaalkerk. Drie vierkante pijlers vervingen aan weerszijden de oude zijmuren van het schip. De toegang bleef in het zuiden van het schip.

Een maasromaanse basiliek was geboren. Het schip had een rechthoekige plattegrond. De middenbeuk was hoger dan de zijbeuken. Hierdoor konden hoog in het middenschip vensters worden gestoken. Zij was romaans door haar stapelbouw, haar structuur als een blokkendoos met duidelijk onderscheiden delen, en door de nadruk op de halfronde boog voor de overspanning van de openingen. Men noemt ze maasromaans omdat een westertoren typisch was voor het oude bisdom Luik dat tot Leuven reikte. Vroeienberg behoorde tot het bisdom Kamerijk, maar de Leuvense invloed is wellicht bepalend geweest.

Stabiliteit in de veertiende en de vijftiende eeuw?

Hertog Jan I had in 1286 een herverdeling van zijn grondgebied doorgevoerd. Een deel van Vroeienberg, met de kerk, het nabije Hof ten Poele en de omliggende huizen behoorden voortaan tot de ammanie Brussel; een ander deel ten noorden van de Voer ging met Bertem naar de meierij Leuven. Het ziet er niet naar uit dat dit plaatselijk aanvankelijk veel nadeel berokkende.

bleaukaart

Het hertogdom Brabant in 1635. Het westen ligt bovenaan. De grens tussen de ammanie Brussel (boven) en de meierij Leuven (onder), die Vroeienberg in twee deelt is duidelijk zichtbaar.
(bron: Willem Blaeu, Theatrum Orbis Terrarum, 1635.)

Rond het midden van de veertiende eeuw bereikte de expansie van het hertogdom Brabant stilaan de grenzen van zijn mogelijkheden. Vooruitgang kon nog gebeuren door beroep te doen op nieuwe teelten. Het milde klimaat liet gelukkig zelfs wijngaarden toe. Dergelijke intensieve landbouw leek te volstaan. Toch zag men een aantal verschuivingen gebeuren in de eigendomsrechten. Kleinere bedrijven krijgen meer kapitaalkrachtige eigenaars. Het hof van Lodewijk Oliviers in 1440, pastoor van Leefdaal, aan de weg van Vroeienberg naar Leefdaal behoorde in 1519 aan ene Aart Michiels en kwam later in handen van de Leuvense patriciërsfamilie van Spoelberch.

De meeste wijzigingen gebeurden in het Voerdal ten noorden van de beek. De priorij van Rooclooster verwierf in 1421 een hoeve ten westen van de watermolen, die zelf over klein landbouwbedrijf beschikte. In 1437 bezat de priorij in de omgeving vijfenvijftig bunder land, bos en weide en twee wijngaarden. Nog meer westelijk lag toen het Hof van Vroeienberg dat in 1468 een duifhuis – teken van rijkdom – bezat en drie bunder groot was met een boomgaard, een vijver, beemden en een brouwerij. De steengroeven met de bijhorende kalkwinningen bloeiden vooral in de vijftiende eeuw op de noordelijke helling.

Op kerkelijk gebied wijzigde de toestand. De kerk met zijn relatief lage vaste inkomsten, kon in de dertiende eeuw meestal rekenen op een eigen pastoor. Bij de telling van 1374 werd Vroeienberg bij Bertem gerekend. Wellicht vervulde zijn pastoor de functie van deservitor. De verering van de legendarische Verona, afgeleid van de parochienaam, was in opgang. Omstreeks het jaar 1500 waren de binnenmuren van de kerk beschilderd met afbeeldingen van het imaginaire leven van de ‘heilige’.

De gotiek, de nieuwe cultuurstijl, beïnvloedde weinig de parochie. In de vijftiende eeuw werd toch een sacramentshuisje gestoken in de noordelijke zijmuur van het kerkkoor. Het was en blijft een voorbeeld van de hooggotische kunst die een schitterende nabloei kende in Brabant.

Epiloog

De middeleeuwen liepen laat in de vijftiende eeuw naar hun einde. Zij waren niet de duistere periode zoals nog steevast wordt gesuggereerd. De toestand wijzigde dramatisch in het midden van de volgende eeuw. De steengroeven en de landbouw leden onder de onrust in het land. Het zal nog erger worden. Onlusten van politieke en religieuze aard veroorzaakten honger, ellende en epidemieën. Het Spoelberchhof, de watermolen en verschillende huizen gingen in de vlammen op. De kerk werd in 1580 leeggeplunderd. Pas de zeventiende eeuw bracht wat verbetering. Maar de middeleeuwen waren dan al lang definitief voorbij.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Vroeienberg 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Vroeienberg in 1596-1598. Figuratieve kaart van het westelijke gedeelte van Bertem en van Vroeienberg door Pierre de Bersacques. Het zuiden ligt bovenaan. In het midden het puin van de watermolen van Vroeienberg. Rechts ervan de U-vormige hoeve van Rooclooster.

Literatuur

  • W. Brumagne, De Veronewijk en haar Kruiskapel. Bertem-Leefdaal (Vura Ducum 4), Tervuren, 2001.
  • J. Mertens, ‘Leefdaal, opgravingen in de S.-Verone kapel’, Bulletin van de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen, 5 (1954), 43-175.
  • R. Van Uytven (red.), Leuven: de beste stad van Brabant. I. Geschiedenis van het stadsgewest Leuven tot omstreeks 1600, Leuven, 1980.
  • R. Van Uytven e.a. (red), Geschiedenis van Brabant. Van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

De Sint-Lambertuskerk te Leefdaal

Deze bijdrage verscheen oorspronkelijk op 22 januari 2011 op leefdaal.be.


Sint-Lambertuskerk

De oudste geschiedenis van de Sint-Lambertuskerk is nauwelijks gekend. Opgravingen die wellicht klaarheid hadden kunnen brengen over zijn oorsprong zijn nooit gebeurd. J. Verbesselt, de auteur van een studie over het Brabantse parochiewezen, meent dat de bevolking de kerk langs de hoofdweg door de Voervallei bouwde in het vierde kwart van de twaalfde eeuw. Dit betekent dat de heren van Leefdaal geen rol hebben gespeeld bij de bouw omdat zij pas in de dertiende eeuw opduiken. De medewerking van de abdij van Affligem is moeilijker uit te sluiten. Zij kreeg het altaar van Leefdaal in het begin van de twaalfde eeuw.

De eerste bekende kerk was een driebeukige kerk van hetzelfde type als de andere kerken in de Voervallei. Ze was kleiner dan de kerk van Bertem en bereikte niet dezelfde architecturale volmaaktheid. Hiervan zijn overgebleven: het onderste torengedeelte, een belangrijk deel van de noordmuur van het schip met de fraaie romaanse toegang die erin staat afgebeeld, het paradijspoortje in de zuidzijde van het koor.

In 1489 staken de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk de kerk in brand. Hoe groot de schade was, is niet bekend. In 1524 werd de toren verhoogd met een klokkenverdieping en een spitse gotische toren. Vlak daarna, in 1542, vernielde een toevallige brand de kerk samen met de nabijgelegen pastorie en een aantal huizen. Vooral het koor en het noordoostelijke deel van het schip moeten hard hebben geleden. De wederopbouw liet wegens de onrustige tijden op zich wachten. Het diepe, laatgotische koor met het schitterende stergewelf is rond 1558 samen met de fraaie renaissancezuil vooraan in het schip opgetrokken.

In de zeventiende eeuw, na het concilie van Trente, lag de klemtoon vooral op de binnenversiering en de meubilering. Toch is toen heel wat aan de toren gewerkt. De stenen wijzerplaat van een uurwerk op de zuidzijde dateert van 1639. De zuidelijke toegang, die was beschermd met een ver vooruitspringend portaal, is in 1645 naar de toren overgeplaatst. Vier jaar later installeerde men er het doksaal. Aan het einde van de eeuw verkeerde de toren in een lamentabele toestand. Hij was getroffen door de bliksem en had een grondige herstelling nodig.

De belangrijkste kerkvernieuwing gebeurde wellicht in het derde kwart van de achttiende eeuw. De zuidmuur van het schip werd tot de grond afgebroken, de noordelijke gedeeltelijk. Beide zijn opnieuw opgetrokken en elk voorzien van drie grote barokvensters. Door de verlenging van de zijbeuken raakte de toren ingebouwd. De oude romaanse lichtbeuk van de middenbeuk verdween. Het hele schip kreeg een groot schuurdak. Over deze belangrijke verbouwing blijven vele vragen.

In de negentiende eeuw verdubbelde de bevolking van de parochie bijna. De toenmalige pastoor wilde bijgevolg een grotere kerk. Het kerkbestuur besloot L. Gife, provinciale architect van Antwerpen, een nieuw plan te laten ontwerpen. Hij leverde een enorm werkstuk af. De bestaande kerk zou, met uitzondering van het koor, volledig worden afgebroken en vervangen door een veel groter gebouw. De as van de kerk zou niet meer volgens de traditionele oost-westlinie, maar noord-zuid verlopen. De hoofdingang zou in het zuiden dicht bij de Dorpstraat liggen. Enig bezwaar was de reusachtige kostprijs. De gemeente zou mee in de kosten moeten delen, maar dit weigerde ze pertinent.

IMG_7377Even werd geopperd om het schilderij van Gaspar De Crayer, ‘De bekering van Hubertus’, te verkopen om met de opbrengst het kerkgebouw te vernieuwen. De gemeenteraad kelderde dit project onmiddellijk. Vervolgens werd de gekende Leuvense architect P. Langerock onder de arm genomen. Na wat geharrewar, waarbij de gemeente telkens halsstarrig weigerde een deel van de kosten te betalen, voorzag de architect uiteindelijk een bescheiden restauratie. Alleen de toren kreeg een flinke beurt. Twee zware steunberen moesten hem stutten en ijzeren ankers hielden hem samen. De ingang en het bovenstaande venster werden neogotisch vernieuwd. Boven de middenbeuk werd een houten tongewelf gespannen. De provinciegouverneur dwong de gemeente uiteindelijk haar deel in de kosten te betalen. Alles eindigde met een fikse ruzie tussen de bouwondernemer en de provinciale technische diensten.

De sterk verbouwde Sint-Lambertuskerk geldt zowat als het buitenbeentje tussen de romaanse bedehuizen van de Voervallei: Bertem, Sint-Verona en Vossem. Toch is zij een harmonisch geheel van de verschillende bouwstijlen die in onze gewesten sinds duizend jaar aan bod kwamen. In 1987 kwam ze op de lijst van de beschermde gebouwen terecht. Weinig dorpskerken uit de omgeving kunnen wedijveren met de rijkdom van haar interieur: een fraai barokhoogaltaar met classicistisch tabernakel, een meesterlijk schilderij van Gaspar De Crayer en een sierlijke rococomeubilering.

(Willy Brumagne, 1932-2013)

Foto’s uit de beeldbank van het agentschap Onroerend Erfgoed